Wat je niet loslaat – verteert jou
Mattheüs 19:29: En al wie huizen of broers of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers zal verlaten hebben omwille van Mijn Naam, die zal honderdvoudig ontvangen en het eeuwige leven beërven.
[Dit artikel is een diepe graving. Wie liever eerst de kortere route neemt en van daaruit besluit of hij verder wil afdalen, kan beginnen bij De greep die niet opengaat — deze tekst is de wortel waar die uit voortkomt.]
Mattheüs 19 opent met een verplaatsing: Jezus verlaat Galilea en steekt de Jordaan over naar Judea (19:1-2) — de tekst zet, voor er één woord over verlaten valt, zelf al een lichaam in beweging.
Dan de Farizeeën, die hem testen met een vraag over echtscheiding, gefundeerd op Deuteronomium 24 (19:3). Jezus antwoordt niet vanuit die concessietekst, maar vanuit de schepping zelf — Genesis 1:27 en 2:24 — en zegt uitdrukkelijk van den beginne, was het zo niet (19:8). Mozes stond echtscheiding toe vanwege de hardheid van het hart; de oorspronkelijke orde kende die concessie niet. Dat is de eerste keer in dit hoofdstuk dat een terugkeer naar de oorsprong scherper blijkt te zijn dan de latere aanpassing.
De discipelen schrikken terug: als dat de eis is tussen man en vrouw, kun je beter niet trouwen (19:10). Jezus’ antwoord is de eunuchenspreuk (19:11-12): er zijn eunuchen van geboorte, eunuchen die door mensen gemaakt zijn, en eunuchen die zichzelf tot eunuch maakten — omwille van het koninkrijk der hemelen.
Dan kinderen die gezegend worden — want van hen is het koninkrijk (19:13-15) — en de rijke jongeling (19:16-22), die de geboden onderhoudt maar breekt op één zin: verkoop wat je bezit en geef het aan de armen. Verkopen en geven, een economische transactie, geen loslaten. De jongeling gaat bedroefd weg — hij kan wel verkopen, maar niet geven. Jezus’ commentaar: bij mensen onmogelijk, bij God zijn alle dingen mogelijk (19:23-26).
En dan Petrus: zie, wij hebben alles losgelaten en zijn u gevolgd; wat zal ons dan ten deel vallen? (19:27). Petrus gebruikt het juiste woord, maar in een verkeerde zin: een boekhoudersvraag, wij hebben ingelegd, wat is ons rendement. Jezus antwoordt in Petrus’ eigen woord, maar plaatst het meteen in een andere logica — de honderdvoud, en direct daarna, in 19:30: veel eersten zullen de laatsten zijn en veel laatsten de eersten. Dat vers is een scharnier — het hoofdstuk loopt door in de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard (20:1-16), waar wie één uur werkte evenveel loon krijgt als wie de hele dag zwoegde. Matteüs ontkracht zo zelf al wat Petrus veronderstelde toen hij vroeg wat hem “dan” zou toekomen.
Nu terug naar de tekst die ik wil uitdiepen.
Wat er niet meer staat
Er ontbreekt een woord in Matteüs 19:29, en niemand die de gangbare vertalingen leest merkt het: Ieder die broers of zussen, vader, moeder of kinderen, akkers of huizen heeft achtergelaten omwille van mijn naam, zal het honderdvoudige ontvangen. Zo staat het er, in de meeste bijbels. Maar in de Textus Receptus — de tekstvorm waarop eeuwenlang de kerk zich baseerde — staat er nog een woord tussen “moeder” en “kinderen”: Vrouw. In de oudste manuscripten, de kritische tekst die dichter bij het origineel staat, ontbreekt dat woord. Wie zijn vrouw verlaat, wordt in de oudste overlevering van deze tekst níet beloond met een honderdvoud.
Dat is geen filologisch detail om over te slaan. Het is een naad, en naden zijn de plekken waar je kunt zien hoe een tekst in elkaar zit — omdat iemand hem ooit heeft opengetrokken en er iets heeft ingelegd wat er eerst niet stond.
