Meer geven dan gevraagd
“Meer geven dan gevraagd: Over roeping, grenzen en systemische orde in het werk”
Een filosofisch-theologisch en systemisch onderzoek naar het geven van goud waar nikkel gevraagd wordt.
Geven voorbij de afspraak
Je werkt in een organisatie, in een functie waarvoor je ooit bewust koos — je solliciteerde, werd gevraagd, en je begon met zin. De functie leek helder, de verwachtingen ook. Er werd van je gevraagd om ‘nikkel’ te leveren: betrouwbaar, degelijk, professioneel werk.
Maar gaandeweg voel je: er zit goud in die functie en in mij. Ideeën, inzichten, creativiteit, compassie. Niet om mee te pronken, maar als iets wat gegeven wil worden — een gave, misschien zelfs een roeping. Je wilt bijdragen, van betekenis zijn, het beste geven dat je in huis hebt.
En geef je wat je oog ziet wat mogelijk is, doe je wat je hand vindt om te doen. Je vult leemtes op, denkt verder dan je opdracht, brengt iets extra’s. Niet gevraagd, wel buitengewoon waardevol. Soms wordt dat gezien en gewaardeerd, soms niet.
Maar gaandeweg begint het te schuren. Er komt een nieuwe collega die genoegen neemt met ‘ijzer’. Je kijkt verbaasd toe. Waarom wordt dát geaccepteerd?
Waarom zegt niemand daar wat van?
Het lijkt dat je bijdragen minder landen. Er komt afstand, onbegrip, soms zelfs irritatie. Je voelt je minder gezien — en dus ga je nóg harder werken. Want het werk, de organisatie, is het waard! En toch ontstaat er een sluimerende spanning. Je begint te twijfelen: Hoe kan het? Zien ze eigenlijk wel wat ik geef?
De centrale vraag
In mijn praktijk zie ik dit vaak terug — vooral bij mensen die hoogbegaafd zijn. Zij nemen zichzelf als norm, niet hun functieomschrijving. Zij denken sneller, dieper, breder. Ze zien verbanden die anderen nog niet opmerken. Ze voelen wat er mogelijk is — wat beter zou kunnen — en merken haarfijn waar het systeem stokt of tekortschiet.
Niet omdat ze zichzelf belangrijk vinden, maar omdat ze het grotere geheel willen dienen. Ze zien waar hun bijdrage van waarde kan zijn, zelfs als daar niet expliciet om gevraagd wordt.
En dus geven ze meer dan gevraagd. Soms stilletjes, soms vanuit enthousiasme. Niet om zich te bewijzen, maar omdat ze voelen: dit is nodig, dit kan helpen!
Maar wat gebeurt er eigenlijk als je meer geeft dan waarvoor je bent aangenomen?
Is dat trouw zijn aan je bestemming? Of een verstoring van de orde?
Is het een gift — of toch een grensoverschrijding?
Is het kloppend om alles in te zetten wat je in huis hebt, ook als het buiten de functieomschrijvingen en de afspraken valt?
Waarom deze vraag belangrijk is
In een tijd waarin werk minder vanzelfsprekend het centrum van ons leven vormt, groeit tegelijk het verlangen dat werk wél betekenisvol mag zijn. Voor veel mensen is werken niet meer alleen een bron van inkomen, maar ook een plek waar ze willen bijdragen, van waarde willen zijn — als mens, niet alleen als functie.
In mijn praktijk zie ik vooral bij hoogbegaafden dat verlangen terug. Zij denken snel, voelen veel, en zien waar het beter kan. Niet omdat ze zichzelf als bijzonder zien, maar omdat ze helder voor zich zien wat er mogelijk is. Ze voelen: “Wat ik zie en kan, zou van waarde kunnen zijn — dan moet ik dat toch ook inzetten?”
Toch blijkt het niet vanzelfsprekend dat het systeem daar ruimte voor heeft.
Organisaties hebben hun eigen orde, hun eigen spelregels, hun eigen overtuigingen en aannames. Daarin kan méér geven dan gevraagd net zo goed tot onbalans leiden als minder geven dan afgesproken. Niet alles wat je in je hebt, is zomaar passend binnen het systeem.
Dat is misschien wel één van de lastigste inzichten uit het systemisch werk: dat trouw zijn aan jezelf en trouw zijn aan het systeem twee (soms totaal) verschillende dingen kunnen zijn — en soms zelfs tegenover elkaar staan.
Dit artikel onderzoekt die spanning:
– Tussen innerlijke roeping en uiterlijke afspraak.
