De piek en de boom die brandt
1 Koningen 19 in drie bewegingen
Het begint niet in hoofdstuk 19. Het begint op de Karmel, en daar begint het al met een stilte. Elia vraagt het volk: hoe lang blijven jullie hinken op twee gedachten? En dan staat er: “het volk antwoordde hem geen woord” (18:21). Dat is de eerste eenzaamheid, en ze is niet die van de vierhonderdvijftig. Ze is die van de duizenden die er bij staan en niets zeggen. Wie zwijgt, laat je alleen op een manier die een tegenstander niet kan.
Dan telt hij zichzelf. “Ik alleen ben overgebleven als profeet van JHWH, en de profeten van Baäl zijn vierhonderdvijftig man” (18:22). Notarti — ik ben overgebleven. Het woord van de rest, van wat niet is opgegaan, wat na de oogst nog op het veld ligt. Hij noemt zichzelf een overschot. En hij weet dat het niet klopt; Obadja heeft hem verteld van de honderd in de grotten. Maar op de Karmel is honderd geen getal. Op de Karmel is het één tegenover vierhonderdvijftig, want het verhaal heeft die vorm nodig, en Elia heeft die vorm nodig. Wie ergens alleen staat, is niet meer te meten. Er is niemand naast hem die kan zeggen: je hebt gelijk, of: je overdrijft. De eenzaamheid van de één tegenover de velen is de eenzaamheid van wie geen maat meer heeft. Hij is zelf de maat geworden.
Kijk naar wat de vierhonderdvijftig doen. Ze roepen van de ochtend tot de middag, ze springen, ze snijden zichzelf met zwaarden en lansen tot het bloed stroomt (18:28). Ze hebben elkaar. Wat zij doen is verschrikkelijk en het is samen. Elia staat. Hij bespot ze — roep harder, misschien slaapt hij, misschien is hij even weg — en de spot is het enige wat hij die middag met anderen deelt. En terwijl zij bloeden, bouwt hij: een altaar van twaalf stenen, “naar het getal van de stammen van de zonen van Jakob” (18:31). Eén man legt de twaalf neer. Hij bouwt met zijn handen het wij dat er niet is. Het altaar is het volk dat zwijgt, in steen, door de enige die spreekt.
En dan bidt hij, en in het gebed zit de diepste laag van deze eerste eenzaamheid: “Antwoord mij, JHWH, antwoord mij” (18:37). Aneni, twee keer. Niet: laat vuur vallen. Niet: laat hen het zien! Bewijs dat u er bent! Maar: antwoord mij. De hele wedstrijd — twee stieren, twee altaren, de hele middag — draait om die ene vraag van een man die door het volk niet geantwoord werd en nu naar boven vraagt of hij daar wél geantwoord wordt. Dat is wat het alleen-staan met een mens doet: het schuift de vraag om antwoord op tot ze alleen nog naar boven kan.
Het antwoord komt. Het vuur valt.
En dan de tweede eenzaamheid, die van de eer.
Het volk valt op zijn gezicht en roept: “JHWH, Hij is God, JHWH, Hij is God” (18:39). JHWH hoe ha-Elohiem. Ik lees het een paar keer voordat ik zie wat er staat. Elia heet Elijahoe — Eli, mijn God, en Jahoe. Wat het volk roept is zijn naam, omgekeerd: Jahoe – Elohiem. De schreeuw van de menigte is Elia, van achteren naar voren gelezen. Hij is uitgekomen. Zijn naam was een belijdenis die alleen hij droeg, en nu ligt ze in duizenden monden, en in geen van die monden wordt hij bedoeld.
Dat is de eer. De menigte die hem een paar uur eerder geen woord gaf, schreeuwt nu, en schreeuwt langs hem heen naar wat hij diende. Niemand roept: Elia heeft gelijk. Niemand roept zijn naam als de zijne. De eer gaat door hem heen als door een doorgeefluik en komt aan bij God, en de doorgeefluik blijft staan waar ze stond, alleen. Wie op de Karmel had gestaan waar hij stond, had kunnen zeggen: ik heb gezien wat jij hebt gezien. Er stond niemand. Eer maakt zichtbaar, en precies daarom eenzaam: hoe hoger je gezien wordt, hoe minder er nog naast je staan op die hoogte. Van voetveeg naar voetstuk.
