Wat genoeg is
2 Korinthe 12:9-10
9 Maar Hij heeft tegen mij gezegd: Mijn genade is voor u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Daarom zal ik veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij komt wonen.
10 Daarom heb ik een behagen in zwakheden, in smadelijke behandelingen, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil. Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik machtig.
“Mijn genade is u genoeg.” In het Grieks staat het werkwoord vooraan. Voordat er iets over genade gezegd wordt, staat er eerst: het volstaat. De inleidende woorden hebben een tijdsvorm die in vertalingen wegvalt. Paulus schrijft niet dat de Heer iets zei. Hij schrijft een perfectum (voltooid tegenwoordige tijd (VTT). Het Griekse VTT legt het gewicht op het blijvende resultaat in het heden: het is gezegd en het staat er nog. De Nederlandse VTT kan dat dragen, maar wordt in gewone taal vaak gebruikt voor iets wat gewoon voorbij is (“ik heb gisteren gebeld”). Het Grieks is daarin strenger. Het zegt eigenlijk: het woord is gesproken en werkt nu nog. Iets is uitgesproken en blijft uitgesproken.
Het antwoord op drie keer smeken – in vers 8 ‘Hierover heb ik de Heere driemaal gesmeekt dat hij van mij weg zou gaan.’ – waait niet weg. Het ligt er nog op het moment dat hij schrijft, veertien jaar na de hemelreis waarover hij net heeft verteld.
Genoeg heeft een oudere laag dan ‘volstaan’. Het woord is verwant aan het Latijnse woord dat betekent: insluiten, afweren, een grens trekken. En aan de kist. Met dat woord noemt de Vulgaat de ark van Noach. Wat volstaat, is oorspronkelijk wat stand houdt en omsluit: een wand waarbinnen iets bewaard blijft terwijl buiten het water stijgt.
In het Hebreeuws kan dat geen toeval blijven. Genade is chen: chet en nun. Noach is נֹחַ: nun en chet. Het zijn dezelfde twee letters, omgekeerd. “Maar Noach vond genade in de ogen van de HEERE.” (Gen. 6:8). De man die in de ark de vloed doorkomt, draagt de genade in spiegelschrift in zijn naam. Beide woorden hebben de getalswaarde 58. De chet is 8, het getal voorbij de zeven dagen van de natuur, de dag die niet meer in de week past. De nun is 50, de vijftigste poort van het begrijpen, die volgens de traditie zelfs Mozes niet binnenging. Genade is dan: wat buiten de orde van de natuur valt, verbonden met wat buiten het bereik van het begrijpen ligt. De ark drijft op water dat alles vernietigt, en blijft heel.
Paulus krijgt geen droog land. Hij krijgt een ark.
Wat hem gegeven werd, noemt hij: een doorn in het vlees. ‘Doorn’ is ook een puntige staak of paal, waarop in het oude Oosten mensen gespietst werden. Het woord heeft een scherpte die ‘doorn’ tamelijk huiselijk maakt.
Daarnaast noemt hij het “een engel van de satan, om mij met vuisten te slaan”. Het werkwoord is een woord dat het Nieuwe Testament ergens anders van kent: in de binnenplaats van de hogepriester, toen ze Jezus in het gezicht spuwden en hem met vuisten sloegen (Matthüs. 26:67, Markus. 14:65). En Paulus bidt driemaal dat het van hem wijkt. Driemaal ging Jezus in Getsemane terug om te vragen of de beker aan hem voorbij kon gaan. Ook daar kwam het antwoord in de vorm van een weigering.
Paulus trekt die vergelijking niet. Hij zou zich daar waarschijnlijk tegen verzetten. Maar zijn taal legt haar voor hem neer. De woorden die hij kiest om zijn eigen vernedering te beschrijven, zijn de woorden van het lijdensverhaal. Het lichaam van Christus is voor hem geen metafoor. Het is de plek waar dezelfde vuisten neerkomen.
Wat die doorn was, weten we niet. Een ziekte, een gebrek aan zijn ogen, een tegenstander, een schaamte. Het niet-weten is misschien het belangrijkste wat de tekst ons geeft. Een benoemde doorn wordt een casus. Een onbenoemde doorn is van iedereen.
Waar het vers staat, is de sleutel. De hoofdstukken 10 tot 13 zijn Paulus’ dwazenrede. Tegenover hem staan de superapostelen: welsprekend, indrukwekkend, met visioenen en brieven van aanbeveling. Paulus gaat hun spel spelen, maar als nar. “Ik spreek in onverstand” (11:21: – ik spreek in dwaasheid – ). Alleen de nar mag aan het hof de waarheid zeggen.
