Wie overleeft, kan niet ontvangen
Voordat een vrouw besluit dat ze de touwtjes in handen neemt, heeft haar lichaam dat al gedaan. Ergens onder het bewustzijn is een inschatting gemaakt: hier is het niet veilig genoeg om open te zijn. Het zenuwstelsel kiest dan voor wat op korte termijn het meest oplevert. Overzicht. Plannen. Grip. Wat zij later beleeft als ‘ik moest wel’, is op het moment zelf nooit langs haar bewuste keuze gegaan.
Wat het lichaam beslist
Bij dreiging verschuift de aandacht in het brein van binnen naar buiten. De gebieden die lichaamssignalen verwerken, zoals de insula die registreert hoe het van binnen voelt, wijken voor de systemen die de omgeving scannen en handelingen voorbereiden. Cortisol en adrenaline maken het lichaam klaar om te doen. Dat werkt: wie in gevaar is, heeft weinig aan de vraag hoe iets voelt; zij heeft een plan nodig.
Wat daarmee verdwijnt, is precies de toegang waar vrouwelijke energie op leunt. Intuïtie is in neurobiologische zin interoceptie: informatie uit het lichaam die sneller is dan het denken. Geduld vraagt een zenuwstelsel dat niet in alarm staat. Ontvankelijkheid vraagt dat de buitenwereld even niet bewaakt hoeft te worden. Overschakelen naar het mannelijke betekent onder druk dus ook: de verbinding met de eigen binnenkant afsluiten. Tijdelijk, zolang de dreiging duurt.
Het probleem begint wanneer de dreiging niet meer ophoudt, of wanneer het lichaam niet meer kan registreren dát ze is opgehouden. Dan wordt een noodtoestand een woonplaats.
Ontvangen is een risico
Mannelijk en vrouwelijk zijn polen die in ieder mens werken, bij vrouwen en bij mannen, in verschillende verhoudingen. De mannelijke pool beweegt naar buiten: richt, begrenst, besluit. De vrouwelijke pool opent zich, neemt op, laat binnenkomen wat er is. Die tweede beweging is van nature kwetsbaarder. Wie richting geeft, houdt de regie. Wie ontvangt, geeft haar even uit handen.
Daarom sneuvelt het vrouwelijke als eerste wanneer een vrouw zich onveilig voelt. Openheid onder dreiging voelt levensgevaarlijk, en het zenuwstelsel weet dat eerder dan het verstand. Een vrouw die zegt dat ze ‘gewoon niet zo’n zachte’ is, beschrijft zelden een karaktertrek. Ze beschrijft een systeem dat ooit heeft geleerd dat zachtheid werd afgestraft, misbruikt of eenvoudigweg niet beantwoord.
En dan gebeurt er iets wat je niet zou verwachten. Het vrouwelijke verdwijnt niet. Het wacht ook niet netjes tot het weer veilig is. Het blijft werken, alleen nu zonder de voorwaarden die het nodig heeft.

De wond met een relationeel gezicht
Hier ligt de sleutel tot gewonde vrouwelijkheid. Vrouwelijke energie zoekt verbinding, en dat blijft ze doen, ook onder dreiging. Maar via openheid kan het niet meer, want openheid is te gevaarlijk geworden. Dus zoekt ze verbinding langs andere wegen.
Wie verbinding wil zonder het risico te lopen erom te vragen, gaat sturen. Indirect, via de achterdeur: een stilte die straft, een opmerking die net te scherp is, een gunst die een schuld schept. Manipulatie is relationele energie die haar eigen kwetsbaarheid niet meer verdraagt. Ze wil iets van de ander en durft dat niet te laten zien.
De andere kenmerken volgen hetzelfde spoor. Naast vechten, vluchten en bevriezen kent het zenuwstelsel een vierde stressreactie die minder bekend is: zich aanpassen aan wie de dreiging vormt, in de hoop haar zo te neutraliseren. Pleasen en geen grenzen kunnen stellen wonen daar. Een gebrek aan zelfvertrouwen en het mijden van verantwoordelijkheid horen bij het bevriezen: wie niets doet, kan niets fout doen. Afhankelijkheid van bevestiging is wat overblijft van co-regulatie, het vermogen om via een ander tot rust te komen, als dat nooit is uitgegroeid tot zelfregulatie. En jaloezie en misgunnen komen voort uit schaarste. Als erbij horen ooit voorwaardelijk was, wordt elke ander die gezien wordt een bedreiging van je eigen plek.
Zo bekeken is gewonde vrouwelijkheid het overlevingsrepertoire van het zenuwstelsel, uitgevoerd met relationele middelen. Gewonde mannelijkheid voert hetzelfde repertoire uit met de middelen van het handelen: controle, agressie, terugtrekken in onbereikbaarheid. Daarom kan gewonde vrouwelijkheid net zo goed bij mannen opspelen. De man die mokt in plaats van te zeggen wat hij wil, die zijn waarde laat afhangen van haar goedkeuring, draagt dezelfde wond in een ander lichaam.
Waarom het tussen vrouwen zo onveilig kan worden
Onder stress reageren vrouwen gemiddeld anders dan mannen. Waar het mannelijke patroon vaker richting vechten of vluchten gaat, zoeken vrouwen eerder de groep op: zorgen voor wie kwetsbaar is, aansluiting zoeken bij andere vrouwen. Oxytocine, het hormoon dat binding ondersteunt, speelt daarin mee. Evolutionair is dat logisch. Een vrouw met een kind kon slecht vluchten; haar veiligheid lag in het netwerk.
