Het gezicht dat wordt gesteld
(de aanvang van de reis)
Wat Lucas laat zien
Er staat een zin in Lucas 9 die bijna niemand citeert — en die het scharnierpunt is van het hele evangelie.
Niet de geboorte. Niet de doop. Niet de Bergrede op de vlakte. Niet de verheerlijking op de berg die er net aan voorafgaat. Maar deze ene zin, vers 51, midden in het verhaal, zonder aankondiging, zonder ceremonie:
En het geschiedde als de dagen van zijn opneming vervuld werden, dat hij zijn aangezicht stelde om naar Jeruzalem te gaan. (Lucas 9:51)
Alles voor dit vers is voorbereiding. Alles na dit vers is weg.
Niet omdat de wonderen ophouden — ze houden niet op. Niet omdat de gelijkenissen beginnen — ze waren er al. Maar omdat de richting nu vaststaat. Het gezicht is gesteld. En wat er nu volgt — de tien hoofdstukken die Lucas aan de reis naar Jeruzalem wijdt, meer dan aan welk ander deel van het verhaal — is de beweging van een mens wiens lichaam al weet waar het naartoe gaat, ook als de omgeving hem probeert tegen te houden.
Het Griekse werkwoord is sterizō. Vastgesteld worden. Bevestigd worden. Onwrikbaar worden in een richting. Het is het werkwoord van de paal die in de grond wordt geslagen. Van het anker dat grijpt. Van de wil die niet meer zoekt naar de weg maar de weg al is ingegaan voordat hij hem kan zien.
Lucas kiest dit woord niet toevallig. Het is hetzelfde woord dat hij later gebruikt als Jezus tot Petrus zegt: als jij eenmaal bent omgekeerd, versterk dan je broeders — stērison. Dezelfde stam. Dezelfde beweging. De mens die is vastgesteld in een richting, die kan versterken wie nog zoeken.
Maar hier, in Lucas 9:51, gaat het niet over Petrus. Het gaat over het gezicht.
Je gezicht stellen
Het gezicht stellen is niet een metafoor voor een beslissing. Het is een beschrijving van een toestand die aan de beslissing voorafgaat — en die zwaarder weegt dan de beslissing zelf.
Een beslissing is cognitief. Ze kan worden teruggedraaid. Ze kan worden herovergewogen. Ze heeft altijd een tegenbeslissing naast zich — de andere optie die ook mogelijk was en die blijft bestaan zolang de beslissing nog niet is uitgevoerd.
Maar het gezicht dat is gesteld, kent geen tegenbeslissing meer. Niet omdat de andere opties zijn weggevallen — maar omdat ze irrelevant zijn geworden. Het lichaam heeft een richting aangenomen die het hoofd niet meer hoeft te bevestigen.
Je herkent het van binnenuit als het je overkomt. Niet op het moment dat je besluit iets te doen — maar op het moment dat je merkt dat de discussie in je hoofd is opgehouden. Dat je niet meer voor- en tegenargumenten afweegt. Dat je gewoon weet. Niet als overtuiging. Als oriëntatie. Als het kompas dat heeft afgesteld op het noorden en nu simpelweg wijst — zonder dat jij er iets voor doet.
In het Hebreeuws draagt panim — gezicht — ook de betekenis binnenste. Het gezicht is de plek waar wat van binnen is, zichtbaar wordt aan de buitenwereld. Als het gezicht richting aanneemt, is het niet de buitenkant die beweegt. Het is de binnenkant die zich heeft georiënteerd — en het gezicht is het teken ervan.
Dat is waarom Lucas dit moment zo gewichtig beschrijft. Sterizō — vastgesteld worden — is niet de handeling van iemand die beslist. Het is de toestand van iemand bij wie iets is vastgesteld. Passieve vorm. Niet: hij stelde zijn gezicht. Maar: zijn gezicht werd gesteld. Alsof de richting niet van hem komt maar door hem heen — alsof hij het instrument is van een beweging die groter is dan zijn eigen wil.
In de praktijk ziet het er zo uit. Iemand zit jarenlang in een situatie die niet klopt — een relatie, een baan, een manier van leven. Hij weet het. Hij heeft het duizend keer gewogen. Hij heeft besloten te vertrekken en is gebleven. Hij heeft besloten te blijven en is bijna gegaan. De beslissingen wisselen elkaar af. De situatie verandert niet.
