Werken als liefde
Het etentje dat niet doorging
Hans en Ellen zouden hun vijfentwintigjarig huwelijk vieren met een etentje in het restaurant waar hij haar ooit ten huwelijk vroeg. Om vijf uur belde hij. In de fabriek was de grote pers uitgevallen, er moest een order de deur uit voor een klant die al twee keer had geklaagd, en de monteur kon pas om acht uur. Hij zou proberen het om half tien te halen. Om half elf kwam hij thuis. Ellen zat in de kamer met het licht uit.
‘Ik doe dit toch voor ons,’ zei hij. Ellen antwoordde dat ze hem nooit had gevraagd dit voor hen te doen. Het gesprek dat volgde, hadden ze in vijfentwintig jaar al honderd keer gevoerd. Hij voelde zich een man die zich kapot werkt voor een gezin dat dat niet ziet. Zij voelde zich een vrouw die altijd op de tweede plaats komt, na een machine.
In familiebedrijven is dit misschien het meest gevoerde gesprek tussen echtgenoten, en ook het gesprek dat het slechtst afloopt. Dat komt omdat het over iets anders gaat dan het lijkt. Op het eerste gezicht gaat het over uren, over de vraag hoeveel werken redelijk is. Daaronder gaat het over liefde, en over twee mensen die liefde in een andere taal uitdrukken en ontvangen. Voor hem zijn de lange dagen het bewijs van zijn liefde. Voor haar zijn ze het bewijs dat die liefde ergens anders heen gaat.
Een mannelijkheid die verdiend moet worden
De Amerikaanse psychologen Joseph Vandello en Jennifer Bosson onderzochten hoe mensen over mannelijkheid en vrouwelijkheid denken, en vonden een opvallende asymmetrie. Vrouwelijkheid wordt in veel culturen gezien als iets wat je bent, iets wat met het volwassen worden komt. Mannelijkheid wordt gezien als iets wat je moet verdienen en wat je ook weer kunt verliezen. Een man moet blijven laten zien dat hij een man is. Ze noemden het een wankele mannelijkheid. In hun experimenten reageerden mannen bij wie die status werd bedreigd met meer angst en meer neiging tot daadkracht dan vrouwen in dezelfde situatie.
In de meeste culturen is werken en zorgen voor het gezin de plek waar mannelijkheid wordt verdiend. Een man die zijn gezin onderhoudt, is iemand. Een man die dat niet kan, voelt zich minder. Dat zit dieper dan een opvatting. Het is een van de oudste lagen van mannelijke identiteit: beschermen en voorzien. Wie Hans vraagt waarom hij die avond bleef, krijgt een verhaal dat ver voorbij de order reikt: over wat er gebeurt als die klant wegloopt, over de veertig gezinnen die van zijn fabriek afhankelijk zijn, en over zijn eigen gezin. Voor hem was het blijven een keuze voor Ellen.
In een familiebedrijf komt daar nog een laag bij. Hans is de zoon van een man die de fabriek oprichtte en die hij als kind vooral zag in een overall, ’s avonds laat, met zwarte handen. Zijn vader zei nooit dat hij van hem hield. Hij liet het zien door te werken, en Hans begreep dat. Werken was de taal waarin liefde in zijn familie werd uitgesproken. Wie hard werkte, hield van zijn gezin. Wie het rustig aan deed, liet het gezin in de steek. Hans spreekt die taal vloeiend. Hij heeft nooit geleerd dat er nog een andere is.
Die taal heeft ook een eigen grammatica van waardering. Wie liefde uitdrukt in doen, verwacht erkenning voor wat hij doet. Een man voelt zich bemind als hij merkt dat zijn inzet wordt gezien en gewaardeerd, dat hij er voor iemand toe doet. Wanneer Ellen zegt dat ze hem niet heeft gevraagd dit voor haar te doen, hoort Hans dat zijn hele leven als liefdesverklaring wordt teruggestuurd.
