Het brood van de derde hemel
2 Korinthe 2:2-4, als onderlaag van 12:9-10
2 Ik ken een mens in Christus, veertien jaar is het geleden – of het in het lichaam gebeurde, weet ik niet; of buiten het lichaam, weet ik niet; God weet het – dat zo iemand tot in de derde hemel werd opgenomen.
3 En ik weet van deze mens – of het in het lichaam of buiten het lichaam gebeurde, weet ik niet; God weet het –
4 dat hij werd opgenomen in het paradijs en onuitsprekelijke woorden heeft gehoord, die het een mens niet is geoorloofd uit te spreken.
“Ik ken een mens in Christus.” Paulus begint het verhaal over zijn hemelreis in de derde persoon. Pas in vers 7 wordt het weer ‘ik’, en dat is precies waar de doorn binnenkomt. De man die opgenomen werd, heeft geen voornaamwoord van de eerste persoon. De man die geslagen wordt, wel. Het ‘ik’ ontstaat in dit verhaal op de plek van de wond.
Tussen die twee zegt hij twee keer, bijna woordelijk: “of het in het lichaam was, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het.” Een farizeeër die de Thora kende tot op de letter, die “onberispelijk” was naar de wet (Filippenzen 3:6), herhaalt een zin waarin hij toegeeft dat hij niet weet waar hij was. Het is het enige wat hij twee keer vertelt. Het visioen zelf vertelt hij niet.
“Veertien jaar geleden.” In de Hebreeuwse letterwaarde is veertien jad: hand. Bij Ezechiël is dat het vaste woord voor wat de profeet overkomt voordat hij iets ziet: “de hand van de Eeuwige kwam over mij” (Ezechiël 1:3, 8:1, 37:1), en daarop volgt de wagen, het dal met de beenderen, het tempelvisioen. Paulus dateert zijn opname met het getal van de hand die grijpt. Hij werd weggerukt, zoals een roofvogel een prooi grijpt. Hij ging niet. Hij werd genomen.
Waarom de derde hemel?
De Talmoed kent zeven hemelen en geeft ze namen (Chagiga 12b). De derde heet Sjechakim. De wortel sj-ch-k betekent: fijnmalen, verpulveren. En de Talmoed zegt wat daar gebeurt: in Sjechakim staan molenstenen die manna malen voor de rechtvaardigen. Andere joodse teksten uit de tijd van Paulus leggen het paradijs precies daar, in de derde hemel. Paulus zegt het ook: opgenomen tot in de derde hemel, opgenomen in het paradijs. De twee zinnen beschrijven één plek.
Paulus werd dus meegenomen naar de plek waar het hemelse brood gemalen wordt. En wat hij daar krijgt, is geen brood. Hij krijgt een doorn en een zin: het is genoeg.
Het manna in de woestijn had één eigenschap die alle verhalen erover beheerst: het was nooit meer dan genoeg. “Wie veel verzameld had, had geen overschot, en wie weinig verzameld had, had geen tekort” (Exodus 16:18). Wie het toch bewaarde voor morgen, vond de volgende ochtend wormen. Het brood van de hemel liet zich niet opslaan. Het moest elke dag opnieuw van de grond geraapt worden.
En Paulus citeert dat vers. In déze brief. In 2 Korinthe 8:15, vier hoofdstukken eerder, als hij de gemeente vraagt om geld voor de armen in Jeruzalem: “Wie veel had, had geen overschot, en wie weinig had, had geen tekort.” Hij kent de woestijnlogica van ‘genoeg’ en hij heeft haar in deze brief al opgeschreven voordat hij bij zijn eigen doorn aankomt. Het genade van hoofdstuk 12 is manna-taal. Het is genade die niet bewaard kan worden, die niet kan worden opgespaard tegen de volgende aanval van de engel met de vuisten. Je krijgt haar voor vandaag, op de grond, en morgen moet je weer bukken.