En dan — niet op de dag dat hij de sterkste argumenten heeft, niet op de dag dat de omstandigheden eindelijk gunstig zijn — merkt hij dat de discussie is opgehouden. Dat hij niet meer wikkel. Dat zijn lichaam al weet wat zijn hoofd nog formuleert.
Dat is het gezicht dat wordt gesteld.
Het is het moment waarop de rijpheid volledig is. Waarop de wijn de zak heeft gespannen tot het punt waarop vasthouden geen optie meer is. Niet omdat de situatie is veranderd. Maar omdat de mens is veranderd — van binnenuit, onzichtbaar, in de voorbereiding die voorafging zonder dat hij het merkte.
Zacharias zweeg negen maanden. Maria ontving zonder te reduceren. Simeon wachtte zonder te weten hoe lang. Hanna was er gewoon — al tachtig jaar. Al die tijd was het gezicht aan het stellen. Niet als daad. Als rijping.
En op een moment — dat niemand heeft gepland en niemand heeft gekozen — is het gesteld.
En dan is er geen discussie meer. Alleen de beweging.
De plek die van jou is
Er zijn drie plekken die een mens kan innemen in het systeem waarin hij leeft.
=> De eerste is de opgelegde plek — de plek die de familie heeft bepaald voordat hij wist dat er een keuze was. De verwachting die zo vroeg is begonnen dat ze eruitziet als zijn eigen verlangen. De rol die hij heeft geleerd te spelen omdat het systeem haar nodig had — en hij niet wist dat er een verschil was tussen de rol en wie hij wezenlijk was.
=> De tweede is de gewilde plek — de plek van de erkenning, het aanzien, de positie die bewijst dat hij er mag zijn. Niet de plek die het systeem hem heeft opgelegd maar de plek die hij voor zichzelf heeft gekozen als antwoord op de vraag: waar word ik gezien? Waar telt wat ik doe? Waar kan ik bewijzen dat ik de moeite waard ben?
=> De derde is jouw eigen en enige plek die van jou is.
Bert Hellinger beschreef deze derde plek als de plek die het systeem nodig heeft dat hij inneemt — niet voor zijn eigen ontwikkeling maar voor de gezondheid van het geheel. Maar dat is niet in tegenspraak met wat de mens zelf het meest is. Want de plek die het systeem nodig heeft, is altijd de plek waar zijn gaven en talenten samenkomen. Niet als twee aparte bewegingen. Als één beweging.
Wat het systeem nodig heeft, is precies wat jij het meest bent.
De gelijkenis van de talenten beschrijft de wet die hieronder ligt. Twee moet vier worden. Vijf moet tien worden. Niet als prestatie. Als de wet van het leven zelf. Wat leeft, groeit. Wat zijn plek inneemt, ontwikkelt. Wat zijn plek niet inneemt — het ene talent ingegraven, zorgvuldig bewaard, teruggelegd in de grond — verdort. Niet als straf. Als de wet van wat er gebeurt als een levend ding niet beweegt in de richting die van hem is.
De systemische gezondheid en de persoonlijke roeping zijn niet elkaars tegenstelling. Ze zijn elkaars voorwaarde. Het systeem is niet gebaat bij jouw zelfopoffering. Het systeem is gebaat bij jouw volle ontplooiing. En jouw volle ontplooiing is niet mogelijk buiten de plek die het systeem voor jou heeft opengehouden — de plek die leeg blijft zolang jij hem niet inneemt.
Wat er gebeurt als je hem inneemt
In Lucas 9:51 heeft Jezus alle drie de bewegingen doorgemaakt.
De opgelegde plek was de Messias zoals het systeem hem verwachtte — de militaire bevrijder, de nieuwe David, de koning die Israël herstelt in zijn politieke macht. Dat is de plek die de leerlingen hem steeds proberen op te leggen. Die Petrus hem oplegt als hij hem terzijde neemt en berispt na de aankondiging van het lijden. Ga weg achter mij — zo antwoordt Jezus. Niet: je hebt ongelijk. Maar: jij denkt wat mensen denken. Niet wat de plek vraagt.
