De waarnemer die onderdeel wordt van het veld
Dit artikel had ik niet willen schrijven.
Niet omdat het ongemakkelijk is. Maar omdat ik dacht dat ik buiten het veld stond.
Ik schreef een drieluik over dynamieken, zoals ik zoveel dynamieken beschrijf. Dynamieken tussen ouders en volwassen kinderen. In een relatie. In leidinggevende situaties bij familiebedrijven. In de hulpverlenende rol van predikanten en zorgverleners. Dynamieken die gaan over redders en slachtoffers. Over systemen die zichzelf beschermen. Over de kloof tussen intentie en impact.
Ik beschrijf alle kanten. Ik analyseer alle lagen. Ik kies geen kant.
Meerzijdig partijdig — dat is mijn werkwijze. Altijd.
Maar er is iets wat ik in die eerste drie artikelen nog niet benoemde.
Iets wat eronder ligt.
In elke intensieve relatie waar iets misgaat — pastoraal, therapeutisch, in de coaching, in de liefde — spelen altijd twee onbewuste processen tegelijk.
Bij de redder. En bij degene die geholpen wordt.
Overdracht en tegenoverdracht.
Een vrouw die vroeger niet beschermd werd, zoekt onbewust die bescherming bij haar predikant. Hij voelt zich aangetrokken tot haar kwetsbaarheid — niet per se seksueel, maar existentieel. Hij wil redden wat hij vroeger niet kon redden. In haar. Of in zichzelf.
Niemand liegt. Niemand manipuleert.
En toch ontstaat er iets dat later als grensoverschrijding kan worden ervaren.
Een cliënt die jarenlang alleen stond, ervaart de warme betrokkenheid van zijn coach als vriendschap. Hij deelt meer dan in een professionele relatie past. Hij belt buiten sessies. Hij verwacht wederkerigheid, gelijkwaardigheid.
De coach voelt het. Maar benoemt het niet. Want ze wil er zijn. Ze wil niet afwijzen.
Dat is ook overdracht. Van de andere kant.
Beiden zijn oprecht.
En toch ontstaat er iets dat later als teleurstelling, of als grensoverschrijding, wordt ervaren.
Ik kom dit tegen bij predikanten. Bij therapeuten. Bij coaches. Bij mijzelf.
De behoefte om te helpen is oprecht. De roeping is echt. En toch — juist in die oprechtheid — kan iets ontstaan wat niemand bedoelde.
Juist wie het diepst betrokken is, loopt het grootste risico het niet te zien.
Dat is precies waarom supervisie geen protocol is.
Geen verplichting. Geen teken van zwakte.
Het is de enige plek waar je de vraag kunt stellen die je jezelf niet kunt stellen.
Wat activeerde dit in mij? Voor wie deed ik dit eigenlijk?
Daarom zie ik maandelijks mijn eigen coach. Niet omdat ik het niet kan. Maar omdat ik ook mijn eigen valkuilen heb.
En daarom ga ik het gesprek aan als een cliënt boos op me is. Teleurgesteld. Afstandelijk. Gekwetst. Veeleisend. Of juist té dankbaar.
Ik verdedig me niet als eerste.
Ik onderzoek mezelf eerst.
Wat raakte dit in mij? Waar herken ik dit? Wat is mijn aandeel?
Pas als ik mijn eigen tegenoverdracht heb onderzocht, kan ik eerlijk kijken of er iets te weerspreken valt.
Soms is er iets te weerspreken. Maar dat weet ik pas daarna.
Om deze dynamieken zichtbaar te maken, meer onder de aandacht te brengen, schreef ik drie artikelen:
Deel I – De dynamiek van de “goede redder” liet zien hoe helpen begint in iets goeds. In oprechtheid. In roeping. En hoe juist dat de valkuil is. Niet de kwade wil. De blinde vlek.
Deel II – De kwetsbaarheid van de redder zelf liet zien wat er gebeurt in de helper zelf als hij wordt aangesproken op zijn impact. Hoe schaamte hem kan laten verdedigen in plaats van luisteren. Hoe identiteit en roeping zo verweven raken dat kritiek voelt als een aanval op zijn bestaan.
Deel III – Van verdedigingsreactie naar destructieve dynamiek liet zien hoe een systeem — een kerk, een organisatie — niet neutraal luistert. Niet omdat het kwaadwillig is. Maar omdat beide kanten een waarheid hebben én een valkuil. De redder heeft oprechtheid én blinde vlek. Degene die zich gekwetst voelt heeft echte pijn én mogelijk overdracht. Een volwassen systeem — een vertrouwenscommissie, een kerkenraad, een klachtencommissie, een raad van toezicht, een mediator — zou de ruimte moeten zijn waar beide waarheden tegelijk onderzocht worden. Zonder te kiezen. Zonder winnaar.