Maar wat als dat netwerk zelf onveilig is? Dan keert de strategie zich naar binnen. De groep die bescherming zou moeten bieden, wordt de plek waar je positie bewaakt moet worden. Roddel, uitsluiting en stille rivaliteit zijn de vormen die het vrouwelijke overlevingsrepertoire aanneemt wanneer de ander tegelijk vangnet en dreiging is. Dat verklaart waarom de pijn tussen vrouwen zo diep kan snijden. Ze raakt precies de plek waar veiligheid had moeten zitten.
In vrouwengroepen, teams en families: overal waar vrouwen op elkaar aangewezen zijn en niemand zich werkelijk veilig voelt, ontstaat dat patroon. Een vrouw die in de metro door haar telefoon roept dat ze iemand ‘eens goed de les heeft geleerd’, laat het in één zin horen. Er is gestreden om een plek, en gewonnen. Wat er verloren is gegaan, hoort ze zelf niet.
Drie generaties in één lichaam
Een meisje wordt geboren met alle eicellen die ze ooit zal hebben. Ze worden aangelegd in de baarmoeder, als ze zelf nog een foetus is. De eicel waaruit jij bent ontstaan, bestond dus al in het lichaam van je moeder toen zij nog in het lichaam van haar moeder lag. Drie generaties hebben één keer in hetzelfde lichaam gezeten, gedrenkt in dezelfde stresshormonen.
Onderzoek naar de kinderen van vrouwen die zwanger waren tijdens de Hongerwinter laat zien dat de omstandigheden van een zwangerschap sporen nalaten tot in volgende generaties. Hoe een lichaam met stress omgaat, wordt deels meegegeven voordat er één woord is gesproken.
Daarna komt de vroege kindertijd, en die bouwt verder. Een baby kan zichzelf niet reguleren; ze leent het zenuwstelsel van wie haar draagt. Is dat zenuwstelsel kalm, dan leert zij wat veiligheid in het lichaam is. Staat het in alarm, dan wordt alarm haar grondtoon. Een moeder die zelf nooit veilig open heeft kunnen zijn, kan haar dochter die ervaring niet geven. Niet uit onwil. Ze heeft het niet om te geven.
De systemische laag gaat nog verder. Een kind is loyaal aan zijn ouders, onvoorwaardelijk en grotendeels onbewust, want erbij horen is voor een kind een overlevingskwestie. Als de moeder haar zachtheid niet mocht leven, voelt het voor de dochter als verraad om dat zelf wel te doen. Dus draagt ze mee: de hardheid, de controle, het wantrouwen tegenover andere vrouwen. Soms neemt ze zelfs over wat haar moeder niet kon dragen, en gaat daarmee op een plek staan die te groot is voor een kind. Ze gaat vóór haar moeder staan, terwijl haar plek erachter is.
Wie gedragen is door een gewonde vrouw, draagt haar zelf ook. Letterlijk, in de cellen. Psychologisch, in de manier waarop het zenuwstelsel is afgesteld. En systemisch, in een trouw die nooit is uitgesproken.
Het vrouwelijke laat zich niet afdwingen
Hier zit de valkuil van bijna elke poging tot herstel. Een vrouw die inziet dat ze te veel in haar mannelijke energie leeft, gaat vaak aan de slag met haar vrouwelijkheid. Ze plant rust in, maakt een programma voor zelfzorg, besluit voortaan meer te voelen. En merkt dat het niet lukt. Begrijpelijk, want het mannelijke probeert hier het vrouwelijke te repareren, met de middelen van het mannelijke. Ontvankelijkheid laat zich niet plannen.
Wat het vrouwelijke nodig heeft, is een lichaam dat ervaart dat het veilig is. Dat gaat trager dan inzicht. Het lichaam gelooft geen argumenten; het gelooft ervaring, en het heeft herhaling nodig. Een adem die langzamer wordt zonder dat er iets van afhangt. Een moment van stilstand waarin niemand iets van je vraagt, en het lichaam opmerkt dat er niets gebeurt. Een ander in wiens aanwezigheid je zenuwstelsel zakt, zodat het alsnog kan leren wat het als kind heeft gemist.
Opvallend genoeg speelt het gezonde mannelijke daarin een sleutelrol. Een vrouw die zichzelf kan begrenzen, die structuur biedt zonder te controleren en die durft te kiezen, schept de bedding waarin haar eigen vrouwelijkheid kan openen. Het gewonde mannelijke verdrukt het vrouwelijke in jezelf; het gezonde mannelijke beschermt het. Het onderscheid ligt in de bron: komt het voort uit angst, of uit aanwezigheid?
En er is de systemische beweging: erkennen wat er was. Erkennen dat je moeder het niet kon, zonder haar te veroordelen en zonder haar last over te nemen. De pijn bij haar laten, met respect. Dat klinkt eenvoudig, en is voor veel dochters het moeilijkste wat er bestaat. Het betekent dat je haar overlaat aan haar eigen lot, en jezelf toestaat iets te leven wat zij niet heeft kunnen leven.
Wat er gebeurt wanneer een vrouw voor het eerst in haar lijn open durft te zijn zonder dat het haar iets kost, valt niet te voorspellen. Het is in die lijn nog nooit geprobeerd.
LEES OOK: Wie niet mag voelen, gaat heersen