Wat maakt een mens onrein?
“Niets van buiten kan een mens onrein maken door hetgeen hij tot zich neemt; maar wat uit de mens komt, dat maakt de mens onrein.” (Marcus 7:15)
Deze uitspraak van Jezus is een van de meest geciteerde verzen uit het Nieuwe Testament. Vaak wordt het theologisch geïnterpreteerd: als een vrijheidsoefening, als een kritiek op rituelen, of als een verklaring dat uiterlijke regels er niet toe doen. Maar wanneer we de tekst historisch en tekstueel in context plaatsen, verschijnt een veel genuanceerder beeld.
Het gaat hier niet om een algemene vrijbrief om rituelen te negeren, noch om een afwijzing van wet of sociale normen. Wie Marcus 7:15 zo leest, maakt van de tekst een slogan. Wat er daadwerkelijk gebeurt, is subtieler en tegelijk radicaler.
De uitspraak verlegt de aandacht van het zichtbare naar de oorsprong. Niet het ritueel op zichzelf, niet de externe handeling, maar het hart — in de bijbelse betekenis: het centrum van denken, willen en beslissen — is de bron van wat een mens moreel tekent.
Dat is geen relativering van regels, maar een verdieping ervan.
Regels structureren gedrag. Rituelen ordenen gemeenschap. Normen beschermen samenleven.
Maar ze garanderen geen integriteit.
Je kunt je correct gedragen en innerlijk gedreven worden door angst, superioriteit of controle. Je kunt een regel volgen en tegelijk relationele schade veroorzaken. De tekst laat zien dat uiterlijk conform gedrag en innerlijke motivatie twee verschillende lagen zijn. En dat morele kwaliteit uiteindelijk wordt bepaald door de tweede laag.
Daarmee raakt Marcus 7 aan iets wat in moderne psychologie en coaching centraal staat: gedrag is zichtbaar, maar motivatie is bepalend. Wat iemand doet, is het topje van de ijsberg. Wat iemand beweegt, ligt daaronder.
Precies daar ontstaat de noodzaak van reflectie.
Als de bron van handelen in het innerlijk ligt, dan vraagt volwassenheid om zelfonderzoek.
Wat maakte dat ik dit zei?
Wat probeerde ik te beschermen?
Welke angst, behoefte of overtuiging stuurde mijn reactie?
Dat zijn geen theologische vragen, maar existentiële.
Coaching en reflectie zijn in dat licht geen luxe of modieuze toevoegingen aan het moderne leven. Ze zijn een praktische uitwerking van dit inzicht: als gedrag voortkomt uit innerlijke dynamiek, dan is bewustwording van die dynamiek essentieel. Zonder reflectie blijven we ons richten op het corrigeren van gedrag aan de buitenkant. Met reflectie verschuift de aandacht naar intentie, patroon en overtuiging.
Marcus 7:15 legitimeert dus geen wetteloosheid. Het legitimeert innerlijk onderzoek. Het zegt in feite: wil je weten wat een mens werkelijk typeert, kijk dan niet alleen naar zijn naleving van regels, maar onderzoek wat er in hem omgaat.
En precies daar — in die beweging van buiten naar binnen — ligt de ruimte voor groei, verantwoordelijkheid en volwassen interactie.
Het doel van dit artikel is dan ook om Marcus 7:15 te onderzoeken vanuit zijn oorspronkelijke context: wat zegt de tekst werkelijk, wat staat er expliciet, wat juist niet, en waarom dit een waardevolle lens biedt voor een moderne lezer die geïnteresseerd is in ethiek, verantwoordelijkheid en gedrag.
Historische en culturele context
Om Marcus 7:15 te begrijpen, moeten we eerst terug naar de wereld waarin deze woorden werden uitgesproken. Dat is geen abstract religieus landschap, maar een concrete samenleving waarin rituelen, wetten en dagelijkse praktijken diep verweven waren met identiteit, eer en gemeenschap.