Dat verandert de betekenis van zijn gebed. Driemaal vroeg hij om de doorn weg te nemen. Wat hij eigenlijk vroeg, was een voorraad: een toestand waarin hij niet meer elke dag hoefde te ontvangen. Het antwoord weigert hem de voorraad en geeft hem de dagelijkse gave.
Wie in die tijd over de pardes sprak, riep één verhaal op. Vier gingen er binnen: Ben Azzai, Ben Zoma, Elisja ben Abuja, en rabbi Akiva (Chagiga 14b). Dat verhaal is later opgeschreven dan Paulus leefde, maar het draagt een traditie die ouder is, en het verhaal zelf staat in de Mishna direct na een waarschuwing: wie kijkt naar wat boven is en wat beneden, wat ervoor was en wat erna komt, voor die was het beter geweest als hij niet geboren was. De stof van de hemelreis mag je niet uitleggen, zegt de Mishna, zelfs niet aan één leerling, tenzij hij een wijze is die uit zichzelf begrijpt.
Paulus houdt zich daaraan. Hij hoorde woorden die een mens niet vrij is om uit te spreken. Hij beschrijft de toegang, de ervaring van het weggerukt worden, en zwijgt over de inhoud. Hij doet precies wat van een ingewijde verwacht werd.
Van de vier zegt de Talmoed wat er met ieder gebeurde, en bij drie van hen geeft ze een Schriftvers.
* Ben Azzai keek en stierf. Daarbij staat: “Kostbaar in de ogen van de Eeuwige is de dood van zijn getrouwen” (Psalm 116:15). Hij kwam niet terug. Het zien trok hem helemaal naar zich toe.
* Ben Zoma keek en werd getroffen; hij verloor zijn verstand. Daarbij staat Spreuken 25:16: “Heb je honing gevonden, eet wat je genoeg is, opdat je er niet te veel van krijgt en het uitbraakt.”
Dajjecha. Wat voor jou genoeg is. De man die in het paradijs zijn verstand verloor, verloor het omdat hij de grens van ‘genoeg’ niet herkende. Het woord dat in 2 Korinthe 12:9 in het Grieks staat, staat in het oudste Hebreeuwse verhaal over de paradijsreis als de grens waarop een mens krankzinnig wordt. Voor Ben Zoma was ‘genoeg’ de grens die hij overschreed. Voor Paulus is ‘genoeg’ het antwoord dat hij krijgt. Het is hetzelfde woord, gezien van beide kanten van de grens.
Dan zou je kunnen zeggen dat de doorn Paulus behoedde voor het lot van Ben Zoma. Dat hij net genoeg honing kreeg, en het zout van de wond erbij, zodat hij niet zou uitbraken wat hij gezien had. Het opdat ik mij niet zou verheffen, krijgt dan een bijna klinische betekenis: opdat ik niet uit mijzelf zou worden getild zonder terug te kunnen.
* De derde, Elisja ben Abuja, “hakte de planten om”. De rabbijnen noemden hem daarna alleen nog Acher, de Ander. Wat hij zag, staat een bladzijde verder (Chagiga 15a). Hij zag in de hemel Metatron zitten, de engel die de verdiensten van Israël opschrijft. En omdat in de hemel niemand zit behalve God, concludeerde hij: “Misschien zijn er twee machten in de hemel.” Dat werd zijn afval.
Hier wordt het ongemakkelijk. Van alle mensen die in de eerste eeuw verkondigden dat er naast de Eeuwige een tweede gestalte in de hemel is, die zit aan de rechterhand, was Paulus een van de meest uitgesprokene. Vanuit de rabbijnse verhalen gezien lijkt hij verdacht veel op Acher. Wat hij “in Christus” zag, is precies wat in het pardes-verhaal de ondergang was.Maar de Talmoed vertelt verder. Toen Acher Metatron had zien zitten, haalden ze Metatron naar voren en sloegen hem met zestig slagen van vuur, pulsej denura. Om te laten zien dat hij geen macht van zichzelf was. De tweede gestalte in de hemel wordt geslagen om zichtbaar te maken dat hij niet zelfstandig is.
