De slaap en de aanraking
1 Koningen 19 in drie bewegingen
Eerst lazen we over het vuur en de regen en nu: “En hij ging liggen en sliep onder één bremstruik.” Wajjisjkav wajjisjan. Twee werkwoorden voor één beweging, alsof het liggen en het slapen apart genoteerd moeten worden: eerst geeft het lichaam het op, dan het bewustzijn.
Ik blijf hangen bij Genesis 2. Daar klinkt lo tov levaddo, en het antwoord daarop is een diepe slaap (2:21). Geen gesprek, geen inzicht — een slaap waarin de mens geopend wordt en waaruit hij wakker wordt met een ander tegenover zich. Elia zegt lo tov, levaddi, en het volgende is slaap, en het volgende daarna is “zie, deze, een bode, raakte hem aan”. Uit het alleen-zijn komt geen argument. Er komt slaap, en na de slaap staat er iemand.
=> bode. Datzelfde woord stond drie verzen eerder: “Izebel zond een malach” (19:2). De bode die zegt: morgen ben je dood. En nu: “een malach raakte hem aan” en zegt: sta op, eet. Twee boden, één woord. De tekst maakt in de aanduiding geen onderscheid; het onderscheid zit in wat ze brengen. Wat hem de woestijn in joeg en wat hem daar te eten geeft, komen onder dezelfde naam. Het doodsbericht was ook een bode.
=> aanraken. Dat werkwoord, met wat erop volgt, ken ik van één andere plek: Jesaja 6, waar een seraf met een tang een gloeiende kool (ritspa) van het altaar neemt en er Jesaja’s mond mee aanraakt. Wat Elia krijgt is oegat retsafiem — een koek gebakken op retsafiem, gloeiende stenen, kolen. Hetzelfde woord als Jesaja’s kool. Jesaja wordt aangeraakt met vuur en het brandt zijn schuld weg. Elia wordt aangeraakt en krijgt vuur te eten, maar het vuur is brood geworden. Onder de boom waarvan het hout kolen levert, brood op kolen gebakken. Het vuur dat hij op de Karmel uit de hemel liet vallen, wordt hem nu klein en warm in de hand gelegd. Vuur dat je niet meer hoeft af te roepen; vuur dat je kunt slikken.
=> de kruik: Dat woord komt drie keer voor in de hele Schrift. Bij Saul, die slaapt terwijl David zijn kruik weghaalt. En in het hoofdstuk vóór de Karmel: de kruik olie van de weduwe in Sarfat, die niet opraakte zolang Elia in haar huis was (17:14). Hij deed dat wonder. Nu krijgt hij zelf de kruik. Wat hij een ander gaf omdat hij de man Gods was, wordt hem gegeven terwijl hij niets meer is dan een man die slaapt. Het geven en het ontvangen zijn in het verhaal één cirkel geworden, en hij zit er niet meer aan de gevende kant.
Hij eet, hij drinkt, hij gaat weer liggen. Het eerlijkste vers van het hoofdstuk. Eén aanraking is geen genezing. Hij slaapt opnieuw, en de tekst vindt dat niet erg.
De tweede keer zegt de bode meer: “sta op, eet, want de weg is te veel voor je”. Rav. Het woord van Elia’s “het is genoeg”. Elia zei: rav, neem mijn leven. De bode zegt: rav, de weg. Het woord wordt niet weersproken, het wordt verplaatst — van de mens naar de weg. En op dat “te veel” volgt geen ontheffing maar brood. Wat te veel is, wordt niet kleiner gemaakt. Er wordt gegeten.
Ik zie nu pas dat de bode nergens antwoordt op wat Elia zei. Geen woord over de vaderen, over het alleen-zijn, over Izebel. Alleen: sta op, eet. Twee keer. Tegen de doodswens wordt geen gedachte ingebracht, maar een hand en een koek. Het lichaam wordt aangesproken op het niveau waar het instortte. De wanhoop werd niet in de ziel geboren maar in de benen die honderdvijfenzeventig kilometer hebben gelopen, en daar wordt ze ook het eerst beantwoord.