Een vervulde naam is een lege naam. Wat hij was — mijn God is Jah — is nu van iedereen, en wat van iedereen is, is van niemand meer in het bijzonder. Hij heeft de piek niet overleefd omdat hij verloor, maar omdat hij won op een manier die hem overbodig maakte. De enige die de wedstrijd niet kon winnen, was de man die haar won.
Let op wat hij daarna doet. Hij zegt tegen Achab: ga op, eet en drink (18:41). De koning gaat eten.
Elia gaat de berg op en eet niet; hij buigt zich ter aarde, het hoofd tussen de knieën. De eer heeft hem niet aan tafel gezet maar op de grond. Het volk heeft zijn naam en gaat naar huis; de koning heeft zijn maal; de profeet heeft zijn gebed om regen, en dan een strijdwagen om voor uit te rennen. Er is niemand die met hem meegaat. Er is niet één van de duizenden die zojuist op hun gezicht vielen die zegt: ik kom mee.
Er staat wajjighar artsa: hij kromde zich ter aarde. Dat werkwoord, gahar, komt in de hele Schrift maar op één andere plek voor: 2 Koningen 4:34-35, waar Elisa zich over het dode kind van de Sunamitische uitstrekt, mond op mond, ogen op ogen, handen op handen, en het kind niest en de ogen opent. De enige andere keer dat een mens zich zo kromt, is om leven terug te brengen in een lichaam. De schrijver van Koningen kiest voor de regen hetzelfde woord als voor een opwekking. De houding op de Karmel is dus geen gebedshouding in de gewone zin; het is de houding waarin leven doorgegeven wordt.
En kijk naar wat er niet staat: geen woord van het gebed. Bij het vuur hoorden we alles — “antwoord mij, JHWH, antwoord mij”. Bij de regen is er alleen een lichaam, opgevouwen, en zeven keer een knecht die naar zee kijkt. Het vuur riep hij naar beneden met zijn stem. De regen krijgt geen stem. Vuur kun je afroepen; water moet je dragen.
Hij heeft zojuist gedaan wat een man doet — staan, spreken, de maat zijn, het vuur laten vallen. Nu moet er iets komen dat zich niet laat roepen, en het enige wat zijn lichaam daarvoor weet, is de vorm van vóór de geboorte: hoofd tussen de knieën, gezicht weg, niet zien. De man die zag en daarom vreesde, sluit hier eerst zijn ogen.
Het hoofd tussen de knieën is de foetushouding. Hij wordt weer klein, ongeboren, en uit die kleinheid komt “een wolkje als de hand van een man” uit de zee. Kaf iesj — een handpalm. Wat uit de zee opkomt, is niet groter dan wat hij zelf zou kunnen vasthouden. Dat is de verhouding: de zee is oneindig, de wolk is een hand, en de man ligt opgevouwen tussen die twee in.
Verantwoordelijkheid en nederigheid zijn allebei houdingen die een ik aanneemt. Wat hier gebeurt, ligt daaronder: het ik dat op de Karmel de hele dag rechtop stond, kan het water niet maken en weet dat. Hij had de hemel gesloten met zijn eigen woord (17:1: geen regen dan op mijn woord). Zijn woord kan die hemel niet openen — dat kan alleen het lichaam dat gaat liggen in de vorm van wat nog geboren moet worden. Een barende maakt het kind niet. Ze laat het door zich heen. Het is een doorgeefluik. En dat het hier zeven keer moet, zeven keer de knecht die zegt: er is niets, zegt dat het langer duurt dan hij dacht.
Overigens dit is de enige plek in de twee hoofdstukken waar Elia niet alleen is. Er is een naar — een jongen, een dienaar, de tekst geeft hem geen naam — en Elia zegt tegen hem: klim omhoog en kijk naar de zee. De jongen kijkt en zegt: er is niets. Ga terug, zegt Elia, en dat herhaalt zich, zeven keer. Wie zich kromt met het gezicht tussen de knieën, kan de zee niet zien. Hij heeft ogen nodig die niet de zijne zijn. Zeven keer leent hij ze. En het is de jongen die de wolk ziet, niet de profeet. Het teken komt aan bij de ondergeschikte, bij degene die niets heeft gedaan die dag, alleen omhoog is gelopen en heeft gekeken. Mozes op de heuvel bij Refidim kon zijn armen niet zelf omhoog houden; Aäron en Chur hielden ze vast tot de zon onderging. Wie tussen hemel en aarde staat, heeft altijd iemand nodig die het gewone doet.