– Tussen de rijkdom van je talenten (goud) en de eenvoud van je taak (nikkel).
– Tussen spirituele authenticiteit en systemische afstemming.
Het doel van dit artikel
Ik wil de lezer uitnodigen tot een reflectie op wat kloppend geven eigenlijk betekent. Niet om te oordelen wat goed of fout is, maar om te kijken vanuit drie invalshoeken:
a. Een filosofisch-theologische blik: Wat zegt de traditie over roeping, zingeving en verantwoordelijkheid?
b. Een systemische bril volgens Bert Hellinger: Wat gebeurt er in werkrelaties als je (te veel/te weinig) geeft?
c. Een persoonlijke uitnodiging: Hoe kun je trouw blijven aan je bestemming, zonder het grotere systeem te verstoren?
Het doel is niet om snelle antwoorden te geven. Het gaat erom dat je het spanningsveld openhoudt, en binnen die ruimte bewust wordt, ordening vindt en keuzes maakt.
Want in wezen geldt: geven is pas écht kloppend wanneer het in balans is met wat gevraagd wordt, wat het systeem in salaris en arbeidsvoorwaarden teruggeeft, én wat het systeem daadwerkelijk kan ontvangen.
Meer geven dan afgesproken — hoe goedbedoeld ook — kan net zo verstorend zijn voor het systeem als minder geven dan afgesproken.
Filosofisch-theologische benadering
Over roeping, verantwoordelijkheid en trouw binnen menselijke arbeid
Voordat we in de systemische wetten van ordening en relatie duiken, richten we ons eerst op het innerlijke veld waaruit de impuls tot geven vaak ontstaat. Wat betekent het eigenlijk om te voelen dat je méér te geven hebt dan gevraagd wordt?
In deze verkenning kijken we naar klassieke filosofische en theologische ideeën over roeping, verantwoordelijkheid en trouw. Zij vormen de basis van het verlangen om je gaven ten volle in te zetten — en laten tegelijk zien hoe die innerlijke roeping soms botst met de buitenwereld van afspraken en systemen.
De roeping om te geven
“We zijn rusteloos, totdat we rusten in U.” – Augustinus
Wanneer mensen méér geven dan gevraagd wordt, komt dat zelden voort uit ambitie of eerzucht. Vaak is er een diepere innerlijke noodzaak, een zingeving, een roeping die zich aandient. Iets in hen “weet”: ik heb goud te geven, en dat wil ik geven aan de wereld.
* Aurelius Augustinus beschrijft in zijn Belijdenissen hoe de mens onrustig blijft zolang hij zijn leven niet in lijn brengt met het hogere, met God. Die innerlijke roeping — vocatio — is geen vrijblijvende keuze. Ze haalt je uit je comfort, uit routine, en roept je tot trouw aan een diepere waarheid. Meer geven dan gevraagd is soms simpelweg trouw zijn aan die geestelijke impuls.
* Søren Kierkegaard benadrukt het belang van subjectieve waarheid: het bestaan als individuele opdracht. De enkeling moet zichzelf worden in relatie tot het eeuwige. Dat betekent soms ook weerstand bieden aan het systeem of de massa. Wie geroepen is tot geven, kan zich moeilijk inhouden — ook al is dat niet altijd sociaal gewenst.
* Viktor Frankl ontdekte dat mensen zelfs in de zwaarste omstandigheden kunnen volhouden, zolang ze betekenis ervaren. Het verlangen om goud te geven — meer te geven dan gevraagd — kan worden gezien als trouw zijn aan die unieke opdracht, aan een diepere zin.
KORTOM: “Het Leven vraagt om een antwoord. En dat antwoord geven we door te handelen — vanuit wie we zijn.”
Deze denkers maken duidelijk dat de impuls om méér te geven dan gevraagd geen overdaad is, geen egoïstische drang, maar een existentieel verlangen. Maar daarmee rijst meteen de vraag: hoe verhoudt die roeping zich tot een contract, tot afspraken, tot een systeem?
De grens van het contract: arbeidsethiek en verantwoordelijkheid
“Handel zo dat je kunt willen dat jouw handelen een algemene wet wordt.” – Immanuel Kant
Hoewel Kant het vanuit rede en autonomie benadert, komt dit overeen met bijbelse principes zoals de Gulden Regel: “Behandel anderen zoals je wilt dat ze jou behandelen” (Matteüs 7:12).
Roeping is persoonlijk, maar de mens leeft nooit in een vacuüm. Wie werkt, verbindt zich aan een rol, een taak, een wederkerige relatie. Wat betekent het dan om betaald te worden voor iets, maar toch méér te doen?