Want het gaat niet om wie er gelijk heeft.
Het gaat om wat er onder de waterlijn speelde.
Bij de redder. Bij degene die zich gekwetst voelt. Bij het systeem dat moest ingrijpen.
Boven de waterlijn zie je het gedrag. De aanraking die verkeerd viel. Het gesprek dat te ver ging. De procedure die niet klopte.
Onder de waterlijn zie je de dynamiek. De behoefte die de redder niet kende in zichzelf. De overdracht die de cliënt meebracht zonder het te weten. Het systeem dat koos zonder te beseffen dat het koos.
Pas als die lagen zichtbaar worden — bij allen — kan ieder zijn eigen aandeel nemen.
En pas dan wordt duidelijk of er berecht moet worden.
Soms is dat zo.
Maar soms lost er iets op zodra beide kanten zien in welk veld ze stonden.
Dat wilde ik in de drie artikelen zichtbaar maken.

Enkele weken later viel me een casus in de schoot. Een reconstructie in een krant. Ik zag daarin precies de dynamieken die ik beschreven had — en probeerde ze daaraan zichtbaar te maken.
Niet omdat ik aannam dat die reconstructie de waarheid was.
Maar omdat het een voorbeeld was. Een spiegel.
Wat ik niet voorzag: een voorbeeld met namen en een kerk is nooit alleen een voorbeeld.
Enkele weken later viel me een casus in de schoot. Een reconstructie in een krant. Ik zag daarin precies de dynamieken die ik beschreven had — en probeerde ze daaraan zichtbaar te maken. Niet omdat ik aannam dat die reconstructie de waarheid was. Maar omdat het een voorbeeld was. Een spiegel.
Wat ik niet voorzag: ik werd bewijs.
Slachtoffers schreven me: zie je wel. Dit is het. Wij hebben gelijk.
Ik was verbaasd. Want dat had ik niet gezegd.
Ik had dynamieken beschreven. Zij lazen een uitspraak.
En precies daar — in dat verschil — speelde zich opnieuw af wat ik had beschreven.
Intentie en impact liepen uiteen.
Ook bij mij.
Ik reageerde niet. Want ik dacht: hoe kan ik verkeerd begrepen worden? Ik heb toch beide kanten laten zien?
Dat was mijn blinde vlek.
Ik dacht dat meerzijdigheid zichtbaar is voor iedereen. Dat wie zorgvuldig schrijft, zorgvuldig gelezen wordt.
Maar mensen lezen niet vanuit mijn intentie. Ze lezen vanuit hun pijn. Vanuit hun strijd. Vanuit wat ze al weten en al voelen.
In een conflict zoekt iedereen bevestiging.
Ik bood een analyse. Zij zochten een bondgenoot.
Ik dacht: ik beschrijf het veld.
Maar ik stond er al in.
Ook van de andere kant kreeg ik een reactie.
Een hulpverlener die zelf het jaar daarvoor in een vergelijkbare situatie had gezeten, schreef me. Vriendelijk. Maar direct.
Zij vroeg: het artikel in het ND is één kant van het verhaal. Kun jij op basis van die ene kant deze casus behandelen? Ze wist uit eigen ervaring hoe het voelt als je veroordeeld wordt op basis van één krantenartikel.
Ik appte haar: “Ik beoordeel niet de casus. Ik wilde juist aan de hand van dit voorbeeld alle kanten laten zien. De dynamieken. Niet de schuld.”
Maar ook dat was mijn blinde vlek.
Want een voorbeeld met een naam is nooit alleen een voorbeeld.
Beiden lazen wat ze wilden zien.
En ik zat er middenin. Zonder het te weten.
Want een dynamiek van daders en slachtoffers maakt altijd nieuwe slachtoffers en nieuwe daders.
Steeds opnieuwc. Een perpetuum mobile van pijn.
Wat doorbreekt een perpetuum mobile?
Niet het oordeel. Niet de procedure. Niet wie er wint.
Alleen dit: dat iedereen bereid is te kijken naar zijn eigen aandeel.
De redder naar zijn blinde vlek.
Degene die zich gekwetst voelt naar zijn overdracht.
Het systeem naar zijn onbewuste keuze.
En de waarnemer naar haar eigen veld.
Pas dan stopt de cirkel.
Lees ook:
Deel I – De dynamiek van de “goede redder”
Deel II – De kwetsbaarheid van de redder zelf
Deel III – Van verdedigingsreactie naar destructieve dynamiek
CASUS – Hoe de kerk niet koos voor slachtoffers. Wat ging er mis in de zaak rond dominee Paul Visser?
Deel V – De waarnemer die onderdeel wordt van het veld