Vlak voor ons vers vertelt hij twee dingen, en hun volgorde is geen toeval. Eerst de ontsnapping uit Damascus: hij werd in een mand door een venster langs de muur neergelaten (11:33). Ieder Romeins oor hoorde daar iets in. De hoogste militaire onderscheiding was de muurkroon voor de soldaat die als eerste óp de vijandelijke muur klom. Paulus roemt erin dat hij als eerste die muur áf ging, in een mand, in het donker, op de vlucht.
Direct daarna volgt het omgekeerde: een mens die werd weggerukt tot in de derde hemel, “in het paradijs”, en daar onuitsprekelijke woorden hoorde. Het Griekse παράδεισος is het Perzische en Hebreeuwse pardes. Een geschoolde farizeeër kende het verhaal uit de rabbijnse traditie over de vier die de pardes binnengingen (Chagiga 14b). Ben Azzai keek en stierf. Ben Zoma keek en verloor zijn verstand. Elisja ben Abuja “hakte de planten om” en verloor zijn geloof. Alleen rabbi Akiva ging in vrede binnen en kwam in vrede terug.
Paulus komt terug met een staak in zijn vlees. “Opdat ik mij niet zou verheffen”. Dat woord staat in vers 7 twee keer, aan het begin en aan het eind van de zin, als een omsluiting. De doorn is de prijs voor de terugkeer. Misschien is hij ook de voorwaarde ervan. Wie het paradijs zag en ongeschonden terugkomt, loopt het gevaar dat Elisja liep: dat het gezien-hebben een bezit wordt. De wond houdt de opening open. Ze zorgt ervoor dat wat hij zag niet van hem wordt.
Mand, hemel, doorn. Omlaag, omhoog, omlaag. De beweging stopt beneden.
“want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” Het werkwoord komt van doel, eindpunt, voltooiing. De kracht bereikt haar bestemming in de zwakheid, en het is een passivum in de tegenwoordige tijd. Het gebeurt, doorlopend, aan haar. Kracht is volgens deze zin iets wat pas bij zichzelf aankomt in wat er zonder kracht is. Het betekent letterlijk: zonder spierkracht, zonder houvast. Zwakheid is dus de plek waar de kracht gaat wonen, meer dan de ruimte die overblijft als de kracht wegvalt. Dat betekent dat een mens die sterk is, de kracht de weg verspert. Hij staat op haar plek —
Wat gebeurt er in de weigering zelf? Er komt geen genezing, maar er komt iets anders dan stilte: een zin. Een mens die het verlangen naar herstel van zijn gebrek tot op de bodem heeft gebeden, krijgt geen herstel maar wordt aangesproken. De weigering is de eerste keer in dit hele gedeelte dat Christus spreekt. Alles daarvoor was Paulus die over zichzelf sprak, zijn afkomst, zijn lijden, zijn visioen. De onuitsprekelijke woorden in het paradijs mocht hij niet doorgeven. Deze wel. De enige woorden van boven die hij mag citeren, zijn woorden die zeggen: het blijft. Openbaring komt hier niet als verrukking maar als nee, en precies dat nee is uitspreekbaar.
Dat zegt iets over de aard van wat hier bedoeld wordt met kracht. Het is een kracht die een wond niet opheft maar aanspreekt. Het werkt op de plek van de wond, niet in plaats ervan.
Dan het woord waar alles om draait, en dat vrijwel verdwijnt in de vertaling: “Opdat de kracht van Christus in mij woont“, vertalen de meesten. Maar het woord dat gebruikt wordt, komt maar één keer voor in het hele Nieuwe Testament. Het betekent: een tent opslaan over. De tent, de tabernakel. Johannes gebruikt de zustervorm: het Woord is vlees geworden en heeft onder ons getabernakeld (Johannes 1:14).
Voor een Hebreeuws oor klinkt er iets anders mee: de medeklinkers s-k-n liggen vlak bij sj-k-n, de wortel van misjkan, de woonplaats, en van Sjechina, de inwonende aanwezigheid van God. Toen de tabernakel klaar was, bedekte de wolk hem, en Mozes kon er niet in, “want de wolk wóónde erop” (Ex. 40:35). Paulus kiest een woord dat hier bijna letterlijk op aansluit. De kracht van Christus strijkt als een wolk neer over zijn zwakheid, zoals de heerlijkheid neerstreek op een tent van geitenhaar en dierenvellen, het meest verplaatsbare en kwetsbaarste heiligdom dat Israël ooit had.