Kant stelt dat moreel handelen universeel toetsbaar moet zijn. Als iedereen maar deed waar hij zin in had, zonder afstemming, zou vertrouwen verdwijnen. Er is dus een plicht tot trouw aan afspraken en aan het grotere morele weefsel. Meer geven dan afgesproken, zonder afstemming, is ook een vorm van normoverschrijding.
Emmanuel Levinas ziet juist de relatie als oorsprong van verantwoordelijkheid. De ander roept mij: ‘Zie mij, respecteer mij, wijk niet zonder overleg af.’ Méér geven dan gevraagd is geen neutrale daad.
Wie méér geeft dan gevraagd, overschrijdt een grens — ook als dat uit liefde gebeurt. En zo’n overschrijding kan uiteindelijk onvrijheid brengen.
De conclusie is pijnlijk maar noodzakelijk: de innerlijke roeping moet zich verhouden tot de ethiek van de afspraak. Het is niet zwart-wit, maar een spanning die vraagt om volwassen navigatie. Het is niet respectvol naar de afspraak.
Geven, maar aan wie? — De theologische paradox
“Wie in het kleine trouw is, is ook in het grote trouw.” – Jezus (Lukas 16:10)
Het christelijk denken kent een diep inzicht in de spanning tussen innerlijke trouw en uiterlijke gehoorzaamheid. De Bijbel roept op tot dienstbaarheid, maar ook tot moed om het systeem te bevragen. Deze paradox is cruciaal voor kloppend geven.
Jezus nodigt uit tot méér geven dan gevraagd — een uitdrukking van liefde en genade. Maar dit geldt vooral in persoonlijke relaties. Het is een vrijwillige zelfgave, gericht op de ander als naaste.
Werk is echter een systeem, met rollen en afspraken. Hier vraagt geven om balans, (be)grenzen en respect voor plaats. Méér geven dan formeel hoort, zonder afstemming, kan leiden tot:
– Grensoverschrijding: Onduidelijkheid, overbelasting.
– Balansverstoring: Het systeem kan het extra niet teruggeven, spanning ontstaat.
– Plekovernemen: Anderen worden belemmerd, het systeem raakt uit balans.
Deze wetten zijn geen willekeur, maar fundamenten voor gezonde relaties. Ze weerspiegelen Gods orde in de schepping. Liefde betekent dus ook respect voor ordening.
Jezus geeft geen vrijbrief voor onbegrensd geven. Liefdevolle beschikbaarheid is altijd relationeel én begrensd.
Voor de werknemer met een diepe roeping ontstaat zo een fundamentele vraag:
Hoe blijf ik trouw aan mijn roeping, zonder het werk en de ander te verstoren?
Het antwoord ligt dus in bewuste afstemming, helderheid en respect voor grenzen, die weergegeven worden in een arbeidsovereenkomst.
Bijbels perspectief op roeping en geven
* Overvloedig geven, altijd in relatie: Jezus’ oproep tot méér geven gebeurt in relationele contexten, zoals naastenliefde en gemeenschap (denk aan de goede Samaritaan, Handelingen 2).
* Grenzen en orde: Het Oude Testament benadrukt grenzen en taken bijvoorbeeld die in de tempel, die van hogepriester en leviet. Paulus wijst erop dat iedereen zijn plaats heeft in het lichaam van Christus (1 Kor. 12).
* Waarschuwing tegen overbelasting: Jezus trekt zich soms terug (Mark. 1:35) en roept op tot rust (Matt. 11:28-30). Zelfopoffering mag niet leiden tot schade (Gal. 6).
* Dienstbaarheid met wijsheid: “Wees verstandig als slangen en onschuldig als duiven” (Matt. 10:16) vraagt om balans tussen volheid en wijsheid.
De stem van Dietrich Bonhoeffer
Bonhoeffer illustreert de ernst van gehoorzaamheid en verantwoordelijkheid. Hij koos tijdens het nazi-regime tegen het onrecht in, gedreven door zijn geweten. Soms vraagt trouw aan God om tegen het systeem in te gaan — maar nooit lichtvaardig. Er moet sprake zijn van onrecht. Deze keuzes brengen lijden, offers en verantwoordelijkheid mee.
Samenvatting van de spanningsboog
Vanuit deze filosofisch-theologische benadering ontstaat een diepe spanning:
* Roeping roept op tot geven, tot leven in volheid en relaties.
* Ethiek vraagt trouw aan afspraken, respect voor de ander.
* Theologie vraagt tegelijk innerlijke en uiterlijke gehoorzaamheid.