Het Hebreeuws heeft twee woorden voor slaap, en de tekst kiest voor Elia het gewone. Niet tardema, de diepe slaap die op de mens valt — op Adam voordat de vrouw uit hem wordt gehaald, op Abraham als de grote duisternis komt en het verbond wordt gesneden. Tardema wordt gegeven; ze overkomt je, van boven. Elia slaapt jasjen: hij valt gewoon in slaap, zoals een lichaam dat doet na honderdvijfenzeventig kilometer. Dat is al het eerste wat de slaap met een mens doet: ze laat zien dat hij een lichaam is. Alles wat hij op de Karmel was — stem, maat, vuur — houdt op als de spieren het opgeven. De slaap is de plek waar het lichaam de leiding terugneemt.
Hij vroeg om te sterven en kreeg slaap. De rabbijnen zeggen dat slaap een zestigste deel van de dood is. Wat Elia vroeg, wordt hem dus gegeven, in een dosis die hij overleeft. Hij hoeft niet dood; hij hoeft alleen een tijd niet te zijn. Dat is het tweede: de slaap is het enige dat het “ik alleen” onderbreekt zonder dat er een tweede mens voor nodig is. In de slaap is er geen ik dat zichzelf telt. Levaddi kan niet slapen; alleen Elia kan slapen, en zolang hij slaapt is er niemand die alleen is. De eenzaamheid heeft een wakend bewustzijn nodig om te bestaan, en dat wordt haar hier afgenomen.
Wat het lichaam ondertussen doet, weet ik van de andere kant, de kant van de hersenen. In de diepe slaap wordt het spanningssysteem uitgeschakeld dat de hele dag op de Karmel aan stond; wat overdag is opgeslagen als gevaar, wordt ’s nachts opnieuw gesorteerd; de hersenen spoelen zichzelf letterlijk schoon van wat zich bij het waken heeft opgehoopt. Een mens die na een piek instort, stort in omdat het lichaam zelf rav zegt, genoeg, voordat de mond het zegt. Ik wil hier niet uitleggen — wat ik zie is dat de Schrift en het lichaam hetzelfde zeggen: de eerste beweging na het te veel is niet begrijpen, maar wegzakken. Het gebeurt onder de bremstruik zoals het overal gebeurt.
En dan het derde, en dat zit in het wakker worden. De bode raakt hem aan — nogea bo. Het werkwoord voor wakker maken is heʿir, en het heeft dezelfde letters als ʿor, huid. Wakker worden en huid zijn in het Hebreeuws één woord. Wie slaapt, wordt gewekt via de buitenkant; er is geen andere weg naar binnen dan de huid. Wat Elia wakker maakt, is niet een gedachte die hij in zijn slaap krijgt, maar een hand op zijn lichaam. Hij wordt teruggeroepen naar de laagste wereld — de wereld van 52, de wereld waarin je aangeraakt kunt worden — en dat is de enige wereld waarin je wakker kunt worden.
Er is een psalm die zegt: aan zijn geliefde geeft Hij slaap (Ps. 127:2). Dat wordt meestal gelezen als rust. Ik lees het hier anders: de slaap is wat je krijgt in plaats van de dood, en wat je in de slaap kwijtraakt, is de overtuiging dat je de vlam was. Je wordt wakker als hout. En daarna slaapt hij nog een keer, en de tekst laat het gebeuren. Eén slaap maakt de eenzaamheid niet ongedaan. Hij moet twee keer opgehouden hebben te bestaan voordat hij kan lopen.
Wat ik open laat: waarom niet tardema. Adam kreeg de diepe slaap en ontving een ander. Elia krijgt de gewone slaap en ontvangt brood. Misschien is dat het verschil tussen wat een mens wordt gegeven voordat hij alleen was, en wat hem wordt gegeven nadat hij het alleen-zijn zelf heeft uitgesproken.