In de mystieke traditie is de Sjechina de laatste van de tien sefirot, Malchut. Van haar zegt de Zohar dat zij “niets van zichzelf heeft”. Ze is als de maan, die geen eigen licht heeft maar alleen ontvangt en doorgeeft. Ze is de onderste, de meest ontvangende, en daarom de enige plek waar het hogere licht de wereld raakt. Dezelfde traditie zegt dat de Sjechina met Israël in ballingschap ging, dat ze woont bij wie gebroken is. De Talmoed leest in Jesaja 57:15 dat de Hoge en Verhevene woont “bij de verbrijzelde en nederige van geest”. Hij woont bij, et, samen met.
Als Paulus zegt dat de kracht van Christus een tent over hem opslaat, dan roept hij, bewust of niet, die hele beweging op. Wat niets van zichzelf heeft, wordt woonplaats. De tent wordt niet sterker doordat de wolk erop rust. De tent blijft van vel en geitenhaar. Maar de wolk kiest geen stenen tempel om op neer te dalen in de woestijn.
Er is nog een laag, in het Hebreeuwse woord voor kracht: koach: kaf en chet, 20 en 8. De Zohar leest het woord voor wijsheid, chochma, als koach mah: de kracht van het ‘wat’. Mah, ‘wat’, is het woord van Mozes en Aäron: “Wat zijn wíj?” (Ex. 16:7). Het is het woord van iemand die zichzelf niet meer als iets ervaart. In de chassidische traditie is dat bittul, het opgaan van het zelf, en de voorwaarde waaronder de hoogste wijsheid kan stromen. Chochma, de tweede sefira, staat vlak onder Keter, die ook Ajin heet, Niets.
Kracht in de mystieke lezing is dus van meet af aan verbonden met een ‘wat’ dat geen ‘iemand’ meer is. Het sterkste ligt het dichtst bij het niets.
En dan de naam. Saulus heette naar de eerste koning van Israël, uit de stam Benjamin, de kleinste stam. Die koning zei bij zijn roeping nog: “Ben ik niet een Benjaminiet, uit de kleinste van de stammen?” (1 Sam. 9:21). Later, toen hij groot werd, kon hij niet meer klein zijn, en daaraan ging hij ten onder. Die andere Benjaminiet ging verder met de naam Paulos. Paulus is Latijn voor: klein. Zijn naam draagt uit wat zijn naamgenoot verloor.
Vers 10 zet door: “Daarom heb ik welbehagen in zwakheden.” Het werkwoord is hetzelfde dat bij de doop in de Jordaan klinkt, toen de stem uit de hemel zei: “Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb”. Paulus gebruikt voor zijn verhouding tot zijn eigen gebreken het woord waarmee de Vader de Zoon aanneemt. Wat hij over zichzelf zegt, is wat de hemel over de Gezalfde zei. Hij kan het welbehagen alleen uitspreken over wat hij eerst weg wilde hebben.
Dan de reeks: zwakheden, smaad, noden, vervolgingen, benauwdheden. Dat laatste woord betekent letterlijk nauwe ruimte. In het Hebreeuws is dat meitsar, dezelfde wortel als Mitsrajim, Egypte, het huis van de benauwdheid. “Uit de benauwdheid, riep ik de Eeuwige aan; Hij antwoordde mij in de ruimte” (Psalm 118:5). Paulus roemt in de nauwte zelf, niet in de uittocht eruit.
En het slot: wanneer, … dan. Het is geen volgorde, eerst zwak en later sterk. Het is gelijktijdigheid. Het moment van de zwakheid ís het moment van de kracht. Er zit geen tijd tussen waarin de wond geneest.
Wat open blijft, is het belangrijkste. Paulus zegt niet dat de doorn ooit wegging. Hij zegt niet dat hij er vrede mee had op de dagen dat hij hem voelde. Hij roemt, maar roemen is in deze brief het werk van een nar, en de nar weet dat zijn woorden groter zijn dan hij. Misschien schreef hij “ik ben tevreden in zwakheden” op een dag dat hij het was, en was hij het een week later niet. De zin in het perfectum, het is gezegd en het blijft gezegd, is misschien niet voor Paulus bedoeld als een gemoedstoestand. Hij heeft het gehoord, het blijft staan, en hij moet er steeds weer naar terug.
De ark was geen schip. Hij had geen roer, geen zeil. Noach stuurde niet. Hij werd gedragen door hetzelfde water dat de wereld verzwolg. Wie genade als ark leest, moet toegeven dat je in een ark niet kiest waar je aan land komt, en ook niet wanneer.
LEES VERDER: het-brood-van-de-derde-hemel/
en https://www.dinekevankooten.nl/archief/wat-gegeven-wordt-en-waar/