En dan Berseba. “Hij liet zijn jongen daar achter” (19:3) — wajjannach, hij legde hem neer, liet hem rusten, het werkwoord van Noach.
wajjannach — hij liet (hem) daar. Dat komt van de wortel noeach, rusten. Noach is die wortel als naam: Genesis 5:29 legt het uit, “deze zal ons rust geven”. Dezelfde stam staat in Genesis 8:4, waar de ark “rustte” op de bergen van Ararat, en in Genesis 2:15, waar God de mens “in de tuin zette” (wajjannichehoe, precies dezelfde vorm als bij Elia’s jongen). Ook de sabbat: “en Hij rustte op de zevende dag” (Ex. 20:11).
De vorm die Koningen gebruikt is: niet zelf rusten, maar iemand tot rust brengen, neerzetten, laten liggen. Onze vertalingen maken er “achterlaten” van, en dat is de gebeurtenis. Maar het woord zegt iets zachters: hij zette de jongen neer zoals de ark neerkwam na het water en zoals de mens in de tuin werd gezet. De jongen krijgt rust bij de put. Elia zelf krijgt die niet; hij loopt door. En de zevende dag zit erin — de put van de zeven, de jongen die zeven keer keek, en nu de wortel van de sabbat. Met andere woorden: iemand achterlaten is in deze taal iemand tot rust brengen.
Hij legt de jongen neer op de plek waar Hagar haar jongen neerlegde. Ook zij was bij Berseba, ook zij ging een afstand verder, ook zij zei: laat mij de dood niet zien.
Twee mensen die een kind achterlaten bij dezelfde put en verderop willen sterven. Bij Hagar opent God haar ogen en ze ziet de put — beër, Berseba, de put van de zeven. Zeven keer keek de jongen naar de zee; de put heet zeven. Ik weet niet of de schrijver dat bedoeld heeft. Ik weet wel dat Elia in Berseba zijn ogen achterlaat. De jongen die zeven keer voor hem keek, blijft bij de put van de zeven, en de man gaat de woestijn in zonder iemand die nog voor hem kan kijken.
Daarom kan er onder de bremstruik niets meer gezien worden. Er is geen zee, er is geen wolk, er is geen jongen die zegt: kijk, daar. Hij ligt met zijn gezicht in het zand zoals hij op de Karmel lag met zijn gezicht tussen zijn knieën, maar nu is er niemand op de rots. En wat er dan komt, komt niet via de ogen. De bode zegt niet: kijk. De bode raakt aan. Waar het zien is weggevallen — het zien dat angst werd, en de geleende ogen die zijn achtergebleven — blijft alleen de huid over. Nogea bo. Wat op de Karmel door een ander gezien werd, wordt in de woestijn aan hemzelf gevoeld. Misschien is dat de weg van het ene naar het andere hoofdstuk: van wat je iemand voor je laat zien, naar wat je niet meer kunt ontlopen omdat het je aanraakt.
Want één vers later rent het weer. Izebel stuurt een bode: morgen ben je dood. En dan staat er in de Hebreeuwse tekst iets wat de vertalingen bijna allemaal gladstrijken. Er staat wajjar — en hij zag. Vrijwel iedereen leest wajjira — en hij vreesde. Het zijn dezelfde medeklinkers, jod-resj-alef; alleen de klinkers verschillen, en die zijn eeuwen later toegevoegd. Zien en vrezen zijn in het Hebreeuws één wortel, uit elkaar gehouden door een puntje. Elia zag, en wat hij zag was angst. Of hij vreesde, en wat hij vreesde was wat hij zag. De tekst kiest niet en ik laat dat staan, want het is wat er na een piek gebeurt: je ziet ineens. Izebel kende hij al. Wat hij nu ziet is zichzelf, van buitenaf, en dat zien ís de angst.
En dan wat angst doet. Onze vertalingen: hij vluchtte voor zijn leven. Letterlijk: hij ging naar zijn nefesj toe. Beide zijn waar en de tweede is waar het om gaat. De man die vijfentwintig kilometer vóór de wagen uit liep, loopt nu honderdvijftig kilometer naar Berseba, laat daar zijn knecht achter en gaat nog een dagreis de woestijn in. Hij gaat naar zijn ziel, en om daar te komen legt hij alles af: het volk, de koning, de knecht. Het laatste wat hij aflegt is de laatste mens.
