Het stof van je voeten
Er zit een gebaar in dit verhaal dat ik nooit goed heb kunnen plaatsen. Jezus stuurt zijn leerlingen op pad, twee aan twee, met bijna niets, en geeft ze onderweg één instructie voor het geval het misgaat: ga weg, en schud het stof van je voeten. Ik heb dat altijd gehoord als iets hards. Een vloek in de vorm van een gebaar, een deur die van buitenaf dichtgaat. En omdat het hard klonk, ben ik er nooit ingegaan.
Maar wie een gebaar maakt, doet iets met zijn eigen lichaam, niet met dat van een ander. Je bukt, je pakt je voet, je slaat het stof eraf. Wat je daarmee doet aan het dorp achter je is onduidelijk; wat je ermee doet aan jezelf is concreet. Dat verschil is waar ik wil beginnen. Niet bij de vraag wat de leerlingen het dorp aandoen, maar bij wat er aan hun voeten is blijven zitten, en waarom dat eraf moet voordat ze verder kunnen.
Ik lees het verhaal in Markus 6, waar het “twee aan twee” letterlijk staat, en neem Lukas 10 en Mattheüs 10 mee waar ze iets horen dat Markus niet uitspreekt.
De uitzending van de twaalf staat in Markus 6: 7-13 (en in Mattheüs 10:1-15 en Lukas 6:12-16)
7 En Hij riep de twaalf bij Zich en begon hen twee aan twee uit te zenden en gaf hun macht over de onreine geesten.
8 En Hij gebood hun dat zij niets mee zouden nemen voor onderweg dan alleen een staf: geen reiszak, geen brood, geen geld in de gordel;
9 maar dat zij wel sandalen zouden aanbinden en niet met twee stel onderkleren gekleed zouden zijn.
10 En Hij zei tegen hen: Waar u een huis zult binnengaan, blijf daar totdat u uit die plaats vertrekt.
11 En als er zullen zijn die u niet ontvangen en niet naar u luisteren, schud dan, als u vandaar weggaat, het stof af dat onder uw voeten zit, tot een getuigenis tegen hen. Voorwaar zeg Ik u: Het zal voor Sodom of Gomorra verdraaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor die stad.
12 En toen zij weggegaan waren, predikten zij dat men zich moest bekeren.
13 En zij dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en maakten hen gezond.
Het eerste wat me bij Markus opvalt is dat het stof niet aan het eind van de instructie staat, maar dat de hele instructie ernaartoe loopt. Geen brood, geen tas, geen geld in de gordel, wel sandalen, wel een staf. Ik lees dat als armoede-regel, tot ik Exodus 12 ernaast leg: eet het Pascha met de lendenen omgord, sandalen aan de voeten, staf in de hand, in haast. Dat is dezelfde lijst. Markus stuurt de twaalf niet als bedelmonniken op pad maar als mensen die Egypte uitgaan. Wie zo gaat, hoort nergens; die is onderweg. En dan wordt het stof ineens iets anders dan een symbolisch gebaar tegen een onwillig dorp. Wie uit Egypte gaat, neemt geen Egyptische grond mee.
Want dat is de tweede laag, de rabbijnse: land van de volkeren gold als onrein, en wie terugkwam uit heidens gebied klopte het stof van zijn voeten voor hij Israël binnenging. Jezus laat zijn leerlingen dit doen bij Joodse dorpen. Hij zegt daarmee niet dat het dorp vervloekt is; hij zegt dat de grens verschoven is. Waar het koninkrijk niet ontvangen wordt, ligt buitenland. Niet de geografie bepaalt wat Israël is, maar het ontvangen.
En dan Lukas, die het scherpst hoort: “zelfs het stof dat uit jullie stad aan onze voeten is gaan kleven”, hetzelfde werkwoord dat de Septuaginta gebruikt in Genesis 2:24 voor de man die zijn vrouw aankleeft. Stof kleeft zoals mensen kleven. Dat is precies waar het lichaam het weet: wat je niet ontvangen heeft, gaat toch met je mee, in de huid, in de voetzolen, als iets dat je niet gekozen hebt maar dat aan je is gaan zitten. Het schudden gaat niet over hen. Het gaat over wat van hen aan mij is blijven hangen.
