De greep die niet opengaat
Mattheüs 19:29: En al wie huizen of broers of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers zal verlaten hebben omwille van Mijn Naam, die zal honderdvoudig ontvangen en het eeuwige leven beërven.
Er is een woord verdwenen uit Mattheüs 19:29. In de oudste manuscripten van de tekst waarin Jezus zegt wie huizen, broers, ouders of kinderen achterlaat honderdvoud zal ontvangen, staat “vrouw” niet meer tussen “moeder” en “kinderen.” Latere kopiisten hebben het erbij gezet — waarschijnlijk omdat de parallelle tekst bij Lucas het wél noemt.
Het rijtje in vers 29 gebruikt een ander werkwoord dan het rijtje vier verzen eerder. In vers 5 verlaat een man zijn vader en moeder om zich aan zijn vrouw te hechten — dat is een plaatsverandering, je stond hier, nu sta je daar, eenmalig en voltrokken.
In vers 29 staat een heel ander woord: hetzelfde woord waarmee in het Onze Vader schulden worden kwijtgescholden, hetzelfde woord voor het jubeljaar uit Leviticus 25, het jaar waarin land teruggaat naar wie het toebehoorde. Geen plaatsverandering. Het openen van een greep.
Dat verandert wat er daarna gebeurt. Het honderdvoud is dan geen beloning die van buitenaf komt aanwaaien voor een offer. Het is de tegenbeweging die in het loslaten zélf al zit besloten — precies zoals een jubeljaar werkt: wat je vrijgeeft omdat het nooit van jou was om vast te houden, komt terug, en vaak niet bij jou.
Want wie het honderdvoud zoekt binnen zijn eigen levensduur, leest tegen het patroon van de tekst in. Isaäk oogst het honderdvoud, niet Abraham — een generatie verderop, in grond die Abraham nooit meer als “van hem” claimt. De vrucht van het loslaten landt zelden bij wie losliet.
Maar dan de vraag die overblijft: wat is het verschil tussen loslaten en achterlaten? Waarom verteert de een die vasthoudt, en niet de ander?
Het antwoord vond ik niet in Mattheüs, maar in de woestijn, bij het manna. Elke ochtend wordt er verzameld, nooit meer dan één dag nodig heeft. Wie het toch bewaart, vindt de volgende ochtend wormen en stank. Niet omdat het manna slecht was — omdat het werd vastgehouden. Vinden laat zich niet opstapelen; het moet elke ochtend opnieuw, en juist daarom is er niets om aan vast te klampen. Bewaren is iets anders: dat creëert bezit, en bezit is precies waar het later moeilijk wordt om los te laten. Bewaren zegt: Zo hoort het! Zo moet het!
Er is één uitzondering, en die is net zo veelzeggend als de regel zelf. Op de avond voor de sabbat wordt er wél dubbel verzameld om te bewaren — en dat bederft niet. Bewaren is dus niet op zichzelf het probleem! Het wordt bederf wanneer het voortkomt uit wantrouwen, uit de angst dat er morgen niets meer zal zijn. Uit angst dat het verkeerd kan gaan. Het blijft goed wanneer het voortkomt uit vertrouwen dat er een dag is waarop niet gezocht hoeft te worden.
Dat is de greep die de rijke jongeling niet kan openen, paar verzen terug ((19:20) in hetzelfde evangelie. Hij houdt niet vast uit hebzucht. Hij houdt vast omdat hij, in zijn eigen woorden, “alles bewaard” heeft van jongs af aan — bewaakt, in stand gehouden, precies het woord van het manna dat gaat stinken. Tegen hem klinkt “verkoop” daarom niet als het natuurlijke gevolg van iets dat hij vond, zoals bij de man die een schat in een akker vond en er van blijdschap alles voor verkocht. Er is bij hem geen vondst die zijn bezit in het niet doet verzinken. Er is alleen het bevel, kaal.
En dat is misschien waar het uiteindelijk om gaat, ook buiten de tekst om: het is niet de ander die verteert wanneer jij uit angst vasthoudt — een broer, een ouder, een kind, een huis. Het is degene die vasthoudt. De voortdurende bezorgdheid of er genoeg is, of het blijft, of het morgen nog klopt, vreet niet aan het bezit of aan de relatie. Ze vreet aan de eigen aandacht, de eigen aanwezigheid. Wie zijn handen vol houdt uit angst, heeft ze niet meer vrij voor wat zich morgen aandient.
Wat de greep dan wél opent, wat wel blootligt: niet het loslaten van de angst maakt je wie je bent. Het is de roep zelf die maakt dat de angst het niet langer hoeft vast te houden. Vóór alles klinkt de roep. Loslaten is niet de eerste beweging — het is wat er gebeurt bij wie al iets vond.
Wie de taalkundige en tekstkritische onderbouwing wil volgen — de Griekse werkwoorden, lech lecha, het Hebreeuwse olam achter “eeuwig leven” — vindt de volledige uitwerking in Wat je niet loslaat – verteert jou.