Vierentwintig verzen eerder (Mattheüs 19:5) citeert dezelfde Jezus Genesis 2:24: daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw (19:5). Daar is het verlaten van de ouders juist de voorwaarde voor het huwelijk — geen offer, maar een schepping. En dan, in vers 29, een tweede rijtje van verlaten, en in de oudste tekst staat de vrouw daar niet tussen. Alsof de tekst zelf weet dat dit twee verschillende soorten loslaten zijn, die niet door elkaar mogen lopen. Een latere schrijver — waarschijnlijk vanuit de parallel in Lucas 18:29, waar de vrouw wél genoemd wordt — heeft de twee bewegingen samengevoegd. Wat oorspronkelijk gescheiden was, werd één ding: verlaten. Alsof alle verlaten hetzelfde gewicht heeft.
Twee werkwoorden
Het wordt scherper wanneer je de werkwoorden zelf naast elkaar legt, want het Grieks gebruikt op die twee plekken niet hetzelfde woord.
In vers 5, de scheppingsorde, staat volledig achterlaten. Hetzelfde soort woord als in het begrip een weglating, iets wat op zijn plek blijft liggen terwijl jij verdergaat. Het beschrijft een lichaam dat van huishouden wisselt: je stond hier, nu sta je daar. Eenmalig, voltrokken, structureel.
In vers 29, de koninkrijksorde, staat weg van; zenden, laten gaan. Geen positioneel woord. Het beschrijft geen verplaatsing van het lichaam, maar het openen van een greep. Het is hetzelfde werkwoord waarmee schulden worden kwijtgescholden in het Onzevader — vergeef ons — en het draagt dezelfde stam als: de vrijlating, de kwijtschelding, het woord dat in de Septuaginta staat voor het jubeljaar van Leviticus 25, het jaar waarin land terugkeert naar wie het oorspronkelijk toebehoorde en schulden worden opgeheven.

Het jubeljaar
Dat verandert wat er aan het eind van vers 29 gebeurt. De honderdvoud is dan geen beloning die van buitenaf komt binnenvallen voor een offer dat gebracht is. Het is de tegenbeweging die in het werkwoord zelf al besloten ligt. Wat werkelijk wordt losgelaten — niet fysiek verplaatst, maar innerlijk vrijgegeven — keert nooit leeg terug. Dat is geen vroom optimisme. Dat is gewoon hoe een jubeljaar werkt: wat je loslaat in vertrouwen dat het niet van jou was om vast te houden, komt in een andere vorm terug, en vaak niet bij jou.
De vraag die overblijft is: vrijgegeven waarvoor?
En waarom juist dít specifieke rijtje — broers, zussen, vader, moeder, kinderen, akkers?
Abrahams Lech lecha
Dat rijtje komt eerder voor in de Schrift, en dat is geen toeval. Genesis 12:1: lech lecha, uit uw land, uit uw geboorteplaats, uit het huis van uw vader. Land, geboortegrond, vaderlijk huis: van het verst verwijderde naar het dichtstbijzijnde. Dit is de enige andere plaats in de Schrift waar exact deze drieslag eerder is uitgesproken, tegen precies één mens: Abraham. Wat Jezus in Matteüs 19:29 zegt, is geen nieuw gebod dat hij verzint voor zijn volgelingen. Het draagt de echo van het eerste vertrek in de Schrift in zich, of Mattheüs dat nu bewust citeert of niet — de taal zelf sleept het mee.

En lech lecha is grammaticaal een merkwaardige constructie. Er had “lech” kunnen staan — ga. Er staat “lech lecha” — ga, naar jou toe. De reflexieve vorm, die in het Hebreeuws niet nodig is voor een simpele beweging door de ruimte. Friedrich Weinreb wijst hier steeds weer op: deze richting is niet het onbekende land waar Abraham heen trekt, de richting is de spreker zelf. Het vertrek uit vader, land en geboortegrond heet in de grondtekst: naar jezelf gaan.
Dat is de laag die meeklinkt in: omwille van mijn naam. Niet omwille van een leer, een principe, een groep waarbij je je aansluit. Omwille van de Naam. En de Naam is in de bijbelse logica niet een etiket boven op het bestaan — de Naam ís het bestaan, Exodus 3:14, Ik zal zijn die ik zijn zal. Wie zijn herkomstveld loslaat omwille van de Naam doet wat Abraham deed: niet weglopen van iets ondraaglijks, maar weggaan naar het eigen bestaan, dat pas zichtbaar wordt zodra het niet langer is toegedekt door het gegeven-zijn binnen het ouderlijk systeem.
