Het evangelie van wie blijft
Na drie evangelies met hetzelfde gebaar verwacht je het vierde. Het komt niet. Johannes zendt niemand twee aan twee uit, geeft geen instructie voor het dorp dat niet opendoet, en het woord stof staat nergens bij een voet. Ik heb even gedacht dat hij het gewoon niet kende, of dat het hem niet interesseerde. Maar Johannes laat zelden iets weg omdat het hem niet interesseert; hij laat het weg omdat hij het ergens anders heeft neergelegd. Dus ben ik gaan zoeken waar de voeten, het water, het ontvangen en het niet-ontvangen bij hem terechtgekomen zijn. En het bleek dat hij alles heeft wat de andere drie hebben, alleen verteld vanaf de andere kant van de deur.
Niet met het gebaar, en dat is zelf de vondst. Johannes heeft geen twee aan twee, geen stof, geen instructie voor het dorp dat niet opendoet. Maar hij heeft alles wat eronder ligt, en hij legt het aan de andere kant van de keten.
Zijn proloog is de zin waar de drie anderen hun rede uit halen: hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben hem niet ontvangen. Bij Johannes is dat geen dorp maar het hele evangelie. De niet-ontvangst is niet iets dat de gezondenen overkomt, het is wat de zender is. Vanaf vers 11 loopt het boek als één lange nacht in een stad die niet opendoet, en er is nergens een rand van het dorp waar hij zijn voeten schudt. Johannes vertelt de kant van degene die niet weg kan.
Wat hij met de leerlingen doet, is het stof zelf van ze afnemen voordat ze gaan. Hoofdstuk 13: hij staat op van de maaltijd, legt zijn kleed af, giet water in het bekken en wast hun voeten. Wie gebaad is, hoeft alleen de voeten te laten wassen. Dat is de gastvrijheid van Abraham en Lot, door de zender zelf verricht. En pas daarna, in 20:21, de zending: zoals de Vader mij gezonden heeft, zend ik jullie. Bij Markus komt het schudden na de zending, bij Johannes komt het wassen ervoor. Ze vertrekken al schoon; wat er onderweg aan blijft zitten, is niet meer hun probleem, want het is al één keer afgenomen door iemand die het kon.
Maar aan die tafel zit ook de enige die met gewassen voeten de nacht in gaat. Niet allen zijn rein, zegt hij, en dan het citaat uit de psalm: wie mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven. De hiel, akev, de naam van Jakob. Johannes heeft geen dorp dat de gezondene weigert; hij heeft een gezondene die de zender weigert, en de voet is nog steeds waar het gebeurt.
Het oordeel, dat bij Markus in het stof zit, verplaatst Johannes naar het woord. Wie mij verwerpt en mijn woorden niet aanneemt, heeft zijn rechter al: het woord dat ik gesproken heb, zal hem oordelen op de laatste dag. Geen getuigenis van twee, geen gebaar; het gesprokene zelf blijft achter in het huis en getuigt daar. En aan de leerlingen geeft hij bij het zenden niet het stof maar het tegendeel ervan: wie jullie de zonden vergeven, zijn ze vergeven; wie jullie ze houden, zijn ze gehouden. Het schudden en het niet-schudden, in één adem, als bevoegdheid.
Twee plekken waar het stof bij Johannes wél letterlijk voorkomt, en allebei niet aan voeten. In hoofdstuk 8 bukt hij en schrijft in het stof, terwijl de stad om hem heen staat met stenen. Het stof waarin de ander gestenigd zou worden, wordt het vel waarop hij schrijft; wat het woord was, weten we niet. En in hoofdstuk 9 neemt hij stof van de grond, spuwt erop, en legt het op de ogen van een man die blind geboren is. Stof en speeksel: precies de twee elementen van de chalitza, de sandaal en het spuwen op de grond, het ritueel van de geweigerde ontvangst. Hij neemt de ingrediënten van de schande en maakt er ogen mee. Afar, oog, mond, hoofd. De blindgeborene ziet.
