Wat vijfentwintig jaar zichtbaar maakt
Monoloog Groot Nieuws Radio op dinsdag 28 juli 2026
Er is een moment in de zomer waarop het stil wordt tussen twee mensen.
Twee weken in een huisje of een caravan. De kinderen zijn groot, de agenda is leeg, en dit is de tijd waar je jaren naar hebt verlangd. Op de derde dag merk je dat je elkaar niets te zeggen hebt.
Scheidingsadvocaten kennen die stilte. September is elk jaar hun drukste maand, direct na de zomervakantie. Een vakantie maakt niets kapot. Een vakantie versterkt alleen wat er al was. Niet omdat scheiden de weg van de minste weerstand is. Maar omdat er geen onderhoud is gepleegd en de accu van de liefdesrelatie defect is.
Bij stellen die vijfentwintig jaar samen zijn zie ik het het scherpst. Ze zijn niet ongelukkig. Ze zijn ook niet gelukkig. De onvrede is met de mantel der liefde bedekt. Ze leven naast elkaar, en het gaat goed genoeg. En dan komt de vraag naar boven waar niemand hardop antwoord op wil: Ik ben leeg gegeven! Ik ben leeg gehoopt! Is er nog liefde na alle achterstallig onderhoud?
Twee mensen verschillen van elkaar, en juist daarom kunnen ze elkaar iets geven wat ze zichzelf niet kunnen geven: ze kunnen elkaar tevoorschijn roepen. Je wordt niet jezelf in je eentje. Er is iemand nodig die iets in je aanspreekt wat jij alleen niet bereikt — en daarom moeten twee mensen elkaar blijven zoeken, juist omdat ze zo verschillen.
Maar roepen kan alleen wie laat zien dat hij de ander nodig heeft. En dat is wat er in vijfentwintig jaar ontwikkeld moet worden. Maar meestal worden we bekwaam in onze patronen van zelfbescherming. De verschillen die het vuur onderhielden heb je gladgestreken om de vrede te bewaren. De roep is er nog. Hij heeft alleen geen stem meer.
Dat is de stilte.
Wat er al die jaren wél gevoed is, is de dagelijkse laag. De logistiek. Wie brengt, wie haalt, wat eten we. Daar is een gezin op gebouwd, en het houdt een leven draaiende. Maar niemand heeft ooit verteld dat een relatie meer lagen heeft dan die ene. Zo dooft een vuur dat niet gevoed wordt. Niet met een klap. Geruisloos.
En dan ben je vijftig. Er verandert dan iets in een mens — je wordt slechter in je aanpassen aan wat niet klopt. Het vermogen om te schikken, om het te doen met minder, om jezelf toe te spreken dat het goed genoeg is: dat vermogen slijt. Wat je jarenlang bij elkaar hield, valt uit elkaar. Het voelt als achteruitgang, en het is het tegenovergestelde — want zolang je je kunt blijven aanpassen aan wat niet klopt, groei je niet. Je houdt vol.
Er moet eerst iets afbrokkelen voordat een mens boven zijn eigen aanpassing uit kan komen. Het is een systeem dat om herijking vraagt. En als die herijking niet bewust gebeurt, dwingt het leven haar af. Door een verliefdheid. Door een burn-out. Door de ontdekking dat je naast een vreemde ligt.
Verlies versnelt dat, en twee mensen gaan er zo verschillend mee om, dat het verlies zelf hen uit elkaar drijft: een baan, een kind, een droom. Van al die verliezen is verlies van gezondheid de sluipendste, omdat er niemand iets te verwijten valt.
Mijn eigen huwelijk is gestrand op vijfentwintig jaar. Veertien van die jaren was ik ziek. Chronisch, jarenlang op bed met ontstoken gewrichten. Er is in die tijd voor mij gezorgd door anderen. Maar verzorgd worden en tevoorschijn geroepen worden zijn twee verschillende dingen, en het eerste kan het tweede jarenlang vervangen zonder dat iemand het merkt. Want zorg vraagt niets van wie haar ontvangt. Zorg maakt een relatie ongelijkwaardig. Het roepen valt dan weg. We riepen het verkeerde in elkaar naar boven.
Ik heb lang gedacht dat de ziekte ons uit elkaar heeft gehaald. De ziekte heeft het roepen onmogelijk gemaakt, dat is waar. Maar dat wij niet eens wisten dát dat het was wat wegviel — daar zit de wortel. En die heb ik aan den lijve ervaren.
Toen het met veel verdriet en machteloosheid voorbij was, heb ik mezelf iets beloofd. Nooit meer trouwen. Ik had daar goede redenen voor en ik kon ze allemaal opnoemen. Wat ik niet zag, is dat zo’n belofte precies de vorm is waarin een wond zichzelf in stand houdt. Bescherming die zo goed beredeneerd is dat je haar niet meer herkent als bescherming.
Acht jaar geleden kwam er iemand. Een weduwnaar. Hij heeft me gevraagd, en ik heb geworsteld zoals ik zelden ergens mee geworsteld heb. Op 4 mei zijn we getrouwd.
We brengen allebei een heel huwelijk mee, hij en ik. Zijn vrouw houdt haar plek. Mijn eerste man houdt de zijne. Hij is de vader van mijn kind.
Een tweede huwelijk dat doet alsof het een eerste is, gaat stuk op wat het heeft weggelaten. En dat weglaten kost meer dan het lijkt.
De man met wie ik nu getrouwd ben, heeft van haar gehouden — en dat vermogen is bij háár gegroeid. Wie de vorige wegsnijdt om zelf plek te maken, snijdt weg waar de liefde vandaan komt die hij je geeft.
In de oude tradities is een huwelijk nooit een toestand. Altijd een weg van vallen en opstaan, van zoeken en vinden.
Twee mensen die ophouden naar elkaar toe te bewegen, bewegen van elkaar af — daar is geen ruzie voor nodig.
Dus voor wie deze zomer in die stilte zit. Er is een weg die smaller is dan weggaan, en die meer vraagt. Bij mij begon hij niet bij mijn huwelijk. Een huisarts meldde mij aan bij een groep voor chronische pijn. Dat waren de eerste stapjes.
Hij begint bij het laten merken dat je de ander nodig hebt, op het moment dat je dat het minst wilt toegeven.
Ik weet niet of je hem gaat. Ik weet niet waar je staat in jouw relatie.
Ik weet wel dat die weg bestaat, en dat bijna niemand hem ooit heeft aangereikt gekregen.
Wil je nog meer over het 25-jarig huwelijksjubileum lezen. Typ het woord HUWELIJK op Instagram of Facebook naar Coach Dineke, dan stuur ik je deze week het hele verhaal en de artikelenserie die erbij hoort.