De vlucht die zich voordoet als vrijgave
Hier wringt het, want dit is precies de plek waar deze tekst misbruikt wordt om te vluchten. Erbij horen is de eerste systemische wet, en dit vers lijkt op het eerste gezicht een vrijbrief om die wet te breken: verlaat je systeem, en je krijgt het honderdvoud. Maar wie zijn familie verlaat vanuit de wond — vanuit wat er niet gegeven werd op het moment dat het nodig was, vanuit een overlevingsmechanisme — beweegt niet naar de Naam toe. Die beweegt weg van de pijn, met een religieus vernislaagje eroverheen. Het systeem blijft trekken, juist omdat er nooit erkend is wat er ontbrak. Dat is geen “wegsturen”, “loslaten” of “laten gaan”, geen echte vrijgave. Dat is “achterlaten”, “verlaten” of “overhouden” zonder “wegsturen”, “loslaten” of “laten gaan”: een verandering van plek, zonder dat de greep ooit geopend werd. En een greep die niet geopend wordt, blijft trekken, ook op afstand.
Kazimier Dąbrowski zou hier zeggen: desintegratie is nooit vruchtbaar om het afbreken zelf. Ze is alleen vruchtbaar als er al een richting is waarnaar toe uiteengevallen wordt. Zonder die richting is het geen groei, het is gewoon schade — het lichaam verplaatst, maar de innerlijke schuld aan het gezin van herkomst blijft.
Een generatie verderop
Wat er dan wél gebeurt met wie werkelijk loslaat, staat niet met zoveel woorden in Mattheüs. Daarvoor moet je naar Genesis 26:12: Isaak, de zoon van de belofte, zaait in het land tijdens een hongersnood, en oogst honderdvoudig, hetzelfde woord dat in Mattheüs 19:29 staat. Niet Abraham zelf, de man die wegging uit zijn vaderlijk huis, ontvangt zijn honderdvoud. Zijn zoon doet dat, in het land waarnaar Abraham ooit vertrok. En Abraham was honderd jaar toen die zoon geboren werd — het kind van de onmogelijke belofte, geboren uit een lichaam dat er allang geen rekening meer mee hield.
Dat is misschien de laag waar ik vandaag het diepst kom: het patroon dat de Schrift zelf aandraagt is dat de vrucht van het loslaten zelden landt bij wie losliet. Ze landt een generatie verderop, in grond die de loslater nooit meer als “van hem” claimt. Wie leest “verlaat en ontvang honderdvoud” als een belofte binnen zijn eigen levensduur, leest tegen het patroon van de tekst in.
Dat patroon staat er nog explicieter, in een tekst die niet over Abraham gaat maar wel over dezelfde wetmatigheid: Exodus 20:5-6. De ongerechtigheid van de vaders komt over de kinderen tot het derde en vierde geslacht — in de Septuaginta “brengend over” — maar goedertierenheid, wordt gedaan aan duizenden, voor wie liefheeft. Twee verschillende Griekse werkwoorden, er is geen lexicale brug. Maar de structuur is identiek aan wat er in Mattheüs 19 gebeurt. Wat niet is losgelaten blijft aan een plek gebonden, ze reist niet verder dan waar ze ontstond, ze stokt na drie, vier geslachten omdat ze wacht tot iemand haar eindelijk ziet. Goedertierenheid, eenmaal echt vrijgegeven, kent geen grens die de tekst noemt. Duizenden. Het honderdvoud van Isaak is daarvan de kleine, herkenbare vorm: ongerechtigheid blijft hangen op de plek, liefde reist door naar wie haar nooit heeft vastgehouden.
Als dat klopt dan is het antwoord op de vraag waarom een derde generatie nog lijdt onder wat een eerste generatie deed, niet dat er gestraft wordt! Het antwoord is dat er nooit een loslaten heeft plaatsgevonden. Niemand heeft de greep geopend. Ze bleef liggen op de plek — een verplaatsing zonder vrijgave — en een systeem dat niet loslaat, herhaalt zichzelf tot het wél wordt losgelaten.
Grijpen en erven
Wat dan nog openstaat, is de laatste zin van het vers: hij zal het eeuwige leven beërven. Het Griekse woord wordt bijna automatisch gelezen als “eindeloos in tijd.” Maar achter dat woord staat vermoedelijk het Hebreeuwse dat niet “zonder einde” betekent, maar “het verborgene”: de horizon die je niet kunt zien omdat je er middenin staat. Of het honderdvoud van Isaak en het beërven hetzelfde ontvangstmoment delen, of dat de tekst hier welbewust twee ontvangsten uit elkaar trekt — de vrucht die in déze akker valt, en het leven dat pas zichtbaar wordt vanuit een plek die je nooit hebt kunnen innemen zolang je vasthield — dat is een laag die nog niet is opgegraven. Die wortel ligt onder deze.
