Wat gegeven wordt, en waar
2 Korintiërs 12:7, als onderlaag van 12:9-10
7 En opdat ik mij door het allesovertreffende karakter van de openbaringen niet zou verheffen, is mij een doorn in het vlees gegeven, een engel van de satan,
(Job 2:6) om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen.
“Mij werd gegeven.” Paulus zegt niet wie gaf. Het is een passivum, en in het Grieks van joodse schrijvers is dat een bekende manier om God als handelende te noemen zonder de Naam uit te spreken. Wie gaf, blijft onuitgesproken, zoals de woorden in het paradijs. Het werkwoord is het gewone woord voor een geschenk. Met dezelfde vorm spreekt het Nieuwe Testament over de genadegaven, over wat van boven komt.
En dan, in dezelfde adem, zonder overgang: een boodschapper van de satan. Het geschenk heeft de afzender van de tegenpartij. Paulus laat de twee naast elkaar staan en verzoent ze niet.
Voor wie in de Hebreeuwse Bijbel leefde, was die combinatie minder vreemd dan voor ons. Ha-satan is in Job een lid van het hemelse hof, een van de zonen van God die zich komen melden. Hij heeft een functie: tegenwerken, beproeven, de vraag stellen die niemand wil horen: “Is het voor niets dat Job God vreest?” Hij kan niets zonder toestemming. En als hij toestemming krijgt, gaat het over het vlees. “Raak zijn gebeente en zijn vlees aan”, zegt de satan, en God antwoordt: “Zie, hij is in jouw hand; alleen, spaar zijn leven” (Job 2:5-6). Waarop Job wordt geslagen met zweren, van zijn voetzool tot zijn kruin.
De satan mag aan het vlees komen, niet aan de nefesj. Er is een grens, en die grens wordt door een ander getrokken dan door de satan zelf.
De Talmoed legt die grens in een getal. Ha-satan, heeft de getalswaarde 364 (Joma 20a). Een zonnejaar heeft 365 dagen. Op 364 dagen heeft de aanklager toestemming om aan te klagen; op één dag niet, Jom Kippoer, de dag van de verzoening. Zijn macht is precies één dag te kort om het hele jaar te omvatten. Wie tegenwerkt, werkt binnen een tijd die hem is toegemeten.
Dan zijn naam zelf: sjin, tet, nun. De tet komt in de Thora voor het eerst voor in het woord tov, goed: “en God zag het licht, dat het goed was” (Gen. 1:4). De letter van het eerste ‘goed’ zit in het midden van de naam van de tegenstander, ingesloten door de andere twee. Ik weet niet wat dat bewijst. Het staat er.
Er is een plek in de Thora waar een engel van de Eeuwige zelf satan wordt genoemd. Bileam rijdt op zijn ezelin naar Moab, op weg om Israël te vervloeken. “En de engel van de Eeuwige ging op de weg staan, als een satan tegen hem” (Num. 22:22). Een tegenstander op de weg, gezonden door God.
De ezelin ziet de engel. Bileam niet. Driemaal wijkt het dier af: het veld in, tegen een muur aan waarbij Bileams voet wordt geklemd, en ten slotte gaat het liggen. Driemaal slaat Bileam de ezelin. Dan opent God de mond van het dier, en daarna de ogen van Bileam, en hij ziet de engel met getrokken zwaard. De engel zegt: “Zie, ik ben uitgegaan als satan, omdat de weg voor mijn aangezicht verkeerd was.” En dan: “Als zij niet voor mij was uitgeweken, dan had ik jou nu gedood” (Numeri 22:32-33).
De satan op de weg was de bescherming van zijn leven.
Bileam is in de Thora de heidense ziener bij uitstek. Hij noemt zichzelf “de man met het geopende oog”, die “het gezicht van de Almachtige aanschouwt, neervallend, met ontsloten ogen” (Numeri 24:3-4). Een visionair die neervalt als hij ziet. Een man die toegang heeft tot wat boven is, en die op weg is om die toegang te gebruiken voor zijn eigen doel. Hij wordt tegengehouden door een tegenstander die God zelf gestuurd heeft. Het verhaal gaat over driemaal slaan. De ogen gaan pas open na de derde slag.
Paulus, de ziener die werd weggerukt tot in de derde hemel, bidt driemaal en wordt geslagen door een boodschapper van de tegenstander. Bij Bileam werd een ander geslagen, en de ziener was degene die sloeg. Bij Paulus is de ziener zelf het dier geworden dat de klappen krijgt. Hij is degene die niet verder kan op de weg die hij zou willen gaan.