De gewilde plek — als we Jezus als mens lezen, wat Lucas uitdrukkelijk doet — is de plek van de leraar die wordt gehoord, de wonderdoener die wordt gevolgd, de man die heelt en wordt gezien in wat hij doet. Getsemane laat zien dat er een gewilde plek was die anders was dan wat er moest komen. Laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan. De mens die weet wat de plek van hem vraagt — en die toch vraagt of het anders kan.
En dan de plek die van hem is.
Lucas 9:51. Sterizō. Het gezicht gesteld op Jeruzalem.
Niet de plek van de overwinning. Niet de plek van de erkenning. De plek van de doorgang — de plek die het systeem het meest vreest dat iemand inneemt. Want wie die plek inneemt, maakt de leegte zichtbaar die het systeem heeft gevuld met de verkeerde inhoud. En het systeem verdraagt die zichtbaarheid niet.
Dat is waarom de Samaritanen hem niet ontvangen op de dag dat hij zijn gezicht stelt. Niet omdat ze hem niet kennen. Maar omdat ze zien waarheen zijn gezicht staat — en Jeruzalem is de richting die alles verandert als iemand er werkelijk naartoe gaat.
Dat is waarom Johannes en Jakobus vuur uit de hemel willen laten neerdalen op het dorp. Niet uit slechtheid. Uit de onverdraaglijkheid van het moment — het systeem dat via zijn vrienden probeert de beweging te stoppen die zijn plek zichtbaar maakt.
Dat is waarom de leerlingen discussiëren over wie de grootste is — direct voordat hij zijn gezicht stelt. Het systeem dat zichzelf in stand houdt via de enige taal die het kent: de rangorde. Wie is meer, wie is minder, wie heeft de opgelegde of de gewilde plek.
En hij stelt zijn gezicht.
Niet als reactie op de tegenstand. Niet als overwinning op het systeem. Maar als de eenvoudige, onwrikbare beweging van wie zijn plek heeft herkend — en hem inneemt.
Waarom het systeem zich verzet
Hellinger beschreef de systemische wet in twee richtingen die onlosmakelijk verbonden zijn.
Wie zijn werkelijke plek inneemt, beweegt vanuit een kracht die het systeem niet kan blokkeren. Maar datzelfde systeem zal alles inzetten om die plek onbezet te houden. Niet uit kwade wil. Uit de wet van het systeem dat zijn eigen evenwicht bewaakt — het evenwicht dat bestaat zolang de verkeerde mensen op de verkeerde plekken zitten en niemand dat hardop zegt.
Want wie zijn werkelijke plek inneemt, maakt onvermijdelijk zichtbaar dat anderen hun werkelijke plek nog niet hebben ingenomen. De spiegel die de systemische gezondheid toont, laat tegelijk de systemische ziekte zien. En de systemische ziekte wil niet worden gezien.
De Samaritanen. Johannes en Jakobus. De leerlingen bij de discussie over de grootheid. Het zijn niet drie aparte obstakels. Het is één beweging — het systeem dat via drie verschillende ingangen probeert de plek leeg te houden die hij op het punt staat in te nemen.
En hij gaat door. Naar een ander dorp.
Niet omdat hij de tegenstand negeert. Maar omdat het gezicht dat is gesteld niet meer wordt bepaald door wat het systeem van hem vraagt. Het wordt bepaald door wat hij is — en wat het systeem nodig heeft dat hij is.
Die twee zijn hetzelfde geworden.
En dat samenvallen — de plek die het systeem nodig heeft en de plek waar zijn gaven en talenten tot hun recht komen en uitnodigen tot ontwikkeling — is niet de vrucht van een beslissing. Het is de vrucht van de voorbereiding die voorafging. Het zwijgen van Zacharias. Het idou van Maria. Het wachten van Simeon. De avodah van Anna.
Al die vormen van loskoming van de opgelegde plek en de gewilde plek — al dat minder-in-de-weg-staan — hebben de ruimte gemaakt waarin de derde plek zichtbaar kon worden.
En op het moment dat hij zichtbaar werd — op het moment dat de dagen werden vervuld en de rijpheid volledig was — stelde het gezicht zich.
Sterizō.
Vastgesteld. Bevestigd. Onwrikbaar in de richting die van hem is.
Niet omdat hij het heeft besloten. Maar omdat de plek die van hem was, hem heeft gegrepen.