Hier moet ik naar het Hebreeuws, want het Grieks is een vertaling van iets ouders. Jesaja 52:2: ‘Schud het stof van u af, sta op, zet u neer, Jeruzalem, maak de ketenen om uw hals los, gevangene, dochter van Sion!’. De wortel van dat schudden zijn ook de letters van na’ar, de jongen, de jeugd. Wie het stof afschudt wordt jong. En vijf verzen verder, in datzelfde hoofdstuk: ‘Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van hem die het goede boodschapt, die vrede laat horen, die een goede boodschap brengt van het goede, die heil laat horen, die tegen Sion zegt: Uw God is Koning’. Dezelfde voeten.
Jezus stuurt zijn mensen als de mevasser van Jesaja 52, en in dat hoofdstuk is het afschudden van stof niet wat de boodschapper het dorp aandoet, het is wat de bevrijde stad zelf doet als de boodschap aankomt. Het dorp dat ontvangt, schudt zich los en wordt jong. Het dorp dat niet ontvangt, laat de boodschapper het doen. Het stof gaat er hoe dan ook af; de vraag is alleen wie het doet.
Dat wordt nog scherper via de gastvrijheid. Abraham tegen de drie mannen in Genesis 18: 4 ‘Laat er toch wat water gebracht worden; was dan uw voeten, en rust wat uit onder de boom.’ Lot tegen de twee mannen in Genesis 19: 2 ‘was uw voeten’. Ontvangen is in die wereld: iemand het stof van de voeten wassen. Wie ontvangen wordt, hoeft niets af te schudden, dat is al gebeurd, door een ander, in water. Het schudden aan de rand van het dorp is dus het negatief van de voetwassing. Het is de gastvrijheid die niet gegeven is, en die de gast dan aan zichzelf voltrekt, droog, met de hand.
En nu Sodom, want Jezus noemt het zelf: het zal Sodom draaglijker vergaan dan die stad. Ik dacht altijd dat het een vergelijking was, maar het is een blauwdruk. Twee boodschappers komen ’s avonds een stad binnen. Eén huis ontvangt hen. De stad niet. De boodschappers gaan weg; het ene huis gaat mee; wie omkijkt versteent. Blijf in dat ene huis, zegt Jezus, ga niet van huis naar huis. Twee aan twee, één huis, niet omkijken. De leerlingen lopen Genesis 19 na, dorp voor dorp. Het stof afschudden is het niet-omkijken van Lot; Lots vrouw is degene die het stof niet kon loslaten.
Waarom twee? Deuteronomium 19 vraagt twee getuigen voor een rechtsgeldig getuigenis, en Markus zegt letterlijk dat het schudden gebeurt tot getuigenis. De twee zijn dus geen gezelschap, ze zijn de minimale vorm van iets dat vaststaat. Eén mens die zegt “ik ben daar geweest en ze wilden niet” is een mening; twee zijn een feit. Het afschudden is een handtekening onder een proces-verbaal: dit is gebeurd, wij waren hier, en de uitkomst blijft bij jullie. Dat is ook waarom de vrede die je uitspreekt “naar je terugkeert” als het huis geen kind van de vrede is. Shalom is geen bezit dat je kwijtraakt aan wie het weigert. Het komt terug, zoals het stof eraf gaat.
Nog een laag onder de voeten. Regel, voet, is de wortel van het woord verspieder. Mozes zendt mannen om het land te belopen en te zien of het te ontvangen is. Ze komen terug met stof aan hun voeten en het land niet in hun hart, en heel Israël blijft daardoor veertig jaar in de woestijn. Jezus keert het om: hij zendt mensen die niet komen kijken of het land goed is, maar of het land hén wil. De verspieder van Numeri oordeelt over het land; de gezondene van Markus laat het land over zichzelf oordelen. Dat is het hele verschil tussen een mens die de wereld moet keuren en een mens die alleen maar hoeft aan te komen.