De woestijn heet midbar. In dat woord zit dabar, het woord, het spreken. De midbar is de plek waar niets meer spreekt — of, zoals de mystici het omdraaien, de enige plek waar gesproken kan worden omdat er niets meer tussen zit. Hij gaat naar waar het woord nog komen moet.
En daar: “hij ging zitten onder één bremstruik”. Eén. Het getal staat er nadrukkelijk. De man die straks zal zeggen “ik alleen ben overgebleven” gaat zitten onder één boom; twee eenzaamheden tegenover elkaar. Maar de rotem is een bijzondere boom. Het is de enige schaduw in de Negev, mager, met takken als draden. Haar wortels worden gegeten door wie niets meer heeft (Job 30:4). En van haar hout wordt de heetst brandende houtskool gemaakt die Israël kende: “gloeiende kolen van bremhout” (Ps. 120:4).
In de Bijbel (onder andere in de Psalmen) wordt gesproken over de gloeiende kolen van de rotem (in oudere vertalingen soms onterecht vertaald als ‘jeneverboom’). Het hout van deze woestijnstruik staat erom bekend dat het:
* Zeer intens brandt en een extreem hoge temperatuur afgeeft.
* Langdurig blijft nagloeien, zelfs nadat het uiterlijk al gedoofd lijkt. Het wordt in overdrachtelijke zin gebruikt als symbool voor felle, verterende vurigheid of zware straf (zoals een valse tong).
De vuurman gaat zitten onder de vuurboom. Wat hem op de Karmel was, staat nu over hem heen en beschermt hem een beetje tegen de zon, en het is nog steeds hetzelfde hout.
“Het is genoeg, JHWH, neem mijn nefesj, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.” Rav — genoeg. Het woord dat God tegen Mozes zegt als die nog één keer vraagt het land in te mogen: rav lach, genoeg, spreek er niet meer over (Deut. 3:26). Elia zegt tegen God wat God tegen Mozes zei. En dan lo tov, niet goed. De eerste keer dat lo tov in de Schrift klinkt is Genesis 2:18: het is niet goed dat de mens alleen is. Elia’s twee zinnen, in hoofdstuk 18 en 19, zijn precies die twee woorden: ik alleen en niet goed. Hij citeert, zonder het te weten, de enige plek waar de Schrift het alleen-zijn niet goed noemt. Hij zegt: ik ben in de toestand van vóór de ander.
En dat “ik alleen” klopt niet. Obadja had het hem in hetzelfde hoofdstuk verteld: honderd profeten, verborgen in twee grotten, met brood en water (18:4,13). Hij wist het. De piek heeft het gewist. Op de Karmel moest hij alleen zijn — één tegenover vierhonderdvijftig is de vorm van dat verhaal — en wat op de piek een vorm was, wordt daarna een overtuiging. Het alleen-zijn dat hem droeg, blijft over als het enige wat hij nog zeker weet.
Nog één ding: Elijahoe telt in letters 52: alef 1, lamed 30, jod 10, he 5, waw 6. Dat is ook de waarde van ben, zoon: bet 2, noen 50. “Ik ben niet beter dan mijn vaderen,” zegt de zoon — en zijn naam zei het al voordat hij het zei. Wie Elijahoe heet, heet in getal: zoon. Iemand die na anderen komt, iemand die uit anderen komt. Hij die op de Karmel de maat was en niemand naast zich had, draagt een naam die alleen bestaat in verhouding tot een vader.
En 52 is meer. De mystici schrijven de Godsnaam voluit — elke letter uitgeschreven zoals ze wordt uitgesproken — en tellen dan op. Dat kan op vier manieren, en die vier manieren zijn vier werelden, van boven naar beneden: 72, 63, 45, 52. De 45 is adam, de mens. De 52 is de laagste, de vulling van het koninkrijk hier beneden, van het lichaam en het doen, van het ontvangende. De naam van de vuurman heeft de waarde van de laagste vulling van de Naam. Niet het vuur van boven; het vat van beneden.


En de menigte roept: “JHWH, Hij is God, JHWH, Hij is God.” Twee keer de Naam. JHWH is 26. Twee keer 26 is 52. Wat het volk schreeuwt, is zijn naam niet alleen in de letters maar ook in het getal. De schreeuw en de man tellen hetzelfde, en de man staat er als de laagste van de vier werelden, het vat waardoor het vuur naar beneden viel.