Joodse reinheidswetten
In de tijd van Jezus waren rituele reinheid en voedselwetten geen randverschijnselen. Ze vormden het ritme van het dagelijks leven. De Thora het Oude Testament, m.n. de eerste vijf boeken van Mozes) bevat uitgebreide voorschriften over wat rein en onrein is: welke dieren gegeten mogen worden, hoe men zich reinigt na contact met ziekte, bloed of dood, en hoe men zich voorbereidt op tempelbezoek.
Reinheid ging in de eerste plaats niet over hygiëne, maar over symbolische orde. Het was een manier om onderscheid te maken tussen heilig en alledaags, tussen Israël en de omringende volken, tussen wat bij God hoort en wat daarbuiten valt.
Handen wassen vóór het eten – waar Marcus 7 expliciet naar verwijst – was in oorsprong een priesterlijk gebruik. In de loop van de tijd werd dit uitgebreid naar bredere lagen van de bevolking. Wat ooit verbonden was aan de tempel, werd een dagelijks ritueel. Het huis werd als het ware een kleine tempel.
Dat maakt duidelijk: deze praktijken waren niet triviaal. Ze droegen theologische, culturele en sociale betekenis. Ze waren een manier om als volk zichtbaar anders te leven.
Scribal en Farizeese traditie
Binnen dit systeem speelden schriftgeleerden en Farizeeën een belangrijke rol. Zij waren geen karikaturale wetsfetisjisten, maar serieuze denkers die probeerden de Thora toepasbaar te maken in het dagelijks leven, juist in een tijd zonder nationale politieke autonomie.
Hun nadruk op interpretatie en praktische toepassing – de zogenoemde “overlevering van de ouden” – was een manier om trouw te blijven aan de wet in een veranderende wereld.
Tegelijkertijd schuilt hier een spanning. Wanneer naleving van concrete regels centraal komt te staan, kan de aandacht verschuiven van de bedoeling achter de wet naar de precisie van de uitvoering. Uiterlijke conformiteit kan dan belangrijker worden dan innerlijke houding.
Dat is precies de context waarin Marcus 7 zich afspeelt: Jezus wordt bekritiseerd omdat zijn leerlingen eten met ongewassen handen, dus zonder de rituele handeling die als passend werd gezien. Het conflict gaat niet over hygiëne, maar over de vraag waar ware reinheid begint.
Sociale dynamiek: zuiver en onzuiver
Rituele reinheid was bovendien niet alleen een religieus begrip, maar ook een sociaal mechanisme. Reinheid en onreinheid functioneerden als markers van groepsidentiteit.
Wie zich hield aan de voorschriften, bevestigde zijn plaats binnen de gemeenschap. Wie dat niet deed, kon worden gezien als onzorgvuldig, ontrouw of zelfs gevaarlijk voor de heilige orde. Onreinheid kon sociale afstand creëren.
Hier raakt reinheid aan macht en hiërarchie. Wie bepaalt wat rein is? Wie mag definiëren wat correct gedrag is? En wie valt buiten de norm?
Marcus 7:15 moet tegen deze achtergrond worden gelezen. Het is geen losse spirituele uitspraak, maar een interventie in een systeem waarin uiterlijke praktijken zichtbaar maakten wie erbij hoorde en wie niet.
Wanneer Jezus zegt dat niets van buiten de mens hem onrein maakt, verschuift hij de locus van morele beoordeling. Niet het object – het voedsel, de handeling – staat centraal, maar de bron van het handelen zelf.
Dat is een subtiele, maar radicale verplaatsing: van ritueel naar intentie, van uiterlijk conformeren naar innerlijke gesteldheid, van groepsmarker naar persoonlijke verantwoordelijkheid.
De directe context van Marcus 7
Marcus 7 begint niet met een algemene uitspraak over voedsel of religie, maar met een concrete confrontatie. Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem zien dat sommige leerlingen van Jezus eten met “onreine”, dat wil zeggen: ongewassen handen. Het gaat hier expliciet om het niet naleven van de overgeleverde rituele praktijk.
Marcus neemt de moeite om zijn niet-Joodse lezers uit te leggen dat Joden – en met name Farizeeën – zich houden aan een traditie van rituele wassingen vóór het eten, evenals aan reinigingsrituelen voor bekers, kruiken en andere voorwerpen. Het conflict is dus helder: het gaat om de interpretatie en toepassing van religieuze traditie in het dagelijks leven.
