Veertig dagen en de grot
1 Koningen 19 in drie bewegingen
“En hij liep op de kracht van dat eten veertig dagen en veertig nachten tot aan de berg Gods, de Horeb.”
Van Berseba naar de Sinaï is het, als je doorloopt, twee weken. Veertig dagen is dus geen afstand. Veertig is Mozes op de berg zonder brood (Ex. 34:28), Israël in de woestijn, de regen van de vloed, de dagen waarin volgens de Talmoed het embryo zijn vorm krijgt — daarvóór is het “enkel water”. Veertig is de letter mem, en mem is water. Het minimum van een mikwe is veertig maat. Wie veertig van iets doorgaat, gaat door water, en wat door water gaat wordt opnieuw gevormd — of verdrinkt. De tekst zegt niet welke van de twee. Ze zegt alleen dat hij loopt, één maaltijd in het lichaam, veertig dagen. En de mem heeft twee vormen: de open mem midden in een woord, de gesloten mem aan het eind. Een open mond en een gesloten mond. Hij loopt de gesloten vorm binnen.
Want waar komt hij aan? Op de Horeb. Chorev: droogte, verwoesting. Dezelfde letters als cherev, zwaard. De berg Gods heet de Droge. Hij die op de Karmel — wijngaard van God, tuinland, de naam draagt het — om regen bad en regen kreeg, loopt veertig dagen naar Droogte. Van de tuin naar de verschroeiing, van de plek waar de hemel openging naar de plek die naar de dorst is genoemd. En daar is God.
“Hij kwam daar bij de grot.” Bij dé grot. Het lidwoord staat er, en de rabbijnen hebben het gelezen zoals het er staat: er is maar één grot op deze berg die de tekst zonder introductie kan noemen, en dat is de rotsspleet waarin Mozes werd gezet toen God aan hem voorbijging (Ex. 33:22). Elia kruipt in de holte van Mozes. Hij zei: ik ben niet beter dan mijn vaderen — en gaat liggen in de afdruk van de vader die hij het meest is. Mozes, die ook vroeg om te mogen sterven (Num. 11:15), die ook veertig dagen niet at, die ook in deze spleet moest omdat een mens het zien niet verdraagt. Elia, die zag en daarom vreesde, kruipt in de spleet die gemaakt is voor wie niet mag zien.
Wajjalen sjam: hij overnachtte daar. Het derde slapen. Onder de boom, onder de boom, in de grot. Elk slapen dieper in de aarde.
Onder de bremstruik ligt hij op de grond, in de schaduw van takken als draden. Dat is het eerste slapen: het lichaam op de aarde, met nog iets tussen hem en de hemel.
Het tweede slapen is op dezelfde plek, maar er is intussen gegeten; hij gaat liggen met brood in zich, en de schaduw is dezelfde.
Het derde is de grot. Geen schaduw meer, geen tak, geen hemel — steen aan alle kanten. Van het plantaardige naar het minerale, van wat groeit naar wat nooit gegroeid is. Elke keer zakt hij een laag dieper in het materiaal van de wereld, en de tekst wordt er zelf ook stiller over: de eerste twee keer staat er sliep, de derde keer alleen wajjalen sjam, hij bleef daar de nacht over. Het woord slaap valt weg. Alsof hij daar te diep is om nog te slapen.
Meʿara, grot. De eerste grot in de Schrift is Machpela, de grot die Abraham koopt om Sara te begraven, het eerste stuk grond dat Israël in het land bezit, en het is een graf. Daar liggen ze, de vaderen en de moeders, in de dubbele grot — machpela betekent verdubbeld. “Ik ben niet beter dan mijn vaderen,” zei hij onder de boom. In de grot gaat hij liggen waar de vaderen liggen. Het is het enige consequente wat een mens kan doen die dat gezegd heeft: naar hun plek gaan. En in de grot ligt ook de andere echo, dichterbij. Obadja had honderd profeten verborgen, vijftig in een grot en vijftig in een grot (18:4), met brood en water. Elia wist het en telde ze niet mee. Nu ligt hij zelf in een grot, gevoed met brood en water, verborgen voor Izebel. Hij is precies geworden wat hij niet wilde meetellen. Het “ik alleen” heeft hem gebracht op de plek van de honderd die hij niet zag.
Het werkwoord ‘overnachten’, heeft in het Hebreeuws nog een gezicht: dezelfde letters zeggen morren. Het is het woord van de woestijn, van het volk dat mort om brood (Ex. 16). Wie in de grot overnacht, mort er ook. De tekst hoeft dat niet te zeggen; het zit in het werkwoord. En wat hij daar mort, komt in het volgende vers naar buiten: ijverend heb ik geijverd.