Het honderdvoud zal hij ontvángen en het Nemen, in de hand krijgen, grijpen. Een actieve, onmiddellijke ontvangst. Hetzelfde woord waarmee Isaak in Genesis 26:12 zijn honderdvoudige oogst binnenhaalt — het zaad wordt geoogst, in het hier en nu, in déze akker.
Het eeuwige leven zal hij beërven. Erven, in bezit komen van een erfenis, dat is géén grijpen. Erven veronderstelt een overledene, of een grens die je nog niet hebt overschreden — het is het woord dat in de Septuaginta steeds terugkeert wanneer Israël het land gaat “beërven” dat het niet zelf gemaakt heeft, waar het nog niet is, waar het naartoe onderweg is. Je erft nooit iets waar je al middenin staat. Je erft alleen wat nog voor je ligt, of wat een ander losliet voor jou.
Dus de tekst zelf splitst het honderdvoud grijpbaar, nu, in deze akker, van hetzelfde soort als wat Isaak ontving EN het eeuwige leven is als een erfenis, iets waar je nog middenin de weg naartoe staat, nooit iets wat je grijpt terwijl je er middenin zit.
En dat opent precies de vraag: wat betekent het eigenlijk. Het Grieks zelf zegt: “wat altijd is,” daarmee suggereert het de oneindige duur — en zo wordt het bijna overal vertaald, “eeuwig” als synoniem van “zonder einde.” Maar in de Septuaginta is vrijwel overal de vertaling van één Hebreeuws woord: olam. En olam betekent geen oneindige duur. De wortel is dezelfde als verborgen, aan het zicht onttrokken. Olam is niet “wat eindeloos doorgaat.” Olam is “wat verborgen is” — de horizon waarvan je de randen niet ziet, precies omdát je er middenin staat.
Het eerste bijbelse gebruik van “eeuwig leven” als vaste uitdrukking staat niet bij Mozes en niet bij de profeten van vóór de ballingschap. Het staat pas in Daniël 12:2, in de context van opstanding uit de dood: leven van olam. Niet toevallig juist daar. Chayei olam wordt in de latere joodse traditie bewust tegenover het leven van het ogenblik, het voorbijgaande uur. Niet lang tegenover kort. Maar zichtbaar tegenover verborgen.
Als dat klopt, dan is de vertaling “eeuwig leven” in Mattheüs 19:29 een vertaling die het verkeerde contrast oproept. Het gaat niet om leven-dat-nooit-stopt tegenover leven-dat-wel-stopt. Het gaat om leven-dat-zichtbaar-is-vanuit-de-akker tegenover leven-dat-verborgen-blijft-zolang-je-er-middenin-staat. Het honderdvoud is wat je kunt zien terwijl je er middenin zit — Isaak in zijn veld, tijdens de hongersnood, oogstend. Het olam-leven is per definitie niet dat soort ding. Het is niet dat je het later ook nog krijgt. Het is dat je het per definitie niet kunt zien vanuit de positie waarin je nu staat, en dat het beërven — niet grijpen — de enige juiste werkwoordsvorm ervoor is.
Wat betekent dat wie leeft binnen het werkelijk geopende, niet-vastgehouden bestaan en het olam al draagt zonder het te zien, zoals je het midden in een landschap draagt zonder de horizon te kunnen aanwijzen. Of dat er een harde grens ligt tussen wat in déze akker wordt geoogst en wat pas zichtbaar wordt wanneer je niet langer middenin staat. De tekst kiest dat niet voor je. Ze laat de twee naast elkaar staan, onopgelost.
Wat moeten we hier nu mee?
Wat deze opgraving, uitdieping oplevert is niet een stappenplan. Het is de vraag: waar hoor ik eigenlijk al iets, en houd ik misschien iets vast juist om die vraag niet te hoeven beantwoorden? Vasthouden aan het huis, de akker, de familieband, kan een op zichzelf staand probleem zijn. Het kan ook een vluchtheuvel zijn — iets om druk mee te blijven, zodat er geen ruimte overblijft om te merken of er ooit een δεῦτε ὀπίσω μου tot u gesproken is, en wat u daarmee zou doen als het wél zo was.