Jezus’ reactie is opvallend. Hij verdedigt zijn leerlingen niet door het ritueel belachelijk te maken of door te ontkennen dat het waarde heeft. In plaats daarvan verlegt hij het gesprek. Hij citeert Jesaja: “Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij.” Daarmee verschuift de focus van uiterlijke handeling naar innerlijke gesteldheid.
Vervolgens komt de uitspraak uit vers 15: niets wat van buitenaf de mens binnengaat, maakt hem onrein; wat uit de mens voortkomt, dát maakt hem onrein.
Het is belangrijk om hier precies te lezen wat er staat — en wat niet.
De tekst zegt niet dat rituelen zinloos zijn.
De tekst zegt niet dat voedselwetten onbelangrijk zijn.
De tekst zegt ook niet dat sociale of religieuze afspraken er niet toe doen.
Wat Jezus doet, is een hiërarchie aanbrengen. Hij maakt een fundamenteel onderscheid tussen ritueel gedrag en morele oorsprong. Het probleem zit niet in wat iemand eet of welke handeling hij nalaat, maar in wat er uit hem voortkomt: kwaadwilligheid, bedrog, hoogmoed, hebzucht, laster.
In de verzen 21-23 specificeert Marcus wat hij bedoelt met “wat uit de mens komt”: slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, slechtheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed en dwaasheid. Dat is een morele lijst, geen rituele.
De beweging die hier plaatsvindt is dus geen afschaffing van traditie, maar een verschuiving van focus. Reinheid wordt niet primair bepaald door externe naleving, maar door innerlijke intentie en gedrag.
Dat is wezenlijk. Want daarmee wordt morele verantwoordelijkheid verplaatst naar het innerlijk van de mens. Niet het object verontreinigt, niet het systeem op zichzelf, maar de bron van handelen: het hart — in bijbelse zin het centrum van denken, willen en beslissen.
Marcus 7:15 is daarom geen losse uitspraak over eten. Het is een interventie in een debat over waar moraal werkelijk begint. En dat debat is nog altijd actueel.
Tekstuele analyse: wat staat er wel en niet
Wanneer we Marcus 7:15 in de grondtekst bekijken, wordt de precisie van de uitspraak duidelijker. De Griekse tekst luidt: Niets van buitenaf kan een mens binnendringen, maar het zijn de dingen die uit een mens voortkomen, die hem tot een mens maken.
Een paar woorden zijn hier cruciaal.
1. Het woord koinoō
Marcus gebruikt niet het gebruikelijke woord voor “onrein” in de zin van cultisch onzuiver (akathartos), maar het werkwoord koinoō, dat letterlijk betekent: “gemeen maken”, “profaneren”, “als gewoon beschouwen”.
Dat is subtiel maar belangrijk. Het gaat hier niet om lichamelijke besmetting, maar om het verliezen van heilige status, het ontheiligen van wat apart gezet is.
Met andere woorden: de discussie gaat niet over hygiëne of medische reinheid, maar over religieuze en symbolische status.
2. De richting van binnen en buiten
De structuur van de zin draait om twee bewegingen:
– Wat van buiten naar binnen gaat (eisporeuomenon)
– Wat van binnen naar buiten komt (ekporeuomena)
Marcus zet die bewegingen tegenover elkaar. Wat van buiten komt — voedsel — heeft geen morele kracht om de mens te “profaneren”. Wat van binnenuit naar buiten komt — woorden, intenties, daden — heeft dat wel.
De focus verschuift dus van object naar oorsprong. Niet het gegeten voedsel is het probleem, maar het hart als bron van handelen.
3. De expliciete lijst (vers 21–23)
Marcus laat Jezus daarna concreet worden. Uit het hart komen:
– slechte overleggingen (dialogismoi kakoi)
– ontucht
– diefstal
– moord
– overspel
– hebzucht
– slechtheid
– bedrog
– losbandigheid
– afgunst
– laster
– hoogmoed
– dwaasheid
Dit is een moreel-ethische lijst. Het gaat om relationele schade, om gedrag dat de gemeenschap ontwricht.