Ik moet hier iets kwijt over Jakob. Hij sliep ook op steen, met een steen onder zijn hoofd, en de aarde ging boven hem open: een ladder, boden op en neer, en ’s morgens: God was hier en ik wist het niet. Jakob slaapt op de steen en de hemel opent. Elia slaapt in de steen, en wat komt is geen ladder maar een vraag. Het verschil tussen de twee slapen is het verschil tussen een man op weg naar zijn leven en een man die gevraagd heeft om te sterven. De ene krijgt een uitzicht, de andere krijgt een woord.
Want daar gebeurt het. In de diepste laag, waar geen boom en geen hemel meer is, staat er: ‘en zie, het woord van JHWH tot hem’. In de midbar kwam een bode met brood; in de grot komt het davar. Het woord komt pas als hij helemaal onder is. Niet onder de boom, niet na het brood — in de steen. Dat kan ik niet uitleggen en ik ga het niet proberen; ik zie alleen dat de beweging van de tekst naar beneden loopt en dat het spreken onderaan begint.
Eén ding nog. Lang na Elia zit een andere man twaalf jaar in een grot, met zijn zoon, tot zijn nek in het zand, en als hij eruit komt, verbrandt hij met zijn ogen alles wat hij ziet, tot een stem uit de hemel zegt: ben je gekomen om mijn wereld te verwoesten? Ga terug in je grot. De rabbijnen vertellen dat over Sjimon bar Jochai, en ik hoor er Elia in. De grot is de plek waar het vuur van een mens begraven moet worden tot het niet meer alles verteert wat het ziet. Elia komt eruit met zijn ijver nog intact. Misschien is een nacht daarvoor te kort.
En dan komt het woord: dabar. Waar de midbar was, komt de dabar. “Wat is er voor jou hier, Elia?” Precies de letters van: mond. Wat is er voor jou hier — wat is er voor jou aan mond. Wat heb jij nog te zeggen. Een vraag die gaten slaat in de gesloten mem.
En Elia zegt: ‘ijverend heb ik geijverd voor JHWH’. Het woord is kana, en het is Gods woord over zichzelf: een naijverige God. Elia neemt in de grot de eigenschap van God in de mond alsof ze de zijne is. Hij heeft zich met het vuur vereenzelvigd. Wat onder de bremstruik al zichtbaar was, komt hier in woorden: hij was niet te weinig, hij had zich het te veel toegeëigend. De naam Elijahoe, 52, de laagste wereld, de zoon — en hij spreekt in de grot met de stem van de Vader.
“Ga naar buiten en ga staan op de berg voor het aangezicht van JHWH.” Dat is het eerste wat tegen hem gezegd wordt na zijn ijverend heb ik geijverd. Twee werkwoorden: uitgaan, staan. Hij ligt sinds de bremstruik. Drie keer lag hij, elke keer dieper, en het eerste woord dat de grot in komt is: sta. En hij doet het niet. Dat wordt vaak overheen gelezen. De opdracht komt in vers 11, en Elia komt de grot pas uit in vers 13, ná de stilte. Tijdens de storm, de aardbeving en het vuur blijft hij binnen. Wat er ook op die berg gebeurt, het krijgt hem niet overeind.
“En zie, JHWH ging voorbij.” ʿOver — hetzelfde werkwoord als bij Mozes in de rotsspleet: als mijn heerlijkheid voorbijgaat. Elia ligt in die spleet en krijgt hetzelfde voorbijgaan. Maar bij Mozes wordt in dat voorbijgaan de Naam uitgeroepen, dertien eigenschappen, barmhartig en genadig. Bij Elia komt er eerst een wind.
“Een grote, sterke wind, die bergen scheurde en rotsen brak, voor het aangezicht van JHWH — niet in de wind was JHWH.” Roeach: wind, adem, geest. De wind gaat voor JHWH uit; ze is zijn voorloper, wat vooraf gaat. Ze scheurt de berg en breekt de rotsen — de grot dus, de steen waar hij in ligt. Wat hem omsluit, wordt gebroken, en hij blijft liggen. Dan de aardbeving, raʿasj, en dan het vuur, esj. En bij alle drie hetzelfde zinnetje: niet daarin was JHWH.
Ik moet even blijven staan bij wat dat voor Elia betekent, want dit zijn niet zomaar drie natuurverschijnselen. Dit zijn de vormen waarin God tot dan toe gekomen is.
Op de Sinaï, op deze berg, kwam Hij in donder, in vuur, en de berg beefde (Ex. 19:18).
En op de Karmel was het Elia zelf die de regel stelde: “de god die antwoordt met vuur, die is God” (18:24). Vuur was zijn definitie van God. Vuur was zijn instrument, zijn teken, zijn naam bijna — en straks zal hij in een storm en een wagen van vuur worden opgenomen. Wind en vuur zijn zijn eigen elementen.