Waar hij goed is en waar hij tekortschiet
Er is nog een reden waarom Hans die avond in de fabriek bleef, en die vertelt hij niet, ook niet aan zichzelf. In de fabriek weet hij wat hij moet doen. Een pers die stilstaat, heeft een oorzaak, een monteur en een oplossing. Om half tien draait de machine weer en heeft hij iets bereikt. Zijn brein beloont dat: een probleem dat wordt opgelost, geeft een kleine golf van voldoening, en hoe vaker dat gebeurt, hoe aantrekkelijker de plek wordt waar het gebeurt.
Thuis is het anders. Als Ellen verdrietig is, probeert Hans het op te lossen. Hij stelt een weekendje weg voor, belooft dat het na de zomer rustiger wordt, legt uit waarom deze order zo belangrijk was. Ellen wil geen oplossing. Ze wil dat hij bij haar gaat zitten en hoort wat ze voelt. Dat kan Hans niet, of hij weet niet hoe, en elke keer dat zijn oplossing wordt afgewezen, voelt hij iets wat hij in de fabriek nooit voelt: dat hij tekortschiet.
Dat gevoel heet schaamte, en schaamte heeft een eigen lichaamstaal. Wie zich schaamt, wil verdwijnen. De blik gaat omlaag, de schouders zakken, het gesprek wordt ontweken. De Amerikaanse relatieonderzoeker John Gottman zag in duizenden gesprekken tussen echtgenoten dat mannen bij een conflict sneller lichamelijk overspoeld raken dan vrouwen: de hartslag gaat omhoog, het lichaam schiet in de alarmstand, en het duurt langer voor ze weer tot rust komen. Om dat te vermijden, trekken ze zich terug. Ze worden stil, gaan weg of richten zich op iets anders.
Voor een man met een eigen bedrijf is dat iets anders altijd binnen handbereik. Er is altijd een mail, een klant, een machine. Zo kiest Hans, avond na avond, zonder dat het ooit een besluit is, voor de plek waar hij goed is en tegen de plek waar hij tekortschiet. Het werk is dan een liefdesverklaring en tegelijk een schuilplaats. Hij ziet alleen het eerste. Ellen ziet vooral het tweede.
Gekozen worden
Ellen twijfelt er niet aan dat Hans hard werkt, en ook niet dat hij het voor het gezin doet. Wat ze mist, laat zich moeilijk in uren uitdrukken. Ze wil merken dat ze voor hem de eerste is. Dat hij, als hij moet kiezen, haar kiest.
Gottman beschreef hoe dat in een relatie in het klein gebeurt. Partners doen de hele dag door kleine uitnodigingen tot contact: een opmerking over iets in de krant, een zucht, een hand op een schouder, een vraag hoe de dag was. De ander kan zich naar die uitnodiging toe draaien of zich ervan afkeren. In relaties die standhielden, draaiden partners zich veel vaker naar elkaar toe dan in relaties die op een scheiding uitliepen. Grote gebaren doen er weinig toe. Het zijn de honderd kleine momenten per week waarop de ander merkt of hij gezien wordt.
Voor een ondernemer met zijn hoofd bij de zaak gaan juist die kleine momenten verloren. Hans hoort Ellens vraag over de buurvrouw, maar zijn telefoon trilt en hij kijkt. Hij zit aan tafel, maar denkt aan de pers. Hij is aanwezig met zijn lichaam en afwezig met zijn aandacht. Wat Ellen ervaart, is een gebrek aan wending: hij keert zich niet naar haar toe.
Voor veel vrouwen raakt dat aan iets wat ouder is dan het huwelijk. Ellen groeide zelf op als dochter van een aannemer. Haar vader was er altijd voor zijn klanten, en zij leerde vroeg dat ze het meisje was dat op hem wachtte. Toen ze Hans leerde kennen, herkende ze in hem een man die er zou staan, betrouwbaar en sterk, net als haar vader. Zonder het te weten koos ze ook een man die haar opnieuw zou laten wachten. Haar verdriet op de avond van het etentje is ook het verdriet van dat meisje.