In 2 Korintiërs wordt de man die het paradijs zag, geslagen, door een engel. En in het lijdensverhaal wordt de Gezalfde geslagen, met hetzelfde woord, in het huis van de hogepriester. Drie gestalten die geslagen worden: de engel die zat, de Messias die zich de Zoon noemde, de apostel die boven werd opgenomen. Bij alle drie gaat de slag over dezelfde vraag: bezit hij iets wat van hemzelf is?
Acher trok uit wat hij zag de conclusie dat er twee machten zijn. Paulus trekt uit wat hem overkwam de conclusie dat de kracht niet van hem is. Dat is misschien het precieze verschil tussen hen. Beiden zagen een tweede in de hemel. Acher zag een macht. Paulus zag iemand die geslagen werd, en herkende zich daarin.
Ik weet niet of Paulus dit verhaal over Metatron kende. Ik weet niet of de rabbijnen die het later opschreven, aan de christenen dachten. Het verband ligt er, en het is niet aan mij om het dicht te trekken.
* Alleen Akiva “ging binnen in vrede en ging uit in vrede”. Van hem wordt ook een waarschuwing aan de anderen overgeleverd: wanneer je komt bij de stenen van zuiver marmer, zeg dan niet “water, water”, want er staat: “wie leugen spreekt, zal niet bestaan voor mijn ogen” (Psalm 101:7). De hemel ziet eruit als iets wat hij niet is. Wie benoemt wat hij denkt te zien, spreekt al onwaarheid.
Dat is misschien de reden waarom Paulus twee keer zegt dat hij niet weet of hij in het lichaam was of erbuiten. Hij weigert het marmer water te noemen. Hij spreekt alleen uit wat hij zeker weet: dat hij genomen werd, en dat hij iets hoorde wat hij niet mag zeggen. De rest laat hij aan God. Dat is de houding van Akiva, niet die van Ben Zoma.
Maar de vrede waarmee Akiva uit de pardes kwam, was geen onschendbaarheid. Hij stierf als martelaar onder de Romeinen. Zijn vlees werd met ijzeren kammen opengehaald, en terwijl dat gebeurde reciteerde hij het Sjema (Berachot 61b – “Hoor, Israël: de HEER is onze God, de HEER is de enige!” (Deuteronomium 6:4)). Zijn leerlingen vroegen: rabbi, zelfs nu? En hij zei: mijn hele leven heb ik mij zorgen gemaakt over dat woord, “met heel je ziel”, ook als Hij je ziel neemt. Wanneer zou ik het kunnen vervullen? Hij rekte het laatste woord één, tot zijn adem ermee uitging.
De enige die heelhuids uit het paradijs kwam, kwam niet heelhuids uit de wereld. Zijn vrede bestond uit een vervulling die pas mogelijk werd op de plek waar zijn vlees werd opengereten. Paulus zou het woord herkennen: de kracht wordt voltooid. Wat Akiva zijn hele leven niet kon waarmaken, werd waargemaakt in de ijzeren kammen.
Wie in vrede uit de pardes komt, draagt geen visioen mee naar buiten. Hij draagt een grens mee. Ben Azzai had geen grens en stierf erin. Ben Zoma had geen grens en werd waanzinnig. Acher had geen grens en maakte van wat hij zag een tweede god. Paulus kreeg zijn grens in zijn vlees gestoken.
Blijft de vraag die ik niet kan beantwoorden. Paulus zag iets waar de hemelse molenstenen het brood malen, en kreeg daarvan niets mee dan een zin en een staak. Was de doorn de prijs die hij betaalde om terug te mogen, of was hij de manier waarop het gemalen brood hem bereikte, fijngemaakt tot iets wat een mens kan verdragen? Sjechakim: waar gemalen wordt. Misschien werd daar ook Paulus zelf gemalen. De molen staat in de derde hemel, maar het meel valt op aarde, in het vlees, elke ochtend opnieuw, en niet meer dan genoeg.
LEES VERDER: wat-gegeven-wordt-en-waar/
en wat-genoeg-is/