En het stof zelf. Afar, dat waaruit Adam gemaakt is, dat wat de slang eet, dat waarnaar wij terugkeren, en waarmee Abraham zich vergelijkt op het moment dat hij voor Sodom gaat pleiten: ik ben stof en as. Dat is één hoofdstuk vóór de twee boodschappers. Abraham, die zichzelf stof noemt, staat voor God om de stad te redden; de boodschappers, die het stof afschudden, lopen de stad uit. Beide bewegingen zijn er, in twee opeenvolgende hoofdstukken, en Jezus verwijst naar het tweede. Ik weet niet wat dat betekent voor wie gezonden wordt. Of je stof bent dat pleit, of voeten die het afschudden. Misschien is dat de reden dat er twee moeten gaan.
Dat er stof blijft kleven in een ontmoeting, dat is geen mislukking van het schudden, het is het bewijs dat je er werkelijk was. Wie niets aan zich laat kleven, is nergens aangekomen. Stof kleeft alleen aan voeten die de grond geraakt hebben. Dus de vraag is niet hoe je voorkomt dat het kleeft, maar wat je ermee doet als je het merkt.
Het lichaam weet dit eerder dan het hoofd. Afwijzing wordt neurologisch verwerkt langs dezelfde banen als fysieke pijn; een dorp dat je niet ontvangt zit letterlijk in je systeem, niet als gedachte maar als spanning. En zoogdieren doen na een bedreiging precies wat de tekst zegt: ze schudden. Een hert dat aan een roofdier ontsnapt is, staat een minuut te trillen en loopt dan door. Dat trillen ontlaadt wat het lichaam had klaargezet. Mensen slaan die stap meestal over; we gaan van het dorp direct naar het verhaal over het dorp. Het gebaar van Jezus is fysiek, geen gedachte. Misschien is de eerste laag gewoon dat: het lichaam laten doen wat het wil doen voordat het hoofd er een betekenis van maakt.
Maar het diepere kleven zit niet in het stof, het zit in wat het stof je vertelt. Wie niet ontvangen wordt, hoort daar bijna altijd iets in over zichzelf: kennelijk was ik het niet waard om binnengelaten te worden. Dat is de oude vergelijking van het kind, dat geen onderscheid kán maken tussen “ik krijg het niet” en “ik ben het niet”. Het dorp zegt nee; het kind in mij vertaalt: ik ben nee. En dat is wat blijft plakken, niet het stof maar de vertaling. Het schudden is dan het losmaken van die twee: hun nee hoort bij hen, mijn waarde hoort bij mij. Systemisch gezegd, je laat bij de ander wat van de ander is. Niet als afweer, maar als ordening. Het dorp heeft recht op zijn eigen weigering, en ik heb geen recht om die weigering te dragen alsof ze van mij is; als ik dat doe, maak ik me groter dan het dorp, alsof ik over hun nee ga.
Dat is ook waarom je het niet te vroeg mag doen. Wie schudt voordat hij gevoeld heeft dat het kleefde, schudt niets af; die ontkent alleen dat er contact was. Lot mocht niet omkijken, maar hij moest wel eerst de nacht in die stad doorbrengen. De volgorde is: het laten zitten, het voelen kleven, en dán het gebaar. Niet andersom.
Ik denk dat je dit niet alleen kunt. Niet omdat je te zwak bent, maar omdat de vertaling van “zij willen niet” naar “ik deug niet” in je eentje onzichtbaar verloopt; je hebt iemand naast je nodig die gezien heeft dat het gebeurde en die kan zeggen: ‘ja, ze deden de deur dicht, en nee, dat ging niet over jou’! Twee getuigen maken het een feit in plaats van een wond. Dat is denk ik de psychologische kant van het proces-verbaal.
Wat overblijft, blijft over. Lukas zegt “zelfs het stof”, en dat “zelfs” geeft toe dat je het nooit helemaal krijgt. Ik geloof niet dat je schoon verder gaat; je gaat verder met sporen. Maar sporen aan je voeten maken je een reiziger, en sporen in je hart maken je een gevangene. Het verschil zit in waar je het laat zitten.
Lees verder: het-stof-dat-kleeft
Drieluik:
* Markus en Lukas — de zending, het stof, Jesaja 52, Sodom, de verspieders, plus de lagen van het hoofdstuk, de sandaal en de letters
* De psychologische kant: wat kleeft, en hoe je het van je af schudt.
* Mattheüs — blootsvoets, thuis, de shaliach, de duif, en de onderbouwing van waarom de zender wel kan blijven staan en de gezondene niet.
* Johannes — het evangelie van wie blijft.