Er is nog iets wat haar positie zo lastig maakt. Ze kan niet jaloers zijn op de zaak. De zaak betaalt het huis, de studie van de kinderen en haar eigen auto. Wie klaagt over een rivaal die haar onderhoudt, klinkt ondankbaar. Dus wordt haar boosheid stil. Ze verandert in bitterheid, in een terugtrekken uit het gesprek, soms in een lichaam dat klachten krijgt. En Hans ziet een vrouw die steeds minder warm is, en werkt nog harder om haar te laten zien hoeveel hij om haar geeft.
Missie of vlucht
De gangbare uitkomst van dit gesprek is een compromis: hij werkt minder, zij klaagt minder, en er komt een vaste avond in de week. Dat lost zelden iets op, en dat heeft een reden die tegen de stroom in gaat.
In het denken van David Deida over mannelijke en vrouwelijke polariteit staat iets wat veel stellen niet willen horen. Voor de mannelijke kant van een mens komt zijn levensdoel op de eerste plaats, nog vóór de relatie. Een man die zijn missie opgeeft om zijn partner tevreden te houden, verliest iets van zijn kracht, en zijn partner merkt dat. Ze krijgt meer van zijn tijd en minder van zijn richting, en de aantrekking tussen hen wordt vlakker. Volgens Deida kan een vrouw heel goed verdragen dat haar man een opdracht heeft die hem soms bij haar weghaalt. Wat ze slecht verdraagt, is een man die half aanwezig is, die thuiskomt met zijn hoofd nog in de fabriek en die zijn afwezigheid verpakt als iets wat hij voor haar doet.
Dat verschuift de vraag. Het gaat er minder om hoeveel Hans werkt. Het gaat erom waarom hij werkt, en hoe hij er is als hij er is. Is de fabriek zijn missie, iets wat hem levend maakt en richting geeft? Of is de fabriek de plek waar hij zich verbergt voor wat thuis moeilijk is? Van buiten zien die twee er hetzelfde uit: lange dagen, late avonden. Van binnen zijn ze elkaars tegenpolen. De missie geeft energie, de vlucht vreet die op. Een man die werkt vanuit zijn missie, komt thuis met iets om te geven. Een man die vlucht, komt thuis leeg.
Voor Ellen maakt dat verschil alles uit. Een Hans die zegt: ‘Ik kies vanavond voor de fabriek, en ik weet dat dat jou iets kost,’ is een man die haar ziet terwijl hij weggaat. Een Hans die zegt dat hij het voor haar doet, laat haar alleen met haar teleurstelling en maakt haar daarnaast ondankbaar. Het eerste is een keuze waar zij een plek in heeft. Het tweede is een keuze waar ze buiten staat, met een cadeau dat ze niet heeft gevraagd.
Een cirkel zonder begin
Als je Hans vraagt waarom het zo gaat, zegt hij dat hij zich terugtrekt omdat Ellen altijd kritiek heeft. Als je Ellen vraagt, zegt ze dat ze kritiek heeft omdat Hans zich altijd terugtrekt. Allebei hebben ze gelijk, en allebei beginnen ze het verhaal op een andere plek. De communicatiewetenschapper Paul Watzlawick beschreef dat als de manier waarop mensen een doorlopende reeks in stukken knippen: ieder kiest het begin dat hem zelf tot reagerende partij maakt. Zo ontstaat een cirkel waarin hij harder werkt omdat hij zich niet gewaardeerd voelt, zij zich minder gekozen voelt en zich terugtrekt, hij zich nog minder gewaardeerd voelt, en nog harder werkt.
In die cirkel speelt de zaak een eigen rol. Spanning tussen twee mensen zoekt bijna altijd een derde om zich op te richten. Dat kan een kind zijn, een schoonmoeder of een drankfles. In een familiebedrijf is het vaak de zaak. Voor Hans is de zaak de plek waar hij de spanning ontloopt. Voor Ellen is de zaak de schuldige die ze kan aanwijzen. Zo hoeven ze geen van beiden te kijken naar wat er tussen hen in staat. De zaak draagt de spanning van het huwelijk, en omdat een fabriek niet weggaat, blijft die driehoek decennialang stabiel.

