Wie niet mag voelen, gaat beheersen
Iedere jongen moet zich op een dag afkeren van de eerste vrouw in zijn leven. Een meisje kan zich vormen binnen de verbinding met haar moeder; zij lijkt op haar, ze mag blijven. Een jongen moet, om man te worden, zich onderscheiden van het lichaam waaruit hij kwam en waarin hij zich maandenlang één heeft gevoeld. Die beweging van loskomen is gezond en noodzakelijk. Maar ze vraagt iets: er moet aan de andere kant iemand staan die hem opvangt. Waar die ontbreekt, maakt een jongen zich los in het luchtledige. Dan wordt loskomen verharden.
Een kwetsbaarder begin dan we denken
Het beeld van de stoere jongen staat haaks op wat we weten over de vroege ontwikkeling. Jongensbaby’s zijn gemiddeld gevoeliger voor stress dan meisjes. Hun vermogen om emoties te reguleren rijpt langzamer, en ze reageren heftiger wanneer de moeder somber, angstig of afwezig is. Ze hebben de co-regulatie dus langer en intensiever nodig.
Juist dan begint de cultuur aan hen te trekken. Een jongen die huilt, wordt sneller gecorrigeerd dan een meisje dat huilt. Bang zijn wordt weggelachen, verdriet krijgt een tijdslimiet. De boodschap komt zelden in woorden, eerder in een blik, een schouderklopje dat net te vroeg komt, een vader die de kamer uitloopt. Het kind leert dat zijn binnenwereld er niet mag zijn op het moment dat hij die het hardst nodig heeft.
Wat dan gebeurt, is neurobiologisch heel precies. Gevoelens verdwijnen niet doordat ze niet getoond worden; het lichaam blijft ze aanmaken. Wat verdwijnt is de verbinding tussen het lichaam en de woorden. Bij volwassen mannen komt het moeilijk kunnen benoemen van eigen gevoelens vaker voor dan bij vrouwen. De man die op de vraag hoe het met hem gaat ‘goed’ zegt, liegt meestal niet. Hij weet het oprecht niet. Zijn hartslag weet het wel.
Schaamte als motor
Onder bijna elke vorm van gewonde mannelijkheid ligt schaamte. Schuld zegt: ik heb iets verkeerds gedaan. Schaamte zegt: ik bén verkeerd. Voor een jongen die heeft geleerd dat zijn angst, zijn verdriet en zijn behoefte aan troost onmannelijk zijn, wordt elke opwelling van die gevoelens een bewijs van tekortschieten.
Schaamte is een van de pijnlijkste affecten die een mens kent, en het zenuwstelsel zoekt een uitweg. Bij veel mannen is die uitweg woede. Woede verandert de richting: het probleem ligt niet meer binnen, het ligt bij de ander. Wat in het schema ‘projecteert pijn naar buiten’ heet, is dit mechanisme. Agressie en defensief gedrag zijn schaamte die zich een uitgang heeft gezocht.
De andere uitweg is wegtrekken. In conflicten raken mannen gemiddeld sneller lichamelijk overspoeld: de hartslag schiet omhoog en komt langzamer weer tot rust. Een man die midden in een ruzie dichtklapt en niets meer zegt, is vaak niet onverschillig. Zijn lijf staat in alarm en zijn zwijgen is een poging om niet te ontploffen. Voor de vrouw tegenover hem voelt het als verlating; voor hem voelt het als zelfbeheersing. Zo ontstaat ‘emotioneel onbereikbaar’.
Controle als bescherming tegen de eigen binnenkant
Beheersing is de natuurlijke kracht van het mannelijke. Richting geven, ordenen, een grens trekken: daar ontstaat veiligheid door, voor hemzelf en voor wie bij hem hoort. In de gewonde vorm keert die kracht zich echter tegen het leven zelf. Hij controleert, omdat wat hij niet beheerst hem kan raken, en wat hem raakt brengt hem in contact met wat hij niet mocht voelen.
Bezitterigheid volgt dezelfde logica. Een man die zijn afhankelijkheid nooit mocht erkennen, kan ook niet ontspannen in de wetenschap dat hij iemand nodig heeft. Dus moet de ander vastgehouden worden. Jaloezie bij mannen draagt vaak een angst die hij zelf niet zou herkennen: de angst van het jongetje dat zijn moeder kwijtraakt.
En dan is er de verdoving. Werk dat nooit af is, schermen, sport tot over de grens, alcohol, porno. ‘Afgeleid’ en ‘vermijdend’ klinken onschuldig, maar ze beschrijven een man die voortdurend iets doet om te voorkomen dat hij moet voelen wat er onder het doen ligt. Hier wordt duidelijk dat gewonde mannelijkheid evenzeer leeft van het onderdrukte vrouwelijke in hem. Wie niet kan ontvangen en niet stil kan zijn, kan alleen nog bewegen.