In deze spanning ontvouwt zich de vraag van dit artikel:
Hoe geef ik trouw aan mijn roeping zonder de ordening van mijn werkrelaties te verstoren?
Hoe balanceer ik mijn ‘goud’ met respect voor ‘nikkel-afspraken’?
Er is geen eenvoudig antwoord. Wel vraagt het bewustzijn, afstemming en bereidheid verantwoordelijkheid te nemen voor je keuzes.
En daardoor zie je dat ‘goud’ geven vraagt om een functie die ‘goud’ vraagt!
Systemisch perspectief (Hellinger)
Over balans, plek en verantwoordelijkheid in organisaties
De spanning tussen innerlijke roeping en uiterlijke afspraken blijft vaak hardnekkig zolang we uitsluitend vanuit het individu of het arbeidscontract denken. Het systemisch perspectief opent een diepere laag: het maakt zichtbaar hoe ons handelen altijd verweven is met de ordening van het geheel — met de plek die we innemen, de balans tussen geven en nemen, en de onderlinge verhoudingen binnen het systeem.
De systemische wetten, zoals beschreven door Bert Hellinger, zijn in essentie geworteld in: de scheppingsorde. Ze laten zien dat een systeem — een organisatie, een team, een werkrelatie — alleen gezond functioneert als deze wetten worden geëerbiedigd.
Vanuit deze bril is ‘meer geven dan gevraagd’ geen vrijblijvende of louter edele daad. Het is een interventie in het systeem. En elke interventie heeft gevolgen — voor de balans, voor de duidelijkheid van rollen, voor de harmonie binnen het geheel.
Systemisch werk helpt ons dan ook anders te kijken:
– Niet alleen naar wat we geven,
– maar ook naar waarvandaan, waarom, en op welke plek we dat doen.
Zo wordt het mogelijk om trouw te blijven aan onze innerlijke roeping, én tegelijk verantwoordelijkheid te nemen voor het grotere geheel waarin die roeping landt.
Want kloppend geven is geen kwestie van méér of minder —
maar van de juiste maat, op de juiste plek, op het juiste moment!
De vijf systemische wetten als lens op werk en geven
We lopen de vijf systemische wetten langs, toegespitst op de werkcontext en de centrale vraag van dit artikel of je in de werkcontext meer mag geven dan gevraagd wordt:
a. Balans in geven en nemen
Over wederkerigheid, vrije gave en systemische spanning
Binnen elk levend systeem — ook binnen organisaties — is balans tussen geven en nemen essentieel voor duurzame relaties. Wanneer die balans langdurig verstoord raakt, raakt het systeem uit evenwicht. Ook als die verstoring ‘positief’ lijkt, zoals in het geval van meer geven dan gevraagd wordt.
Wat op het eerste gezicht nobel lijkt, kan systemisch gezien een vorm van overcompensatie zijn. Je geeft meer dan is afgesproken — vanuit inspiratie, loyaliteit of innerlijke roeping — maar zonder dat daar een afgestemde wederkerigheid tegenover staat. Dat klinkt misschien als liefdevolle inzet, maar het zet ongemerkt druk op het systeem. En op jezelf.
Wat begint als een vrije gave, kan onbedoeld veranderen in een verplichting.
En een verplichting waar geen erkenning of teruggave tegenover staat, wordt op termijn een last.
In werkrelaties is er altijd een impliciet en expliciet contract. De werkgever geeft: salaris, vertrouwen, structuur. De werknemer geeft: arbeid, inzet, creativiteit. Als deze uitwisseling uit balans raakt — bijvoorbeeld doordat jij iets anders geeft dan afgesproken — ontstaat systemische spanning.
Bijvoorbeeld:
– Jij werd aangenomen om ‘nikkel’ te leveren: duidelijke, betrouwbare output.
– Maar jij geeft ‘goud’: inzichten, gevoeligheid, visie, die buiten de opdracht vallen.
– De werkgever ontvangt dus iets anders dan waarvoor hij betaalt — en kan dat niet altijd herkennen, waarderen of benutten.
Het gevolg:
– Jij voelt je mogelijk niet gezien of erkend.
– De organisatie voelt intuïtief: er klopt iets niet.
– De onderlinge wederkerigheid raakt onder druk.
– Jij raakt (misschien langzaam) uitgeput of innerlijk gefrustreerd.
Systemisch kloppend handelen vraagt hier om afgestemde uitwisseling:
– Geef wat gevraagd is — of stem opnieuw af.
– Geef pas méér, als daar ruimte en bedding voor is. Dat moet gevraagd worden: ik kan dit doen! Is dat ook de bedoeling want dit gaat buiten mijn contract omt?