Dat is oncomfortabel, want het geeft geen instructie, het geeft een tegenvraag terug. Maar dat is precies wat er gebeurt als ik “wat moeten we ermee” naar de wortel breng in plaats van naar het fenomeen: de vraag verschuift van doen naar horen, en luisteren is niet iets wat je kunt afdwingen door er hard genoeg naar te zoeken.
Vinden en bewaren
Ergens is er een verbinding met Mattheüs 13:44: het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in de akker, die iemand vond en verborg, en van blijdschap gaat hij heen en verkoopt alles wat hij heeft en koopt die akker.
Akker. Hetzelfde woord dat in 19:29 in het rijtje staat drie hoofdstukken eerder, als de plek waar iets gevonden wordt. En verkoopt — hetzelfde werkwoord dat Jezus tegen de rijke jongeling zegt: verkoop. De twee woorden die de rijke jongeling te horen krijgt,heeft Mattheüs zijn lezer al eerder gegeven, in een heel andere zin.
Het verschil zit in wat eraan voorafgaat — die een mens vond. En dan: — vanuit zijn vreugde. Niet vanuit een opdracht. Het verkopen in 13:44 is geen bevel dat van buiten komt, het is het onvermijdelijke gevolg van iets dat al gevonden is. Niemand hoeft tegen deze man te zeggen “verkoop je akker” — hij doet het uit zichzelf, omdat wat hij al in handen heeft plotseling niets meer weegt naast wat hij vond.
En de rijke jongeling? Zijn eigen woorden, twee verzen eerder: dit alles heb ik onderhouden, bewaard (19:20), bewaken, in stand houden. Hij heeft niets gevonden. Hij heeft gehouden wat hem gegeven was, van jongs af aan, intact. Tegen hem klinkt verkopen daarom niet als het natuurlijke gevolg van een vondst, maar als een eis die van buiten komt binnenvallen op een leven dat nog nergens door doorbroken is. Er is geen schat opgedoken die zijn bezit in het niet doet verzinken. Er is alleen het bevel, kaal, zonder het vinden die het bij de andere man droeg.
Dat is het antwoord wat eigenlijk een paar hoofdstukken terug ligt: het verschil tussen de discipelen die de netten loslieten en de jongeling die bedroefd wegging, is niet een verschil in gehoorzaamheid of moed. Het is het verschil tussen tussen een leven dat bewaart wat het al had, en een leven waarin iets is binnengevallen dat het bewaarde in een ander licht zet.Loslaten, is nooit de eerste beweging. Het is wat er gebeurt bij wie al iets vond. Wie niets vond, kan alleen bewaren of, op bevel, verkopen — en dat laatste doet hij, zoals de tekst het zo precies laat zien, bedroefd, in plaats van met vreugde. Bewaren gaat eigenlijk over vasthouden van: Zo hoort het! Zo moet het!

Dat doet mij zoeken naar het antwoord op de vraag of het in deze tekst van Mattheüs 19:29 dus eigenlijk gaat om: als je het vindt (al dan niet toe-vallig of gezocht), ontdek je iets, maar dat is makkelijker los te laten omdat je opstaat voor een volgend vinden en alles wat je bewaard, is lastig los te laten?
Het manna
Die vraag bracht mij naar de tekst in Exodus 16, het manna. Elke ochtend wordt er verzameld, niet meer dan wat één dag nodig is. Mozes zegt het uitdrukkelijk: laat niemand ervan overhouden tot de morgen (16:19). Wie het toch bewaarde, ontdekte de volgende dag dat het wormen had gekregen en stonk (16:20). Niet omdat het manna van slechte kwaliteit was. Omdat het bewaard werd. Precies het woord dat gebruikt wordt bij de rijkde jongeling. Bewaren wordt hier letterlijk gestraft met bederf. Wat vandaag gevonden is (wat vandaag hoort en moet), is voor vandaag. Morgen is er weer een vondst, vers, van niets.
Vinden is per definitie iets wat zich niet laat opstapelen, het moet elke ochtend opnieuw. En omdat het zich niet laat opstapelen, is er ook niets om aan vast te klampen — je staat de volgende morgen toch weer met lege handen bij het niets waarmee de dag begon. Bewaren daarentegen creëert precies het soort bezit dat later moeilijk wordt om los te laten, want het is niet vers meer, het is verworven, het is van jou geworden op een manier waarop het manna van vandaag nooit van iemand wordt.