Misschien is dat de omkering die het hele verschil maakt. Bileam sloeg wat hem tegenhield. Paulus laat zich slaan en ontdekt dat het tegenhouden tegelijk een gave is. De engel die als satan uitgaat, gaat uit omdat de weg verkeerd was. Paulus zegt het zelf in vers 7, tweemaal: opdat ik mij niet zou verheffen. De weg omhoog was de verkeerde weg geworden, en er ging een satan op staan.
Wat betekent het van binnenuit, iets als vreemd te ervaren, als van de tegenstander, en tegelijk te weten dat het je gegeven is? Je zou kunnen zeggen dat het afgesplitste deel van de ziel altijd als vijand verschijnt tot het herkend wordt.
Maar het angstige in dit vers is dat de weigering en het geschenk dezelfde handeling zijn. Paulus vraagt God de satan weg te nemen, en God geeft de satan niet terug aan de tegenstander. Hij laat hem waar hij is. De vijand hoort nu bij de gave. Een mens die dat hoort, verliest de mogelijkheid om het kwaad in zijn leven buiten God te plaatsen. Er is geen plek meer waar hij het kan wegzetten als ‘niet van God’. De doorn komt uit dezelfde hand als de opname in het paradijs. Het getal veertien, de hand, geldt voor allebei.
Dat is wat Job ook niet kon verdragen, en waarom hij liever aanklaagde dan troost ontving. De vrienden hadden een verklaring. Job wilde het gezicht zien van degene die hem sloeg.
Dan de tweede laag: de plek in het vlees.
In de verzen daarvoor gebruikt Paulus een ander woord. “Of het in het lichaam was, weet ik niet”. Bij de doorn wordt het anders. Bij Paulus zijn dat twee verschillende werkelijkheden. Het ene is het lichaam als geheel van de persoon, datgene wat in 1 Korintiërs 15 zal opstaan als een geestelijk lichaam. Het abdere is het vlees in zijn broosheid: het deel dat vergaat, dat pijn doet, dat kwetsbaar is. “Wij leven wel in het vlees”, schrijft hij in hoofdstuk 10:3, “maar wij strijden niet naar het vlees.”
Over het lichaam weet Paulus niets zeker: waar het was, of het meeging. Over het vlees weet hij precies waar hij is. Daar steekt het. Het is een open vraag. De vlees is een adres. Het vlees is waar een mens nooit twijfelt of hij er is.
Waar komt het beeld van de doorn vandaan? In de Griekse vertaling van de Thora komt het woord voor bij het einde van de woestijntocht. Mozes zegt tegen het volk dat het land gaat binnentrekken: “Als u de bewoners van het land niet voor u uit verdrijft, dan zullen zij die u laat overblijven tot doornen zijn in uw ogen en tot prikkels in uw zijden” (Num. 33:55). De doorn is wat niet verdreven is. Wat bleef wonen in het beloofde land, ook nadat het veroverd was.
Voor Paulus is het beloofde land bereikt, voor zover een mens dat kan: hij was in het paradijs. En er blijft iets over dat niet verdreven wordt. Het woont bij hem in het land.
Het gewone Hebreeuwse woord voor doorn is kots. Het komt in de Thora voor het eerst voor bij de verdrijving uit de hof: “Doornen en distels zal de aardbodem voor u doen opschieten” (Gen. 3:18). De eerste doorn staat buiten het paradijs, op de akker waar een mens in het zweet van zijn aangezicht zijn brood eet. Paulus neemt een doorn mee terug uit het paradijs, en het is de doorn van de akker.
Kots heeft in de joodse traditie nog een betekenis. Het is de punt aan een letter. Kotso sjel jod, de punt van de jod: het kleinste streepje aan de kleinste letter, de eerste letter van de Naam. In de mystiek raakt dat punt aan het hoogste, aan wat boven alle letters uitgaat. En er is een verhaal over precies die punten (Menachot 29b). Mozes gaat naar de hemel en ziet God kroontjes knopen aan de letters van de Thora. Hij vraagt waarvoor. God zegt: er zal een man komen die uit elke kots stapels op stapels wetten zal afleiden. Mozes mag hem zien, zit achter in Akiva’s leerhuis en begrijpt er niets van. Later vraagt hij wat het loon van zo’n man zal zijn, en hij krijgt te zien hoe Akiva’s vlees op de markt gewogen wordt. Mozes roept: “Is dit de Thora, en is dit haar loon?” En hij krijgt als antwoord: “Zwijg. Zo is het in mijn gedachte opgekomen.”
Een vraag omhoog, over het vlees, en een antwoord dat niet uitlegt. Het is een zin die blijft staan. Mozes krijgt geen verklaring. Hij krijgt te horen dat het zo gedacht is.