– Erken dat zelfs een goedbedoeld cadeau spanning oproept als het ongevraagd komt.
Want wie systemisch wil geven, doet dat niet alleen vanuit zijn hart,
maar ook vanuit afstemming op de ontvanger, het moment en de afspraak.
b. Alles erkennen wat er is
Over functie, context en het erkennen van nikkel
Een gezond systeem begint bij erkenning. Niet van idealen, maar van de werkelijkheid zoals die is. In organisaties betekent dat: respect voor de bestaande structuren, afspraken, functies, hiërarchieën en grenzen.
Wanneer jij je uitsluitend richt op het goud dat je te geven hebt — je creativiteit, diepte, betrokkenheid of visie — en het systeem waarin je werkt negeert, ontstaat er een blinde vlek. Je ziet dan alleen je eigen potentieel, maar niet de context waarin dat potentieel ingebed is.
Systemisch gezien is dat een vorm van uitsluiting: je sluit de realiteit uit waarin je functioneert.
Bijvoorbeeld:
Je bent aangenomen voor een rol met een duidelijke opdracht — het leveren van ‘nikkel’: betrouwbaar, helder, afgesproken werk.
Jij voelt een roeping om méér te geven — en begint ‘goud’ te brengen, buiten de gestelde kaders om.
Daarmee loop je het risico om je functie, collega’s of de hiërarchie onbewust te negeren en niet te respecteren, want kunnen ze jouw potentie wel handelen?
Het gevolg:
– Je raakt vervreemd van de werkelijkheid waarin je werkt.
– Je bijdrage wordt mogelijk niet ontvangen of zelfs ervaren als verstorend.
– Je ontkent impliciet de geldigheid van wat er wél is — en dat zorgt voor wrijving.
“Nikkel” hoort erbij. Het is onderdeel van het systeem dat jou draagt.
Wie dat niet erkent, zet zichzelf (systemisch gezien) buiten de orde.
Erkennen wat er is betekent:
– Erkennen dat je nu deze plek inneemt, in deze organisatie, met deze opdracht.
– Erkennen dat anderen ook een plek hebben, met andere verantwoordelijkheden en grenzen.
– Erkennen dat de afspraken die er liggen niet willekeurig zijn, maar dragen wat het systeem tot nu toe heeft opgebouwd.
Zolang je alleen geeft wat jij waardevol vindt, maar niet wat gevraagd of gedragen kan worden, ontstaat scheefgroei. En wie dat te lang volhoudt, riskeert uiteindelijk zelf uitgesloten te worden.
In systemisch werk geldt:
wat je uitsluit, werkt ondergronds — en komt vroeg of laat via een andere weg terug.
c. De juiste plek innemen
Over bescheidenheid, verantwoordelijkheid en mandaat
Een van de fundamenten van systemisch werk is: ieder op zijn eigen plek.
Elke plek in een systeem — ook binnen werk — draagt zijn eigen verantwoordelijkheid, maar ook zijn eigen begrenzing.
Wanneer je die plek eert, stroomt de energie. Wanneer je erboven gaat staan, of erbuiten treedt, raakt het systeem uit balans.
In werkrelaties betekent dit:
– Je neemt de rol op je waarvoor je bent aangenomen. In dit geval: nikkel
– Je laat de verantwoordelijkheden die bij anderen horen, ook bij hén.
– Je stemt af, in plaats van zelf te bepalen wat er nodig is.
Klopt geven begint niet bij wat je hebt, maar bij wáár je staat!
Bijvoorbeeld:
– Jij bent werknemer, niet eigenaar of bestuurder.
– Als jij besluit goud te geven — meer dan gevraagd — zonder afstemming of uitnodiging van boven, neem je impliciet een andere plek in dan de jouwe.
– Je gaat sturen waar je zou moeten volgen, of dragen wat niet op jouw bord ligt.
Dat lijkt misschien dienstbaar, maar wordt vaak ervaren als:
* Verwarrend: jouw gedrag past niet bij je formele plek.
* Ongemakkelijk: je collega’s of leidinggevende kunnen zich gepasseerd voelen.
* Verstorend: je neemt ruimte in die van een ander is — zelfs als die ander die ruimte (nog) niet goed benut of als die ander niet aangenomen is.
En dat heeft gevolgen:
– Je kunt buitengesloten worden, bewust of onbewust.
– Er kan irritatie of wantrouwen ontstaan.
– Het systeem herstelt de ordening — soms door jouw positie te verzwakken of je inzet te minimaliseren.
