De vreselijke schoondochter
Een vrouw zit tegenover me en vertelt dat haar 5de kind en 3de zoon te vroeg werd geboren. Zevenentwintig weken. Daarna drie maanden in de couveuse. Twee keer per dag gingen ze even kijken. De verpleegkundige had op een dag gevraagd of ze vaker konden komen. Dat kon niet — één auto, een net het familiebedrijf overgenomen.
En dan zegt ze de zin waar dit hele stuk omheen draait, zonder dat ze weet dat ze hem zegt: *hij merkte er niets van.*
Ik blijf bij die zin staan. Niet omdat hij onwaar is. Omdat hij iemand beschermt — en niet het kind.
Want neurobiologisch is het tegendeel waar, en niet een beetje. Een pasgeborene heeft geen eigen systeem om zichzelf te reguleren. Hij heeft er een nodig van buitenaf — een ander zenuwstelsel dat het zijne kalmeert, een huid die de zijne vasthoudt, een hartslag waar de zijne zich aan kan ijken. Dat is geen tederheid, dat is fysiologie. Allan Schore noemt het de stille bedrading van het rechterbrein in het eerste jaar: het kind leent het reguleringsvermogen van de moeder tot het zijn eigen vermogen heeft opgebouwd. Haal die ander weg en er gebeurt niet niets. Er gebeurt te veel. Cortisol dat niet meer omlaag wil. Een alarmsysteem dat aanstaat en aan blijft, omdat er niemand is die het uitzet. Een lichaam van net een paar weken oud dat de afwezigheid niet registreert als gemis — een baby kent het woord gemis niet — maar als iets veel ouders en kaler: als levensgevaar.
Dus de zin klopt precies omgekeerd. Hij merkte er álles van. Hij had geen schil om er niets van te merken. Hij wás de registratie.
Waarom dan die zin?
Hier moet ik niet naar het kind kijken. Ik moet naar haar kijken.
De zin is van de moeder
Stel je voor wat het is om je kind van een paar weken oud in een plastic doos te zien liggen en niet dag en nacht er bij te kunnen zijn. Maandenlang. Een verpleegkundige die je vraagt. En jij die het niet kunt — om redenen die op papier kloppen, één auto, een familiebedrijf, en die in het lichaam helemaal niet kloppen, want welk lichaam laat zich tegenhouden door een auto als zijn kind alleen ligt.
Dat is niet te voelen. Letterlijk niet. Als je dat zou voelen — de volle omvang ervan, dat je kind daar ligt te verdrinken in een stress die niemand wegneemt en dat jij de enige bent die het zou kunnen en je komt niet — dan ga je eraan onderdoor. Geen moeder overleeft dat met open zenuwen. Dus doet het systeem wat het moet doen om haar in leven te houden: het verdooft. Niet uit hardheid. Uit noodzaak.

Polyvagaal heet de onderste trap van dat verdoven de dorsale shutdown. Het is wat een zenuwstelsel doet wanneer vechten geen optie is en vluchten geen optie is en de pijn te groot is om bij bewustzijn te dragen. Dan gaat het licht uit. Niet het bewustzijn — ze functioneerde, ze regelde de auto, ze hield het gezin draaiende — maar het voelen eronder. Dat ging uit. En het ging niet vanzelf weer aan.
*Hij merkte er niets van* is de zin die over dat uitgaan heen gelegd werd. Het is geen waarneming over het kind. Het is de vorm die haar eigen niet-kunnen-voelen heeft aangenomen om leefbaar te blijven. Ze heeft het van zichzelf naar hem verplaatst. Niet *ik kon het niet voelen* — dat is ondraaglijk, dat maakt haar schuldig aan de grootste verlating die er is. Maar *hij voelde het niet* — dat maakt dat er niets te voelen viel. Als er niets te voelen viel, is er ook niets verlaten.
Dit is de wortel. En nu de wortel onder de wortel: deze ene verdoving, geboren in die maanden, is niet bij die maanden gebleven. Ze is het gezin geworden.
Hoe een freeze een huiskamer wordt
De vrouw beschreef haar leven als gelukkig. Man, 7 kinderen, groot huis, dure auto, schitterende kleding, een zeilboot, een zwembad en een hond. Ze waren nooit boos. Ze hielden niet van negativiteit, niet van negatieve verhalen. Het was altijd gezellig bij hen, in en rondom het huis.