Wat opvalt: voedsel wordt hier niet genoemd. Rituele handelingen worden niet genoemd. Het gaat om intentie en gedrag die voortkomen uit het innerlijk.
Wat staat er wél?
– Een duidelijke verplaatsing van morele verantwoordelijkheid naar het innerlijk van de mens.
– Een kritiek op een mechanische interpretatie van reinheid die zich beperkt tot externe handelingen.
– Een ethische herdefiniëring van wat werkelijk ontwrichtend of “onrein” is: gedrag dat relaties schaadt en het sociale weefsel aantast.
Wat staat er níet?
– Er staat niet dat de wet ongeldig is.
– Er staat niet dat rituelen waardeloos zijn.
– Er staat niet dat morele grenzen verdwijnen.
– Er staat niet dat alles relatief is.
Marcus 7:15 is geen pleidooi voor morele vrijblijvendheid. Integendeel: de lat wordt juist hoger gelegd. Niet uiterlijke conformiteit telt, maar innerlijke integriteit.
De tekst relativeert rituele zuiverheid niet om alles toe te staan, maar om duidelijk te maken dat echte morele problematiek niet in voedsel of handen zit, maar in hebzucht, geweld, bedrog en hoogmoed.
De bredere context
Belangrijk is ook vers 19, waar Marcus in een redactionele toevoeging schrijft: “Zo verklaarde Hij alle spijzen rein.” Dat is waarschijnlijk een interpretatieve uitleg van de evangelist voor zijn niet-Joodse lezers. Het staat niet in de directe uitspraak van Jezus zelf, maar is een narratieve toelichting.
Dat maakt duidelijk dat we hier te maken hebben met een tekst die al in beweging is — een uitspraak van Jezus die binnen de vroege gemeenschap verder wordt geduid.
Conclusie van de tekstuele analyse
Wat Marcus 7 daadwerkelijk doet, is het centrum van morele beoordeling verplaatsen. Het gaat van de tempel, naar het huis, naar het innerlijk van de mens. Dus: niet het externe systeem, niet het object, maar het innerlijk van de mens is doorslaggevend.
Dat is geen afschaffing van regels, maar een radicale verdieping van verantwoordelijkheid.
En precies daar raakt deze oude tekst aan een moderne vraag:
waar begint moraal werkelijk — bij naleving van regels, of bij de intentie en dynamiek van het hart?
Moderne reflectie zonder theologiseren
Wanneer we Marcus 7:15 losmaken uit dogmatische discussies en lezen als een observatie over menselijk gedrag, verschijnt er iets verrassend eigentijds.
De uitspraak kan worden begrepen als een systemische verschuiving: gedrag is niet primair een kwestie van externe prikkels of rituele kaders, maar van innerlijke verwerking en intentie. Wat van buiten komt — voedsel, regels, culturele praktijken — heeft op zichzelf geen morele lading. Morele betekenis ontstaat pas wanneer de mens er innerlijk iets mee doet en van daaruit handelt.
Dat is een gedachte die sterk resoneert met moderne inzichten uit de sociale wetenschappen.
Gedrag binnen systemen
In systeemtheorie geldt een basisprincipe: gedrag is coherent binnen het systeem waarin het ontstaat. Mensen handelen nooit in een vacuüm. Ze bewegen zich binnen culturele normen, religieuze structuren, opvoedingspatronen en sociale verwachtingen.
Rituelen — zoals handen wassen — functioneren binnen zo’n systeem als stabiliserende elementen. Ze creëren orde, identiteit en voorspelbaarheid. Vanuit systemisch perspectief zijn ze niet willekeurig; ze dienen een functie.
Marcus 7 ontkent dat ook niet. Het plaatst alleen een ander zwaartepunt: het systeem beïnvloedt gedrag, maar het is niet de ultieme bron van morele kwaliteit. Het is mogelijk perfect binnen de regels te opereren en toch destructief te handelen.
Dat inzicht is modern. Organisatiepsychologie laat bijvoorbeeld zien dat iemand zich volledig kan conformeren aan procedures en toch relationele schade veroorzaken door manipulatie, rivaliteit of machtsmisbruik. Uiterlijke naleving garandeert geen innerlijke integriteit.