Onder de cirkel ligt in veel familiebedrijven nog een laag, en die is pijnlijker. Hans werkt in de fabriek van zijn vader. Elke avond dat hij blijft, is hij ook de zoon die laat zien dat hij de fabriek waard is. Systemisch gezien hoort in een nieuw gezin de partner op de eerste plaats te staan, vóór de ouders en de familie waar je vandaan komt. Een man die zijn vrouw liefheeft maar zijn vader trouw blijft door diens werk voort te zetten, staat met één been nog in het huis van zijn jeugd. Ellen voelt dat. Als ze zegt dat ze op de tweede plaats komt, gaat het vaak minder over de machine dan over de man die achter de machine staat, ook als hij al tien jaar dood is.
Wat de kinderen leren over liefde
De zoon en dochter van Hans en Ellen kijken al hun hele jeugd naar dit gesprek. Ze hebben er een beeld van hun ouders aan overgehouden, en daarmee ook een beeld van liefde.
De zoon heeft geleerd dat een man van zijn gezin houdt door weg te zijn. Dat een vader die laat thuiskomt een goede vader is, en dat het verdriet van een vrouw iets is waar je met een oplossing op reageert. Hij heeft ook gezien dat zijn moeder ongelukkig was, en daar voelt hij zich vaag schuldig over, alsof hij als man al bij voorbaat tekortschiet. Als hij later zelf de fabriek in gaat, neemt hij de werkdagen van zijn vader over en het schuldgevoel van zijn moeder erbij.
De dochter heeft geleerd dat liefde wachten is. Dat een vrouw de man die ze liefheeft deelt met iets wat groter is dan zij. Ze heeft ook geleerd dat haar vader het meest levendig was als hij over de fabriek praatte. Veel van deze dochters worden later aangetrokken door mannen met een missie, met drukte en met een telefoon die altijd aan staat, en herkennen pas jaren later dat ze het meisje aan de keukentafel opnieuw zijn geworden.
En beide kinderen hebben geleerd om partij te kiezen. Ze hoorden hun moeder klagen en zagen hun vader moe thuiskomen, en ze wisten niet bij wie ze mochten staan. In de systemische taal is dat een loyaliteitsconflict: een kind dat van allebei de ouders houdt en voelt dat het daarvoor moet kiezen. Dat conflict verdwijnt niet als de kinderen het huis uit gaan. Het gaat mee de zaak in, of het huwelijk in, of allebei.
Twee talen leren
Hans en Ellen kunnen elkaars taal leren verstaan zonder haar over te nemen. Daarvoor moeten ze eerst zien dat de ander een andere taal spreekt.
Voor Hans betekent dat iets wat hij in de fabriek nooit nodig had: erbij blijven zonder iets op te lossen. Naast Ellen gaan zitten als ze verdrietig is, en het verdriet laten bestaan zonder het weg te willen werken. Zich naar haar toe draaien als ze iets zegt, ook als de telefoon trilt. En eerlijk zijn over zijn keuzes. Zeggen dat hij voor de fabriek kiest, en dat hij weet wat dat haar kost. Onder die vaardigheden ligt een vraag die hij alleen zichzelf kan stellen: werkt hij vanuit zijn missie, of vlucht hij, en voor wie staat hij eigenlijk elke avond in die fabriek, voor zijn gezin of voor zijn vader?
Voor Ellen betekent het dat ze de lange dagen van Hans ook kan zien als wat ze voor hem zijn: zijn manier om lief te hebben, de enige die hij van huis uit heeft meegekregen. Dat ze haar teleurstelling uitspreekt als een wens in plaats van als een verwijt, zodat hij iets heeft om naartoe te werken. En dat ze kijkt naar het meisje dat op haar vader wachtte, en uitzoekt hoeveel van haar verdriet over Hans gaat en hoeveel over iemand anders.
Of dat lukt, hangt af van meer dan goede wil. Het vraagt dat twee mensen hun eigen geschiedenis onder ogen zien, op een leeftijd waarop de fabriek, de kinderen en vijfentwintig jaar gewoonte al vastliggen. Sommige stellen vinden in dat gesprek een nieuwe nabijheid. Andere ontdekken dat de zaak al die jaren iets heeft bedekt wat er niet meer is.