Systemisch kloppend gedrag betekent dus: je eigen plek innemen, niets meer — en niets minder: nikkel
Dat vraagt bescheidenheid én moed:
– Bescheidenheid om te volgen waar jij (nog) niet hoeft te leiden.
– Moed om op jouw plek volledig aanwezig te zijn — ook als die kleiner voelt dan wat je in je hebt.
Want alleen vanaf jouw juiste plek (nikkel) kun je werkelijk bijdragen aan het grotere geheel.
En hier raakt het systemisch denken aan iets verrassends en diepers:
Waarom zet iemand die goud in handen heeft, dat goud in op een plek waar nikkel gevraagd wordt?
=> Wat maakt dat iemand zijn roeping, creativiteit, of inzicht niet positioneert op een plek die wél uitnodigt tot goud?
Systemisch gezien is dat geen toeval. Vaak ligt daar een onbewuste dynamiek onder:
– Een bescheiden of negatief zelfbeeld: “Wie ben ik om meer te vragen of een grotere plek in te nemen?”
– Loyaliteit aan het systeem van herkomst: “Zo doen we dat.”
– Angst voor afwijzing of oordeel: “Als ik echt ga staan voor wat ik kan, word ik misschien buitengesloten.”
– Angst voor zichtbaarheid en falen
– Een patroon van dienstbaarheid dat voorbijgaat aan gezonde begrenzing.
– Innerlijke overtuigingen: “Op welke plek je ook staat, je geeft alles wat je hebt”
In die zin is ‘meer geven dan gevraagd’ niet alleen een daad van overvloed, maar soms ook een signaal van innerlijke omweg:
een poging om gezien te worden zonder werkelijk te gaan staan voor je eigen plek en potentieel.
d. Erbij horen
Werkrelaties zijn niet alleen functioneel, maar ook systemisch — en binnen systemen is erbij horen een van de fundamentele ordeningsprincipes. Wie zich werkelijk wil verbinden met een werksysteem, moet zichzelf én de plek die hem of haar daarin is gegeven erkennen.
Wanneer je — uit trouw aan je innerlijke roeping — een andere koers vaart dan wat de functie of team vraagt, of waarvan jij denkt dat de afdeling/het team het nodig heeft, ontstaat er spanning. Misschien voel je je niet erkend in wat je werkelijk bijdraagt. Of je merkt dat wat jij inbrengt (goud), niet gezien of niet begrepen wordt door een omgeving die vooral op nikkel gericht is. Dat kan leiden tot gevoelens van onzichtbaarheid, eenzaamheid of zelfs uitsluiting.
Soms trek je je daardoor innerlijk of praktisch terug. Of je gaat ‘boven’ het systeem hangen, als morele buitenstaander. Daarmee verbreek je — vaak onbedoeld — de systemische verbinding: je hoort er dan niet meer echt bij, omdat je je (deels) onttrekt aan het geheel.
Erbij horen vraagt om afstemming, niet om opoffering.
En trouw zijn aan jezelf vraagt om moed, niet om afzondering.
Erbij horen binnen het systeem betekent: je plek erkennen (nikkel), afstemmen op wat mogelijk en gevraagd is, én in verbinding brengen wat jij te geven hebt. Pas dan wordt je goud werkelijk deel van het geheel — en niet een afzonderlijke rijkdom die tussen wal en schip valt.
e. Eigen bestemming volgen
De vijfde systemische wet gaat over trouw zijn aan je eigen bestemming — je unieke weg, je roeping, je diepste talent. Dit principe erkent dat ieder mens met een innerlijke opdracht leeft. Maar binnen een systeem betekent dat niet: je eigen gang gaan. Het vraagt juist om de kunst van het afstemmen: hoe blijf je trouw aan wat er door jou geleefd wil worden, zonder het systeem te verstoren?
Soms lukt dat — je vindt een bedding binnen je huidige functie waarin je goud tot bloei kan komen, afgestemd op de behoeften van het geheel. En dan worden er nieuwe afspraken gemaakt: Jij zorgt op jouw functie van nikkel, dat je goud levert! Maar soms lukt dat ook niet: wij vragen nikkel en willen geen goud. Dan loop je tegen grenzen aan die niet buigzaam zijn, of tegen een cultuur waarin jouw bijdrage geen plek krijgt. Dan wordt de vraag urgent: blijf ik en vervul ik de functie en pas ik me aan aan nikkel, of ga ik op zoek naar een functie die van mij goud vraagt?
Het volgen van je bestemming is geen vrijbrief, maar een uitnodiging tot volwassen keuzes.