Neurobiologische resonantie
Ook vanuit neurobiologisch perspectief is de tekst interessant. Het brein reageert voortdurend op externe prikkels, maar betekenis en morele beoordeling ontstaan in de interne verwerking — in motivatie, intentie en interpretatie.
Een prikkel (bijvoorbeeld voedsel, kritiek, sociale druk) is op zichzelf neutraal. Wat het moreel geladen maakt, is de innerlijke reactie: de gedachte, de impuls, de keuze.
Marcus 7 verwoordt dit in pre-wetenschappelijke taal: niet wat van buiten binnenkomt bepaalt de morele staat van de mens, maar wat van binnenuit naar buiten stroomt.
Verantwoordelijkheid verschuift naar binnen
In moderne ethiek wordt verantwoordelijkheid vaak gekoppeld aan intentie. Een handeling wordt niet alleen beoordeeld op uiterlijk gedrag, maar op motivatie, bewustzijn en keuze.
Marcus 7 doet iets vergelijkbaars: het verplaatst morele evaluatie van externe conformiteit naar interne oorsprong. Dat betekent niet dat systemen onbelangrijk zijn. Cultuur, opvoeding en rituelen vormen mensen. Maar uiteindelijk ligt de ethische kern in wat iemand vanuit zichzelf voortbrengt.
Dat maakt de uitspraak ook vandaag relevant.
In een tijd waarin veel discussie draait om regels, protocollen en correct gedrag, herinnert deze tekst aan een fundamentele vraag: Is naleving voldoende?
Of begint moraal pas waar intentie, bewustzijn en innerlijke integriteit samenkomen?
Zonder te theologiseren, kan Marcus 7:15 gelezen worden als een vroege reflectie op een blijvend menselijk vraagstuk: de spanning tussen systeem en individu, tussen ritueel en intentie, tussen uiterlijke correctheid en innerlijke verantwoordelijkheid.
En precies in die spanning blijkt de tekst verrassend actueel.
Conclusie
Marcus 7:15 blijkt, in zijn context gelezen, minder een afschaffing van regels dan een herijking van waar moraal begint. De uitspraak maakt een scherp onderscheid tussen uiterlijk gedrag en innerlijke intentie, zonder te beweren dat regels, rituelen of tradities daarmee irrelevant worden. Ze verschuift het zwaartepunt.
Niet het externe object — voedsel, handeling, gebruik — draagt de morele lading. Die ontstaat in de mens zelf, in wat hij voortbrengt: zijn intenties, zijn woorden, zijn daden. Daarmee wordt verantwoordelijkheid niet afgeschaft, maar verdiept. Uiterlijke naleving is niet voldoende; innerlijke integriteit wordt doorslaggevend.
In die zin biedt Marcus 7:15 een verrassend bruikbaar raamwerk voor het begrijpen van menselijk gedrag binnen systemen. Rituelen en regels hebben een sociale en culturele functie. Ze ordenen gemeenschappen, geven identiteit en structuur. Maar ze zijn niet de uiteindelijke maatstaf voor morele kwaliteit.
Dat inzicht resoneert zowel in religieuze contexten als in wetenschap en ethiek. In organisaties zien we dat correcte naleving van procedures niet automatisch betekent dat iemand rechtvaardig of integer handelt. In ethische discussies weegt intentie zwaar mee. In psychologische modellen wordt gedrag begrepen vanuit innerlijke dynamiek, niet alleen vanuit externe prikkels.
Voor de moderne lezer ligt hier een stille maar scherpe uitnodiging: kijk voorbij het zichtbare. Vraag niet alleen of iemand de regels volgt, maar wat hem beweegt. Onderzoek niet alleen wat er gedaan wordt, maar waar het vandaan komt.
Marcus 7:15 is daarmee geen polemiek tegen traditie, maar een uitnodiging tot dieper onderscheidingsvermogen. Moraal begint niet bij correcte uitvoering, maar bij de bron van het handelen. En precies daar — in die bron — wordt zichtbaar wie wij werkelijk zijn.