Lechem, brood. Dezelfde drie letters als lacham, vechten, en milchama, oorlog. Het Hebreeuws legt brood en strijd in één wortel, en dat is geen toeval: brood is wat aan de aarde onttrokken moet worden. Zaaien, wachten, maaien, dorsen, malen, kneden, bakken — brood is het enige voedsel dat een mens niet kan plukken. Onder een boom zou je vrucht verwachten. Elia krijgt onder de bremstruik het ene wat geen boom geeft. Iemand heeft dit gemaakt. Er is een hand aan te pas gekomen, een vuur, een steen. Brood in de woestijn kan alleen van ergens anders komen, want er is geen akker. Wat het brood dus als eerste doet, nog voor hij het eet: het bewijst dat er een elders is. Waar hij ligt, groeit niets, en toch ligt hier een koek. Er is een wereld buiten het zand waarin graan opkomt en mensen bakken, en die wereld heeft hem gevonden.
Dat is de waw die hij mist. Brood is “en”.
Het woord dat de tekst gebruikt is een cirkel — een rond, plat brood. Precies wat hij zelf van de weduwe vroeg in Sarfat: maak mij eerst een kleine oega (17:13). Toen was hij degene die het brood vroeg en het wonder gaf; nu ligt het naast zijn hoofd zonder dat hij iets heeft gevraagd. Tussen die twee koeken in ligt de Karmel. En daarvóór de raven bij de Kerit, die brood en vlees brachten, ’s morgens en ’s avonds. Drie keer wordt hij gevoed in deze hoofdstukken, en elke keer heeft hij er minder aan gedaan. De raven kwamen op bevel, de weduwe gaf op zijn woord, de koek ligt er als hij wakker wordt. Het brood zakt steeds verder onder zijn eigen doen door, tot het niets meer met hem te maken heeft.
Lechem telt 78. Dat is driemaal 26, driemaal de Naam. Ik laat dat staan zonder er iets aan te hangen, behalve dit: het brood is niet het vuur van boven, het is de Naam in een vorm die je in je hand kunt houden en die opgegeten kan worden. Het woord is vlees geworden, zegt Johannes. Het woord is brood geworden, laat Jezus zien. Wat op de Karmel viel en alles verteerde, ligt hier gebakken op kolen, en de kolen zitten erin. Brood is vuur dat gestopt is met branden en begonnen is met voeden.
En dan de zin die ik pas nu zie. Veertig jaar woestijn, manna, en de uitleg daarvan in Deuteronomium 8:3: “niet van brood alleen leeft de mens”. Alleen. Het woord van Elia. Het brood alleen, houdt een mens niet in leven; wat hem in leven houdt is wat uit de mond van JHWH komt. Elia zegt: ik levaddi. Het brood dat hij krijgt is brood dat nooit levaddo is, want het komt met een hand en met twee woorden: sta op, eet. Het brood komt niet alleen. Dat is wat het doet met de man die zei dat hij alleen was: het brengt hem het eerste ding dat niet alleen is.
Wat het niet doet: het maakt hem niet beter. Hij eet, hij drinkt, hij gaat weer liggen. Brood geneest niet. Brood houdt in leven tot er iets anders kan gebeuren. De tweede keer draagt het hem veertig dagen — brood dat langer duurt dan het lichaam kan verklaren, het manna van één man — maar ook dan brengt het hem niet verder dan een grot. Het brood brengt hem tot waar de vraag gesteld kan worden. Wat er daarna met hem gebeurt, kan geen brood doen.
Ik blijf hangen bij het eenvoudigste. Een mens die wil sterven, krijgt te eten. Er wordt niet met hem gesproken over zijn wens. Er wordt een koek naast zijn hoofd gelegd. Wat dat met een mens doet, is misschien dit: je kunt niet eten en tegelijk dood willen. Kauwen is al een klein ja.
Lees verder: veertig-dagen-en-de-grot/
Lees ook: de-piek-en-de-boom-die-brandt/