Ik denk dat Johannes het gebaar weglaat omdat hij vertelt vanuit de plek waar het niet bestaat. Het stof van je voeten schudden is de tekst van wie gaat; Johannes schrijft de tekst van wie blijft, en in die tekst wordt het stof niet afgeschud maar gebruikt.
Markus zegt: blijf in dat ene huis, ga niet van huis naar huis. Johannes heeft dat gebod niet, maar hij heeft het werkwoord, en het is zijn kernwoord: menō, blijven. Het staat al in het eerste hoofdstuk, als twee leerlingen hem volgen, twee, en het enige vragen wat ze weten te vragen: rabbi, waar blijft u? Kom en zie. En ze bleven die dag bij hem. Dat is de eerste ontvangst in Johannes, en het zijn de gezondenen die ontvangen worden, niet de dorpen. Later keert het om, blijf in mij zoals ik in jullie, en in het afscheid: in het huis van mijn Vader zijn veel woningen, monai, blijfplaatsen, hetzelfde woord. Het ene huis van Markus is bij Johannes geen huis in het dorp meer. Het is hij. Wie in hem blijft, hoeft geen dorp meer te vinden dat opendoet, en heeft daarom ook geen stof meer om af te schudden. De instructie is niet weggelaten, ze is van buiten naar binnen gegaan.
Samaria. Bij Lukas is het het dorp dat hem niet ontvangt, waar de zonen van de donder vuur willen. Bij Johannes is het Sychar, hoofdstuk 4, en daar vragen de Samaritanen hem te blijven, menō, en hij blijft twee dagen. Hetzelfde land, de andere kant. Wat het opent is niet zozeer een tegenspraak als een aanwijzing waar bij Johannes het ontvangen begint: bij een vrouw met een kruik, bij water, bij iemand die zelf niet in de stad hoorde en die de stad naar buiten haalt. De poort van een dorp is bij Johannes zelden de poort.
In 1:11: hij kwam tot het zijne, en de zijnen namen hem niet aan. In 13:1, de zin vlak voor het bekken en het water: hij had de zijnen, tous idious, liefgehad, en hij had hen lief tot het einde. Wat in de proloog hem niet ontvangt, wast hij in hoofdstuk 13 de voeten. Het is dezelfde groep. Johannes zet de niet-ontvangst en de voetwassing onder één woord, alsof het wassen het antwoord is op het niet-ontvangen-zijn, en niet op iets anders. En in dat hoofdstuk is er één die het weigert: Petrus, u zult mijn voeten nooit wassen. Het antwoord is het hardste van het hele boek: als ik je niet was, heb je geen deel aan mij. Wie zich niet laat ontvangen, hoort er niet bij. Bij Markus is de vraag of het dorp de gezondene ontvangt; bij Johannes is de vraag of de gezondene zich laat ontvangen, en dat blijkt de moeilijkere van de twee.
En ten slotte: het lichaam. Van de twee die naast hem hangen breken de soldaten de benen; bij hem niet, en Johannes zegt waarom: geen been van hem zal gebroken worden, het paaslam uit Exodus 12. Dat is het hoofdstuk waar Markus zijn sandalen en zijn staf vandaan heeft, het Pascha in haast. De gezondenen vertrekken in Exodus 12 met hun voeten geschoeid; de zender eindigt in Exodus 12 met zijn benen heel. Wie niet weggaat, houdt zijn benen. Ik weet niet of ik dat mooi vind of ondraaglijk, en ik denk dat Johannes het allebei bedoelt.
Drieluik:
* Markus en Lukas — de zending, het stof, Jesaja 52, Sodom, de verspieders, plus de lagen van het hoofdstuk, de sandaal en de letters
* De psychologische kant: wat kleeft, en hoe je het van je af schudt.
* Mattheüs — blootsvoets, thuis, de shaliach, de duif, en de onderbouwing van waarom de zender wel kan blijven staan en de gezondene niet.
* Johannes — het evangelie van wie blijft.