Maar de tekst zet er zelf één uitzondering tegenover, en die uitzondering is net zo veelzeggend als de regel. Op de avond voor de sabbat wordt een dubbele hoeveelheid verzameld, uitdrukkelijk om te bewaren tot de volgende dag — en die keer bederft het niet (16:23-24). Bewaren is op zichzélf niet het probleem. Het wordt bederf wanneer het voortkomt uit wantrouwen, uit de angst dat er morgen niets meer zal zijn — en het blijft goed wanneer het voortkomt uit een aangewezen rustdag, een dag waarop je niet hoeft te gaan zoeken omdat het zoeken zelf, voor één dag, stilgelegd is.
Dat verschuift het onderscheid een fractie, en ik denk dat die verschuiving het scherper maakt in plaats van dat hij het weerlegt: het gaat niet om bewaren tegenover vinden als twee onverenigbare categorieën. Het gaat om wát het bewaren drijft. Bewaren uit wantrouwen — uit angst dat er geen volgende vondst komt, dát verrot. Bewaren dat zelf weer een vorm van vertrouwen is, zoals op de sabbatavond, rot niet, juist omdat het geen vervanging is van het dagelijkse vinden maar de erkenning dat er een dag is waarop niet gezocht hoeft te worden. De rijke jongeling bewaarde vanaf zijn jeugd — ik heb het bewaard, zegt hij zelf — en niets in de tekst suggereert dat dat ooit uit rust voortkwam. Het klinkt eerder als een leven lang zorgen dat er niets ontbreekt, wat precies het soort bewaren is dat in de woestijn gaat stinken.
Wie er werkelijk verteert
Kun je dan zeggen dat het gaat om huizen, broers of zusters. vader of moeder, kinderen of akkers bewaard uit angst? Die worden uitgenodigd tot loslaten omdat ze daardoor eigenlijk hun leven niet leven, maar het verteert?
Voor een deel, ja — maar er zit een onderscheid die het scherper maakt.
Kijk naar Mattheüs 6:19-21, iets verderop in dezelfde Bergrede: vergaar geen schatten op aarde, waar mot en βρῶσις — letterlijk “opeten,” wegvreten — ze doen verdwijnen. Βρῶσις is verwant aan hetzelfde soort bederf als de wormen in het manna. En drie verzen verderop, in hetzelfde hoofdstuk: weest niet bezorgd, voor je leven, voor eten, voor de dag van morgen (6:25-34). Bezorgdheid, wordt hier met zoveel woorden aangewezen als de drijfveer achter het vergaren. Dat is precies het woord voor wat wij “angst” noemen.
Maar let op wát er in 6:19 wegrot: schatten, bezit. Niet mensen.
Wat wél overeind blijf: het is niet de ander die verteert wanneer jij uit angst vasthoudt. Het is degene die vasthoudt. De voortdurende bezorgdheid of er genoeg is, of het blijft, of het morgen nog zal kloppen — is de mot die wegvreet, niet aan het bezit of aan de relatie, maar aan de eigen aandacht, de eigen aanwezigheid. Wie zijn handen vol houdt uit angst, heeft ze niet meer vrij om het volgende te ontvangen dat zich aandient — vandaag geen manna, want de handen zitten nog vol met dat van gisteren. Dat is het leven dat niet geleefd wordt: niet omdat het bezit of de relatie zelf bederft, maar omdat er geen ruimte is voor wat elke ochtend opnieuw gegeven wil worden, opnieuw tevoorschijn komen!
Dus: huizen en akkers die kunnen letterlijk wegrotten als bezit dat uit angst wordt vastgehouden, de tekst zegt het zelf.
Broers, vader, moeder, kinderen — gaat over de greep waarmee je hen vasthoudt, niet omdat zíj zullen rotten, maar omdat de angst waarmee jij vasthoudt jouw eigen leven al aan het laten wegvreten is, terwijl zij, ontdaan van die greep, misschien voor het eerst zichtbaar worden als wie ze werkelijk zijn — niet als iets wat u moet bewaren om niet te verliezen.
Vader en moeder als spil
Nog één laatste stap verder. Dus als Vers 5: de man verlaat vader en moeder om zich te hechten aan zijn vrouw. Positioneel, gericht op het huwelijk.