Ik weet niet of Paulus bij zijn doorn aan de punt van de jod dacht. In het Hebreeuws liggen ze in één woord: de doorn van de akker buiten het paradijs, en het kleinste punt van de Naam, waar het hoogste de letter raakt.
Het Hebreeuwse woord voor vlees is basar. Van dezelfde wortel komt besora, goed bericht, en mevaser, degene die goed nieuws brengt. Het woord dat de Griekse vertaling weergeeft met ‘het evangelie waarvoor Paulus leefde’, deelt in de taal van zijn vaderen de medeklinkers met het vlees.
De boodschap en het vlees zijn in het Hebreeuws verwant. De satan is een boodschapper, en hij komt in de basar. Zijn boodschap staat in het vlees geschreven, waar ook het goede bericht woont. Wat Paulus verkondigt en wat hem kwelt, gebruiken dezelfde letters.
Job, die geslagen werd in zijn vlees met de toestemming die de satan kreeg, zegt op het dieptepunt iets wat vertalers al eeuwen verdeeld houdt: En als zij na mijn huid dit doorknaagd hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen. (Job 19:26). Het kan betekenen: “zonder mijn vlees zal ik God zien”, na de dood, als het vlees vergaan is. Het kan ook betekenen: “vanuit mijn vlees zal ik God zien.” Van binnenuit, door de zweren heen, uit het vlees dat geslagen is.
Paulus zag God buiten het lichaam, of erin; hij wist het niet. Wat hij daarna zag, zag hij vanuit zijn vlees, met een doorn erin. Welke van de twee het diepere zien was, zegt hij niet. Hij zegt alleen dat hij van het eerste niets mag vertellen, en dat hij over het tweede roemt.
Wat is er ‘dus’ over die doorn en genade te zeggen:
Kijk wat er precies staat: “Mijn genade is u genoeg.” De genade is het woord dat gesproken wordt, de kracht die als een tent neerstrijkt. De doorn blijft tot het einde toe een boodschapper van de satan. Paulus noemt hem nergens genade. Hij houdt ze uit elkaar. De genade is genoeg in het lijden; het lijden wordt daardoor niet zelf genade. Wie die twee samenvoegt, maakt van de engel van de satan een engel van God, en dat doet Paulus juist niet.
De Bijbel heeft een uitgesproken oordeel over mensen die andermans lijden als goddelijk bedoeld verklaren. De vrienden van Job doen dat, hoofdstuk na hoofdstuk, met veel vrome en verstandige zinnen. Aan het einde zegt God tegen hen: “U hebt over Mij niet juist gesproken, zoals mijn knecht Job” (Job 42:7). Job, die aanklaagde, tegensprak en eiste God in het gezicht te zien, sprak juist. De vrienden, die het lijden inpasten in Gods bedoeling, spraken onjuist. Dat is het scherpste wat de Schrift over dit onderwerp zegt.
Waar het verschil zit, is de grammaticale persoon. Paulus spreekt in de eerste persoon: ik roem in mijn zwakheden. Hij zegt het achteraf, nadat hij driemaal gebeden heeft en een antwoord heeft gekregen. Hij zegt het als nar. En het gaat over een specifieke reeks: smaad, vervolging, benauwdheid “om Christus’ wil”, in het kader van zijn zending. Een belijdenis van iemand die er doorheen ging, over zijn eigen vlees.
Zodra dezelfde zin in de derde persoon wordt uitgesproken, over een ander, verandert hij van aard. “Jouw lijden is genade” is de theologie van de vrienden van Job. Het wordt gezegd door iemand die buiten de pijn staat, en het beschermt vooral hem: hij hoeft de gruwel niet te erkennen, want er zit al een betekenis op.
En het wordt ook een leugen als het vooraf gezegd wordt, voordat iemand zelf iets gevonden heeft. Dan sluit het de ontdekking af. Paulus kon pas zeggen wat hij zei na drie keer smeken en een nee. Wie die weg overslaat, slaat ook het erkennen over van wat er werkelijk is gebeurd: dat iemand iets kreeg wat hij niet nodig had, of niet kreeg wat hij wel nodig had. Dat moet eerst gezien worden als wat het was. Als verlies, als schade.
Wat wel waar kan zijn, is dit: dat een mens in zijn lijden iets kan ontvangen wat hem genoeg is. Dat is een mogelijkheid, geen wet. En alleen hij zelf kan achteraf zeggen of het zo was.
LEES OOK: wat-genoeg-is/ en het-brood-van-de-derde-hemel/
