Wachten duurt lang
Bert en Ernie zongen het al:
Bert:
wachten duurt laannggg… laannggg…. laannngg…
wat duurt dat wachten laannggg
ik wacht nu al zo laannggg… laannggg…. laannngg…
wat wacht ik toch al laannggg
Wachten.
Niemand vertelt je hoe lang het duurt.
Dat is precies het probleem.
Je bent iets kwijtgeraakt. Of iets is weggevallen. Het oude werkt niet meer. Het nieuwe is er nog niet.
En jij staat daartussen.
Niet hier. Niet daar.
Nergens.
Dat niemandsland heeft een naam in bijna elke traditie. De woestijn. De donkere nacht. De drempel. De overgang.
Maar kennis van de naam maakt het niet draaglijker.
Want wat er in dat niemandsland gebeurt, gaat dieper dan een fase.
Het raakt aan de meest fundamentele angst die een mens kan hebben.
De filosoof Paul Tillich noemt het de angst voor het niet-zijn.
Niet de angst dat je doodgaat.
De angst dat je niets bent als alles wegvalt.
Zolang je functioneert, presteert, geeft, zorgt, betekent — weet je wie je bent.
Maar in het wachten valt dat weg.
Je doet niets. Je bereikt niets. Je bewijst niets.
En dan komt de vraag die je het liefst niet stelt.
Wie ben ik als ik dit niet ben?
Die vraag is ondraaglijk.
Niet omdat er geen antwoord is.
Maar omdat je het antwoord niet kunt maken.
Je kunt het niet bouwen, verdienen of afdwingen.
Je kunt alleen wachten tot het zich onthult.
En dat — precies dat — is wat ons breekt.
We zijn neurobiologisch gebouwd om onzekerheid op te lossen.
Het brein ervaart het onbekende als gevaar.
Niet als kans. Niet als ruimte.
Als bedreiging.
Maar er is iets diepers dan de neurologie.
Wachten vraagt iets wat geen enkel systeem je kan leren.
Het vraagt dat je bestaat zonder bewijs.
Dat je bent — ook als niemand het ziet. Ook als jij het zelf niet voelt.
Dat je de stilte verdraagt zonder haar op te vullen.
Juist in die nacht, in dat niemandsland, in dat wachten, helpt soms maar één ding, één zin die je herhaalt tot de rust en overgave indaalt.
In die nacht helpt mij maar één ding.
Het volk bij de Sinaï kon dat niet.
Veertig dagen zweeg de berg.
Mozes was weg. God zweeg. De hemel was leeg.
En ze hielden het niet uit.
Niet omdat ze niet geloofden.
Maar omdat geloof in de stilte iets heel anders vraagt dan geloof in de aanwezigheid van tekenen.
Ze maakten een kalf.
Van het mooiste wat ze hadden.
Jezus beschrijft hetzelfde.
Het huis is leeg. Geveegd. Op orde.
En precies die leegte — die schone, eerlijke leegte — trekt het oude terug.
Zeven geesten. Erger dan daarvoor.
Niet omdat de mens slecht is.
Maar omdat leeg zijn voelt als falen.
En daar zit de kern.
Wij hebben geleerd dat leegte gevuld moet worden.
Dat stilte gebroken moet worden.
Dat wachten productief moet zijn.
Maar het niemandsland is niet de ruimte tussen twee dingen.
Het niemandsland is het ding.
Het is de enige plek waar het oude echt los kan laten.
Waar het nieuwe echt geboren kan worden.
Niet ondanks de leegte.
Door haar.
Tillich zegt: de moed om te zijn is het ja zeggen aan je eigen bestaan — ook zonder fundament dat je zelf gebouwd hebt.
Hij noemt dat geloof.
Niet geloof als overtuiging.
Geloof als het verdragen van je eigen onbewezen bestaan.
De vraag is niet: hoe kom ik hier doorheen?
De vraag is: kan ik hier zijn?
Zonder het op te lossen.
Zonder het te vullen.
Zonder een kalf te maken van wat ik nog heb.
Dat is het moeilijkste wat er is.
En het is ook het enige wat werkt.
Lees verder:
* ons-gouden-kalf/
* het-poeder-dat-je-moet-drinken/