Nu iets wat ik pas zag toen ik de andere spelling telde. Elia’s naam staat in de Schrift ook zonder de laatste letter: Elijah, zonder de waw. Zo heet hij in 2 Koningen 1, en zo heet hij bij Maleachi, waar de profeet wordt aangekondigd die komen zal (Mal. 3:23). Elijah, zonder waw, telt 46. En levaddi — ik alleen — lamed 30, bet 2, dalet 4, jod 10: 46. De naam zonder zijn laatste letter is het woord dat hij twee keer over zichzelf zegt. Zonder de waw heet hij: ik alleen. Met de waw heet hij: zoon.
De waw is de haak. De letter die in de taal “en” is, die het ene woord aan het volgende hangt. Zonder haak is een mens 46, alleen. Met haak is hij 52, zoon, verbonden aan wat vóór hem was. De rabbijnen hebben dit gezien, lang geleden, en er een verhaal van gemaakt: op vijf plaatsen staat Elia zonder zijn waw, en op vijf plaatsen staat Jakob mét een waw die hij niet hoort te hebben. Jakob, zeggen ze, heeft de letter van Elia in onderpand genomen, tot Elia komt om zijn kinderen te verlossen. Elia loopt rond met een letter te weinig, en die letter ligt bij de vader van de twaalf stammen — de twaalf die hij op de Karmel in steen legde omdat ze er niet stonden.
Wat mij elke keer weer raakt in al die tellingen (hoewel het voor mij nog in de kinderschoenen staat), is dat alles met alles samenhangt én zichtbaar maakt welke bewegingen er allemaal mee doen of in zitten.
Onder de bremstruik is hij 46. Niet omdat een schrijver zijn naam daar korter spelt — dat gebeurt pas later, in 2 Koningen — maar omdat hij het zelf zegt, twee keer: levaddi. Wie zichzelf “ik alleen” noemt, noemt zichzelf de naam zonder haak. De waw is de letter die verbindt, het “en” van de taal, de haak waarmee een gordijn aan het volgende gordijn hangt in de tabernakel (Ex. 26:32, dezelfde letter als woord). Wat hem ontbreekt, is precies dat: het “en”. Elia en. Elia en de honderd in de grotten, Elia en de zevenduizend, Elia en de jongen bij de put. Hij ligt in het zand als een naam waarvan het laatste stuk in onderpand is gegeven aan een vader die hij niet kent.
En dan wordt hij gevuld. Ik zei: brood en water uit de laagste wereld. Dat is niet minachtend bedoeld. De laagste wereld is de wereld waar de dingen zijn — een koek, een kruik, een hand op je schouder. Er komt geen gedachte naar hem toe, geen stem, geen visioen; er komt wat je kunt vasthouden. Een naam die 52 telt, de vulling die alleen zichzelf in zich draagt, kan alleen van buiten gevuld worden. Ze heeft geen jod meer om uit te putten. Het brood is de jod die van buiten komt. Wat hij op de Karmel was — de man door wie het vuur naar beneden viel — blijkt de vorm van een vat te hebben gehad: iets waar het vuur doorheen kon omdat het zelf leeg was. Nu ligt het vat op zijn zij in het zand en iemand giet er water in.
Hij dacht dat hij het vuur was. Dat is wat een piek doet: je verwart wat door je heen ging met wat je bent. Op de Karmel viel het vuur op het altaar van twaalf stenen dat hij had gebouwd, en het verteerde het offer, de stenen, het water in de greppel. Het vuur maakt geen onderscheid tussen wat het aansteekt en wat het draagt; het neemt alles. En de man die het had afgeroepen, stond ernaast en dacht: dit ben ik.
Zijn naam wist al dat hij het hout was. Rotem-hout, het hout dat de heetste kool geeft, het hout waarvan de wortels gegeten worden door wie niets meer heeft. Het hout is niet het vuur; het is wat het vuur mogelijk maakt en wat er na het vuur overblijft, als kool, als as, als warmte in een steen waarop een koek gebakken kan worden. Elijahoe, 52, de laagste vulling, de zoon: de naam van iemand die niet de vlam is maar het brandbare. En dat is de hele weg van het ene hoofdstuk naar het andere, in één beweging. Wie hout is en zichzelf voor vuur houdt, brandt op. Wie hout is en gaat liggen, wordt kool, en op kool wordt brood gebakken.
Lees verder: de-slaap-en-de-aanraking
Lees ook: veertig-dagen-en-de-grot/