Als jouw goud wezenlijk bij je hoort, en je merkt dat het binnen het huidige systeem structureel geen bedding vindt, dan is het kloppend om je plek opnieuw te overwegen. Misschien betekent dat: een andere rol binnen dezelfde organisatie. Misschien betekent het: afscheid nemen en je goud elders inzetten — in een context waar het wél ontvangen kan worden.
Trouw zijn aan je bestemming vraagt moed. Niet alleen om te blijven waar het wringt, maar ook om te vertrekken waar het niet meer klopt. En in beide gevallen geldt: bestemming volgen betekent verantwoordelijkheid nemen. Voor jezelf, én voor de impact van je keuzes op het grotere geheel.
Eigen bestemming volgen betekent ook: verantwoordelijkheid nemen voor de consequenties daarvan.
KORTOM: Als je goud nastreeft terwijl je betaald wordt voor nikkel, dan is dat niet per se fout, maar het is niet systemisch kloppend als:
– je iets anders geeft dan waarvoor betaald wordt (1)
– je de afgesproken werkelijkheid ontkent (2)
– je een rol op je neemt die je formeel niet hebt (3)
– je jezelf buiten het systeem plaatst (4)
Daarom vraagt goud geven — hoe waardevol ook — altijd om afstemming:
tussen jouw innerlijke bestemming (5) en de context waarin je die vorm probeert te geven.

De ontmoeting tussen roeping en systeem
De spanning als creatief veld
De relatie tussen roeping en systeem is geen zwart-wit verhaal van goed of fout, passend of niet passend. Het is eerder een dynamisch en levend veld waarin twee belangrijke krachten met elkaar in interactie staan: de innerlijke trouw aan je persoonlijke roeping, en het dienen van het grotere systeem waar je deel van uitmaakt.
Dit spanningsveld is niet per definitie problematisch — het kan juist creativiteit, groei en vernieuwing stimuleren. Wanneer iemand zijn unieke gaven en talenten binnen een systeem inzet, en daarbij toch de systemische wetten respecteert, kan het systeem zelfs groter, veerkrachtiger en rijker worden. De individuele roeping wordt zo een kracht die het collectief versterkt, mits het in harmonie gebeurt met de ordening en balans van het geheel.
Het vraagt voortdurende afstemming, communicatie en bewustzijn om deze spanning als vruchtbaar veld te ervaren, en niet als bron van conflict of burn-out. Zo kan het geven van ‘goud’ een uitnodiging zijn tot vernieuwing — als het het systeem niet ontregelt, maar verrijkt.
Drie mogelijke uitkomsten:
In de ontmoeting tussen persoonlijke roeping en het systeem kunnen verschillende uitkomsten zich voordoen, elk met eigen gevolgen en dynamieken:
* Je zoekt afstemming: Je probeert binnen het systeem ruimte te creëren voor je ‘goud’, door dialoog, initiatief en betrokkenheid. Dit kan leiden tot groei en vernieuwing van het systeem, maar roept ook weerstand of conflict op. Het vraagt moed, flexibiliteit en relationele intelligentie om dit proces aan te gaan. Succes hangt af van wederzijds respect en openheid in het systeem.
* Je past je aan: Je kiest ervoor binnen de kaders van het systeem te blijven en levert wat gevraagd wordt — de ‘nikkel’. Je bewaart je ‘goud’ voor jezelf, als een innerlijke rijkdom die niet wordt gedeeld in het werk. Dit kan leiden tot innerlijk lijden, frustratie of onvrede omdat je niet volledig leeft naar je roeping. Soms ontstaat zo een gevoel van vervreemding of burn-out.
.* Je verlaat het systeem: Als het systeem geen ruimte biedt voor jouw roeping en het niet mogelijk is om in afstemming te groeien, kan het nodig zijn het systeem te verlaten. Dit betekent het zoeken naar een plek waar je ‘goud’ wel gevraagd en gewaardeerd wordt. Dit is een moedige stap die gepaard gaat met het dragen van consequenties — zoals verlies van zekerheid, het aangaan van nieuwe uitdagingen, en het vinden van een nieuw evenwicht.
Naar systemische volwassenheid
In het hart van geven schuilt een paradox: niet alles wat jij in je bezit hebt aan gaven, talenten en mogelijkheden, hóeft gegeven te worden. Volwassenheid in geven betekent de wijsheid ontwikkelen om te onderscheiden wát, wanneer en aan wie je geeft — een wijsheid die wortelt in de afstemming tussen jouw innerlijke bron en de uiterlijke bedding van het systeem waarin je leeft en werkt.