De afwezige vader en de te nabije moeder
De jongen die zich van zijn moeder losmaakt, heeft een vader nodig om naartoe te gaan. Een vader die er is, ook met zijn eigen kwetsbaarheid, laat zien dat mannelijkheid iets anders kan zijn dan hardheid. Veel mannen van nu hebben die vader niet gehad. Hun vaders werkten, zwegen, of droegen zelf een geschiedenis die ze nooit hebben uitgepakt: oorlog, armoede, Indië, een eigen vader die sloeg. Een zoon kan bij zo’n vader niet binnenkomen. Hij leert hoe een man zich gedraagt, maar niet hoe een man voelt.
Systemisch bekeken gebeurt er vaak nog iets. Waar de vader emotioneel ontbreekt, schuift de zoon soms op diens plek. Hij wordt de vertrouweling van zijn moeder, haar steun, haar trots, soms haar vervanging voor een partner die niet beschikbaar was. Voor het kind voelt dat als een eervolle plek. In werkelijkheid is het een te grote plek, en ze kost hem iets wezenlijks. Een man die ooit de man van zijn moeder moest zijn, kan zich later moeilijk volledig aan een vrouw geven. Ergens is hij al bezet. Zijn partner voelt dat, zonder dat iemand het kan benoemen.
En de vader die werd buitengesloten, door een moeder die het zonder hem deed of door een familie die over hem zweeg, blijft in de zoon aanwezig. Een zoon die zijn vader niet mag nemen, mist de bron waaruit zijn eigen mannelijke kracht zou stromen. Hij moet die kracht dan zelf fabriceren, en gefabriceerde kracht is altijd een beetje te luid.
Bewijzen in plaats van ingewijd worden
In traditionele culturen werden jongens ingewijd door oudere mannen. Ze werden uit het huis van de moeder gehaald, op de proef gesteld, en daarna teruggebracht als man, met een plek in de gemeenschap. Die overgang werd van buiten bevestigd. Hij hoefde haar niet zelf te verdienen.
In een cultuur zonder inwijding moet iedere man zijn mannelijkheid steeds opnieuw bewijzen. Met prestaties, met status, met winnen, met vrouwen. Het doel dat zijn leven richting zou kunnen geven, wordt vervangen door een eindeloze test. Daarom is de gewonde man zo vaak doelgericht zonder richting: hij loopt hard, maar weet niet waarheen, en elke overwinning houdt maar kort. Ontwaakte mannelijkheid kent een missie die groter is dan hijzelf. Gewonde mannelijkheid kent alleen het volgende bewijs.
Waar het herstel begint
Voor een gewonde man is het meest bedreigende wat er bestaat: blijven bij wat hij niet kan oplossen. Niet ingrijpen, niet weglopen, niet uitleggen. Gewoon aanwezig blijven bij de pijn van zijn partner, of bij die van hemzelf. Daar zit precies de opening. De hoogste vorm van het mannelijke is aanwezigheid, en aanwezigheid vraagt dat hij zijn eigen binnenwereld kan verdragen. Dat lukt alleen als het vrouwelijke in hem weer ruimte krijgt: voelen, ontvangen, stil zijn zonder dat het iets hoeft op te leveren.
Herstel loopt bij mannen vaak via andere mannen. In het gezelschap van mannen die niet hoeven te winnen, die hun angst en verdriet kunnen uitspreken zonder dat de groep wegkijkt, kan het zenuwstelsel ervaren wat het als jongen heeft gemist: dat je kwetsbaar kunt zijn en toch man blijft. Die ervaring laat zich niet aanleren via een boek. Ze moet in het lichaam landen.
En er is de beweging naar de vader. Hem zien zoals hij was, met wat hij niet kon geven, en hem toch als vader nemen. Niet omdat hij het verdiende, maar omdat er anders geen grond is om op te staan. Tegelijk vraagt het van een man dat hij zijn moeder teruggeeft wat van haar is: haar eenzaamheid, haar teleurstelling, haar pijn. Hij was nooit bedoeld om die te dragen. Pas dan komt de plek naast een vrouw werkelijk vrij.
Wat een man wordt wanneer hij niet meer hoeft te bewijzen dat hij er een is, weet hij zelf meestal nog niet. Veel mannen zijn bang dat er dan niets overblijft. Die angst zegt iets over hoe lang de hardheid al voor kracht is aangezien. Wat eronder ligt, heeft nog niemand gezien, hijzelf als eerste niet.
LEES OOK: Wie overleeft kan niet ontvangen/