Ik wil dat niet horen als geluk. Ik kan het niet meer als geluk horen nadat ik die andere zin heb gehoord. Want *nooit boos* is geen eigenschap. Het is een afwezigheid. Ergens is geleerd dat bepaalde gevoelens niet mogen bestaan, en die les zit zo diep dat hij nu wordt opgediend als levensvervulling.
Wat ik denk dat hier gebeurd is: de verdoving die één zenuwstelsel nodig had om de couveuse te overleven, is in dat zenuwstelsel blijven staan, en een huishouden organiseert zich altijd rond de regulatie van degene die het draagt. Een kind reguleert zich naar de moeder — dat is de bedrading van het eerste jaar, en die verdwijnt niet, die wordt het klimaat. Als de moeder het hardst aanstaat op de bovenste tonen — opgewekt, positief, geen gedoe — en het hardst dicht zit op alles eronder, dan leert het hele gezin diezelfde frequentie. Niet omdat het verboden is om boos te zijn. Er hoeft niets verboden te worden. Het is er gewoon niet. Boosheid heeft in dit huis geen vorm, geen woord, geen plek waar ze terecht kan. Ze bestaat niet, op dezelfde manier waarop een kleur die je nooit gezien hebt niet bestaat.
En dit is het probleem met een gezin dat van de onderste verdieping een deugd maakt. Het affect verdwijnt niet. Het kan niet verdwijnen — boosheid, verdriet, angst zijn lichamelijke ladingen, ze gaan ergens heen. Als ze binnen niemand mogen wonen, gaan ze buiten iemand zoeken.
Iemand moet het dragen
Vervolgens vertelde ze van de vriendin van deze zoon, die een dramaqueen lijkt te zijn. Zo negatief. Als zij een weekend mee kwam of als ze een avondje langs kwam, dan vertrokken de andere kinderen. En zaten ze altijd met zijn vieren. Ze voerde het hoogste woord. En wat nog frapanter was: ze kon uren luisteren naar de zoon, die eens een e onhoorbare baby was in een couveuse.
Ik had haar aan het begin van dit stuk kunnen zetten, want zij is het zichtbare, het gedoe, het verhaal dat de vrouw kwam vertellen. Maar zij is het minst interessante deel, en ze staat hier expres achteraan, omdat je haar pas kunt zien als je weet wat er onder haar ligt. Op zichzelf is ze niets. Als drager is ze alles.
Carl Jung noemde het de schaduw: alles wat een mens — of een gezin, of een kerkelijke gemeente — niet van zichzelf kan verdragen, wordt niet opgelost maar verplaatst. Het wordt op iemand anders gelegd. En vervolgens wordt die iemand gehaat om precies datgene wat je zelf hebt weggedaan. Het meisje is luid waar het gezin stil is. Ze is emotie waar het gezin verdoving is. Ze maakt scènes waar het gezin gladheid is. Met andere woorden: ze voelt, hoorbaar en zichtbaar en te veel, alles wat in dat huis niemand mag voelen. Ze doet de emotionele arbeid voor een heel systeem dat zijn eigen emotie heeft uitbesteed.
Daarom verlaat iedereen het huis als het even kan. Niet omdat ze ondraaglijk is. Omdat ze draagbaar maakt wat zij niet kunnen dragen, en het terugkomt in de kamer in haar gestalte, en het is te dichtbij. Ze jagen niet háár weg. Ze jagen het weg.
Bert Hellinger noemde dat al: zo’n drager hoort erbij. Dieper dan de anderen weten. Ze is geen indringer in het systeem — ze is het lid dat het verbannene vasthoudt, en daarmee is ze trouwer aan de waarheid van dit gezin dan welk ander lid ook. Ze geeft. Ze geeft het hele gezin een plek om zijn affect (gevoelens) te parkeren. En ze krijgt er minachting voor terug. De balans van geven en nemen, waar Hellinger zo op staat, staat hier volledig scheef: zij geeft het zwaarste en ontvangt het minste. Een systeem dat zo uit balans is, kraakt. Het kraakt alleen niet bij degene die de scheefheid veroorzaakt. Het kraakt bij degene die hem draagt.