Deze systemische volwassenheid vraagt om bewuste aanwezigheid: het vermogen om je eigen roeping trouw te blijven, zonder de ordening van het geheel te verstoren. Het vraagt om respect voor de balans van geven en nemen, erkenning van wat er is, het innemen van de juiste plek, en het besef dat erbij horen altijd een voorwaarde is voor vruchtbaar geven.
De vraag die blijft, is de meest fundamentele: wanneer is geven werkelijk in dienst van het grotere geheel?
Geven wordt kloppend als het niet alleen volgt uit innerlijke drang, maar ook de ontvankelijkheid van het systeem eert — als het stroomt binnen een relatie van wederkerigheid en respect.
Zo wordt geven geen daad van zelfopoffering of overcompensatie, maar een creatief en liefdevol antwoord op de roep van het leven zelf.
Dit is de kunst van systemisch volwassen geven: trouw aan jezelf én trouw aan het grotere geheel — en daarin de diepste betekenis van werk en roeping vinden.
CASUS
Jasper is een hoogbegaafde professional die werkt als beleidsadviseur bij een middelgrote organisatie in de publieke sector. Zijn functieomschrijving is duidelijk: hij is verantwoordelijk voor het analyseren van bestaande beleidsvoorstellen en het rapporteren aan het management. Hiervoor ontvangt hij een marktconform salaris, en hij voelt zich gewaardeerd binnen zijn team.
Jasper heeft veel meer te bieden dan wat zijn functie vraagt. Hij ziet niet alleen verbeteringen in bestaande beleidslijnen, maar ook diepere, systemische veranderingen die de organisatie en haar stakeholders duurzaam ten goede zouden kunnen komen. Zijn brein werkt voortdurend op volle toeren, en hij wil ‘goud’ geven — innovaties, visies en initiatieven die veel verder gaan dan het ‘nikkel’ van zijn functieomschrijving.
Jasper begint buiten zijn formele taken om aan nieuwe projecten te werken en presenteert zijn ideeën aan verschillende collega’s en leidinggevenden. Hij heeft zijn eigen werk prima op tijd af. Daar is en blijft niets over te zeggen. Zijn extra inzet en enthousiasme wordt soms beantwoord met waardering, maar regelmatig ook met irritatie of terughoudendheid. Zijn leidinggevende waarschuwt hem voorzichtig dat hij niet moet doorschieten. Sommige collega’s voelen zich overvleugeld of buitengesloten, omdat Jasper initiatief neemt in domeinen die formeel niet zijn rol zijn.
Jasper voelt zich verscheurd. Zijn roeping drijft hem om meer te geven, maar het systeem waar hij deel van uitmaakt is niet ingericht op deze ‘overgave’.
In een coachtraject ontdekt hij dat zijn inzet enkele mensen meer in hun kracht zet, maar ten diepste het systeem verstoort!
Samen met zijn coach kijkt hij naar zijn worsteling met de met vragen:
* Hoe kan ik trouw blijven aan mijn diepere roeping zonder het systeem te verstoren?
* Wanneer is mijn ‘meer geven’ een verrijking, en wanneer een grensoverschrijding?
* Moet ik mij aanpassen en het goud voor mezelf houden, of ruimte zoeken voor dialoog en verandering?
* Of betekent trouw aan mijn roeping dat ik uiteindelijk afscheid moet nemen van deze organisatie?
Deze casus illustreert de spanning tussen innerlijke roeping en systemische ordening in de praktijk. Het vraagt van Jasper systemische wijsheid en volwassenheid om zijn plek te vinden — in afstemming met zichzelf én met het grotere geheel. Uiteindelijk zoekt Jasper naar een organisatie (waarvan hij niet dacht dat die bestond) die hem een contract aanbiedt omdat ze zijn goud volledig zien en willen hebben! Achteraf ziet Jasper de onbalans tussen zijn vele geven en de functieomschrijving van zijn vorige functie.
In ons werk voelen we vaak het verlangen om meer te geven dan er gevraagd wordt — goud waar nikkel volstaat. Dit getuigt van een diepe innerlijke frequentie die onze functie overstijgt en ons uitnodigt om te creëren vanuit ons volle potentieel. Maar die gave kan ook een valkuil zijn, als we niet scherp blijven op de vraag: wat is écht mijn taak hier? Deze balans tussen geven en afstemmen, tussen goud maken en nikkel accepteren, geldt niet alleen in ons werk, maar ook in andere gebieden van ons leven. LEES VERDER: leven-met-een-hoge-frequentie-in-een-lagere-resonantie/