Vers 29: vader en moeder staan in het midden van het rijtje, tussen broers/zussen en kinderen in, en het werkwoord is de angstige greep die loslaat. Twee verschillende werkwoorden, twee verschillende bewegingen, dat blijft overeind. Het is niet dezelfde handeling twee keer.
Maar dat er in béíde teksten uitgerekend vader en moeder de spil zijn — dat is geen toeval, en ik denk dat ik nu kan zeggen waarom.
Kijk naar wat er in het rijtje van 19:29 vóór en na vader en moeder staat: broers en zussen ervoor, kinderen erna. Broers en zussen zijn van dezelfde generatie — gegeven, niet gekozen, maar wel gelijkwaardig. Kinderen zijn van de volgende generatie — voor een deel wél voortgekomen uit een eigen keuze, die van het huwelijk zelf. Vader en moeder, in het midden, zijn de enige relatie in het hele rijtje die er al was vóór er een “ik” bestond dat kon kiezen, verlangen of instemmen. Je bent niet gehecht geraakt aan je vader en moeder. Je bent er middenin geboren, voordat er iemand was om te hechten.
Dat is precies de plek waar het vroeg-kinderlijk gemis zich vestigt: niet gekregen wat je op dat moment nodig had, of gekregen wat je op dat moment niet nodig had — en dat kán per definitie alleen bij vader en moeder gebeuren, nooit bij een broer, een kind, een akker, want alleen bij hen was er nog geen “jij” om iets van te willen of te weigeren. De greep die bij opengaat, is dus het oudst mogelijke soort greep — ouder dan het huwelijk zelf, wat 19:5 juist als voorwaarde stelt vóórdat een nieuwe volwassen band gesticht kan worden.
Dus de twee ordes komen niet toevallig allebei bij vader en moeder uit. De scheppingsorde moet die eerste, gegeven band structureel verlaten om plaats te maken voor een gekozen band — positie. De koninkrijksorde moet diezelfde band, ongeacht of je er fysiek nog middenin woont of al lang weg bent, ontdoen van de angst die zich er als eerste, vóór alle latere angst, in genesteld heeft — greep. Twee heel verschillende operaties, op precies dezelfde plek, omdat het de enige plek is waar zoiets als een greep kón ontstaan voordat er een “ik” was om hem vast te houden.

Tegen de rijke jongeling, twee hoofdstukken verderop, zegt Jezus nooit laat los. Tegen hem klinkt: ga, verkoop. Waarom de één geroepen wordt met een woord waarbij de handen vanzelf leeg raken, en de ander eerst voor de keus komt te staan of hij zélf wil verkopen, staat niet in de grammatica. Die wortel ligt onder deze, en ik heb hem vandaag niet blootgelegd.
Wat wel blootligt, is dit: niet het loslaten van de angst maakt je wie je bent. Het je laten roepen maakt dat de angst, die zolang de greep vasthield, het niet langer hoeft te doen. Vóór alles klinkt de roep zelf! Alles daarna — het loslaten van de netten, het volgen — is één gelijktijdige reactie op die roep, niet twee dingen waarvan het ene de voorwaarde is voor het andere.
De rijke jongeling laat zien dat de greep zich niet aan geld hoeft vast te klampen om diezelfde functie te vervullen. Dit alles heb ik bewaard — sloeg bij hem op bezit. Maar bewaken, in stand houden, is geen werkwoord dat zich tot geld beperkt. Een broer die je in leven houdt als excuus om zelf niet te hoeven bewegen. Ouders die je blijft bewaken uit plicht in plaats van uit toewending, omdat loslaten zou betekenen dat je alleen voor de roep komt te staan. Kinderen die je vasthoudt als de reden waarom je leeft vandaag is onmogelijk. Dezelfde volle handen die geen ruimte meer hebben voor het luisteren naar de roep. Niet omdat broers, ouders of kinderen an sich een last zijn — dat is een andere fout, de fout die dit hele onderzoek van meet af aan probeerde te vermijden — maar omdat elke relatie, net als elk bezit, uit angst kan worden vastgehouden in plaats van ontvangen. En wat uit angst wordt vastgehouden, maakt, ongeacht of het geld is of een moeder, dezelfde handen te vol om nog iets nieuws aan te nemen. Als je zo vasthoudt, dan ‘verteer’ jij Zélf. Kom jij niet tot je bestemming. Word jij niet wie je bedoeld bent te zijn!