Waarom hij juist op haar valt
De vrouw begreep niet hoe haar 3de zoon — de zoon uit de couveuse — op zo’n vrouw kon vallen. Hij was zo cognitief, zei ze. Geen greintje gevoel. Praatte uren over zijn werk als jurist op de Zuidas.
Ik hoor in die zin twee dingen tegelijk die zij niet samen hoort.
Het eerste: *geen greintje gevoel* is geen aard. Het is een gevolg. Een kind dat in de eerste maanden ontdekt dat voelen levensgevaarlijk is — dat de volle registratie van de afwezigheid je overspoelt en er niemand komt om je te helpen het te dragen — dat kind doet iets ingenieus en wanhopigs tegelijk. Het verhuist naar boven. Naar het hoofd. Het denken wordt de plek waar het veilig is, omdat het denken niet overstroomt zoals het voelen overstroomt. De urenlange monologen over juridische feiten zijn niet het tegenovergestelde van de wond. Ze zijn de vorm van de wond. Het is een jongen die in zijn hoofd is gaan wonen omdat zijn lichaam de eerste plek was waar hij niet kon blijven.
Het tweede: hij valt precies op háár omdat zij heeft wat hij is kwijtgeraakt. David Deida en John Gray zouden het polariteit noemen, en op het oppervlak lijkt het dat ook — de man die alleen denken is, de vrouw die alleen voelen is, die zich naar elkaar toe trekken zoals plus naar min. Maar dit is geen polariteit. Polariteit is twee hele mensen die elkaars tegendeel aantrekken. Dit is een gespleten mens die de helft die hij is kwijtgeraakt buiten zichzelf zoekt. Hij heeft zijn voelen niet bij zich. Het ligt nog in die doos. En zij draagt voelen rond als een open vlam. Natuurlijk loopt hij ernaartoe. John Welwood schreef dat we in de liefde niet onze gelijke zoeken maar onze ongeleefde helft — en dat het daarom zo’n pijn doet, want de ander draagt precies datgene waar wij niet bij kunnen. Hij zoekt in haar het gevoel dat in zijn eigen huis geen plek had. Zij is de drager van het gezin én de drager van zijn afgesneden helft, in één persoon. Dat is geen toeval. Dat is het systeem dat zijn eigen logica afmaakt.
En zijn moeder, die hem niet begrijpt, kijkt naar de enige die hem precies past, en noemt haar abnormaal.
Wat er niet gesloten werd
Aan het eind lachte ze. Ze kwam gewoon voor een vraag of je invloed mocht uitoefenen op je schoonkind. Ze vond me een interessant mens. Ze had niet gedacht dat dit eruit zou komen.
Het is het systeem dat zich sluit, met humor als cement. Een systeem zonder innerlijk conflict. Glad, sluitend, zonder breuk. Niet omdat het zo heel is, maar omdat het nog nooit uiteen heeft gemogen.
Want wat bijna niemand wil horen dat, zoals Dabrowski zegt: de breuk de groei is. Dat een mens, of een gezin, pas verder komt door uiteen te vallen — door het gladde te laten kraken, het conflict toe te laten, het ongevoelde te voelen. Positieve desintegratie. Het woord positief staat er niet voor de troost. Het staat er omdat het instorten van de oude orde de enige weg naar een diepere is.
Een systeem dat zich heeft moeten sluiten, opent zich niet omdat iemand aan de buitenkant gelijk heeft. Het opent zich, als het zich opent, van binnenuit, op zijn eigen onmogelijke tempo, meestal pas wanneer het sluiten meer kost dan het kraken.
Wat ik wel weet is dit. Ergens ligt nog steeds een zin te wachten om gevoeld te worden in plaats van weggelegd. Niet hij merkte er niets van. De andere. De ware. De zin die zegt: ik kon niet komen, en hij lag daar, en ik heb het moeten wegdoen om te kunnen blijven leven. Zolang die zin niet gevoeld is, moet iemand het dragen. Een zoon in zijn hoofd. Een meisje dat in een huis niet welkom is. En zolang zij het dragen, hoeft niemand het te voelen — en blijft het waar.