En op de Horeb zegt God: niet daarin. Niet in wat jij van mij gemaakt hebt. Wat aan hem voorbijgaat, is zijn eigen theologie, in drie delen, en in geen van de drie is God.
Ze gaan voor Hem uit; ze zijn wat de weg vrijmaakt. Meer niet.
Wat de rabbijnen in de grot zagen, zie ik hier ook: de man die met zijn ogen brandt, krijgt vuur te zien dat leeg is.
En dan: het suizen van een zachte stilte, of een stem van een dunne stilte. Elk van de drie woorden wil ik apart hebben.
=> stem, geluid. Er is geluid. Het is niet niets.
=> stilte, verstommen, stilvallen. Het is het woord dat Psalm 107 gebruikt als God de storm tot een demama brengt en de golven zwijgen — de stilte ná de storm, niet de stilte ervoor. En het is het woord van Elifaz in Job 4:16, in een nachtvisioen waarbij zijn haren overeind gaan staan: “demama, en een stem hoorde ik.” Dezelfde combinatie.
Dan de letters: dalet-mem-mem-he, 89. Dat is ook goef, lichaam. Ik hang er niets aan. Ik leg het alleen naast alles wat hiervoor kwam — de huid, de aanraking, het brood — en laat het liggen.
Dakka, dun, fijn, van dakak, fijnstampen, tot poeder wringen. Het is het woord voor het manna op de grond, dak, fijn als rijp (Ex. 16:14). En het is het woord voor het reukwerk dat de hogepriester op Grote Verzoendag meeneemt achter het voorhangsel, het enige wat hij meeneemt: fijngestoten (Lev. 16:12). Wat het allerheiligste binnenkomt, moet eerst fijngemalen zijn. De stem die Elia hoort, is een stem van stilte die door de molen is gegaan. Zoals graan. Zoals hij.
Wat hij hoort, is dus niet de afwezigheid van geluid. Het is een geluid dat zo ver is afgebroken dat het bijna niets meer is, en dat is precies de vorm waarin God wél komt. Niet in wat de berg scheurt, maar in wat de berg zou kunnen missen zonder het te merken.
En dan beweegt hij. “Toen Elia het hoorde, wikkelde hij zijn gezicht in zijn mantel, en ging naar buiten, en ging staan in de opening van de grot.” Nu pas. De storm kreeg hem niet overeind; de stilte wel. Hij bedekt zijn gezicht — zoals Mozes bij het braambos, omdat hij bang was te kijken. De man die zag en daarom vreesde, sluit zijn ogen voor het enige wat hij niet kan zien. En hij gaat staan in de opening — het woord dat ook mond betekent, de mond van de grot. Hij staat in de mond van de steen, met zijn ogen toe, en dan komt de vraag, en de vraag gaat over zijn mond: wat is er voor jou hier, wat is er aan jouw mond.
Hij geeft hetzelfde antwoord als daarvoor. Woord voor woord. Dat heb ik al gezegd en het blijft waar. Maar er is één ding veranderd, en dat staat niet in zijn woorden maar in zijn lichaam. Vóór de stilte lag hij. Na de stilte staat hij, in de opening, naar buiten gekeerd. Zijn zin is niet veranderd. Zijn plek wel.
Misschien is dat wat de dunne stilte doet. Ze verandert niet wat je zegt. Ze zet je overeind en in de opening, met je gezicht bedekt, en laat je daar staan met je oude zin in je mond — en van daaruit kun je naar buiten.
Na die storm, na het vuur, na de stilte, stelt God nog een keer dezelfde vraag: wat is er voor jou hier. En Elia geeft woord voor woord hetzelfde antwoord als daarvoor; 19:14 is 19:10, letterlijk. Veertig dagen, een grot, een theofanie (een zichtbare of waarneembare verschijning van God) — en de zin is niet veranderd. Hij zegt nog steeds: ik alleen. De tekst laat dat staan. God laat het staan. God geeft hem opdrachten, drie zalvingen, en zegt en passant dat er zevenduizend zijn die niet gebogen hebben. Zevenduizend tegenover alleen. De rabbijnen hebben daar iets mee gedaan wat ik alleen kan doorgeven: omdat Elia zei dat Israël het verbond had verlaten, moet hij voortaan bij elke besnijdenis aanwezig zijn, op zijn eigen stoel, om met eigen ogen te zien dat het verbond gehouden wordt. Hij die zag en vreesde, moet nu voor altijd kijken, iedere keer als er één bijkomt. Of dat een straf is of een genezing, weet ik niet. Misschien is het verschil daartussen precies wat de grot open laat.
Lees ook:
* de-piek-en-de-boom-die-brandt/
* de-slaap-en-de-aanraking/