Wat mijn praktijk laat zien
Hij zit soms tegenover me. De man die heeft gepresteerd op de opgelegde plek — en het systeem heeft tevreden gesteld. Die heeft gestreden voor de gewilde plek — en haar heeft bereikt. Die heeft gedaan wat er van hem werd verwacht en daarna wat hij voor zichzelf wilde.
En die merkt dat er iets ontbreekt.
Niet als crisis. Als stille, hardnekkige leegte die achter alles aanloopt wat hij doet. De baan die goed is maar niet klopt. De positie die hij heeft bereikt maar die hem niet draagt. Het succes dat eruitziet zoals succes eruit moet zien — en dat hem ’s nachts wakker laat liggen.
Ik vraag hem niet: wat wil je? Die vraag kent hij. Hij heeft haar duizend keer gesteld en duizend keer beantwoord met de gewilde plek.
Ik vraag: wat heeft jouw systeem van jou nodig dat nog niemand heeft gegeven?
Hij zwijgt lang. Soms heel lang.
En dan — niet als antwoord maar als ontdekking — zegt hij iets wat hij nog nooit hardop heeft gezegd. Iets wat klinkt als te eenvoudig om waar te zijn. Iets wat niet lijkt op een ambitie of een droom of een plan — maar op een feit dat er altijd al was en dat hij nooit heeft durven innemen omdat het niet leek op wat succes eruit moet zien.
Dat is de plek die van hem is.
En als hij haar uitspreekt — als het gezicht zich stelt in de richting van wat hij werkelijk is — verandert er iets in de ruimte tussen ons. Niet dramatisch. Niet met tranen of inzicht of de grote doorbraak.
Gewoon: hij is er. Volledig. Voor het eerst.
Sterizō.
Vastgesteld in de richting die altijd al van hem was.
Twee moet vier worden. Vijf moet tien worden.
Niet als opdracht. Als de wet van het leven dat zijn plek heeft gevonden.
Het gezicht als anatomie
In de joodse traditie is het gezicht niet decoratief. Panim — het Hebreeuwse woord voor gezicht, dat ook het meervoud p’nim bevat, dat binnenste betekent — is de plek waar de binnenkant zichtbaar wordt aan de buitenwereld. God spreekt met Mozes panim el panim — gezicht tot gezicht. Niet via een tussenpersoon. Niet via de structuur van de tempel of de bemiddeling van de priester. Direct. Onbemiddeld.
En als iemand zijn gezicht richt op een bestemming, is dat in de Hebreeuwse traditie geen gebaar. Het is een ontologische daad. Lasim panim — het gezicht stellen op. Het beschrijft de toestand van een mens wiens hele zijn al onderweg is, ook als zijn lichaam nog stilstaat.
Ezechiel 21:2: Mensenkind, stel uw gezicht naar Jeruzalem. Jeremia 42:15: Als gij uw gezicht stelt om naar Egypte te gaan. Elke keer dezelfde structuur. Het gezicht dat een richting aanneemt is de beginningsact van de beweging — niet de voet die de eerste stap zet maar het gezicht dat al is aangekomen voordat het lichaam is vertrokken.
Lucas schrijft in het Grieks maar denkt in het Hebreeuws. Theofilus — zijn lezer — leeft in Rome. Maar de beelden die Lucas gebruikt, zijn ouder dan Rome. Ouder dan het Grieks. Ze komen uit de taal van een volk dat wist dat de beweging van binnenuit begint. Dat het lichaam volgt wat het gezicht al weet.
En wat weet het gezicht van Jezus op dit moment?
Lucas vertelt het met één woord. Analēmpseos — opneming. De dagen van zijn opneming worden vervuld. Het woord staat nergens anders in de evangeliën in deze betekenis. Het is het woord voor de hemelvaart — maar hier, in dit vers, is de hemelvaart nog ver weg. Wat hier wordt gezegd is dit: hij weet al wat er aan het einde van de weg staat. En hij stelt zijn gezicht ernaar toe.
Niet ondanks wat hij weet. Vanwege wat hij weet.
Wat er in de mens voorafgaat aan de eerste stap
Lucas 9:51 staat direct na de verheerlijking op de berg en de discussie tussen de leerlingen over wie de grootste is. Twee momenten van het hoogste — het licht op de berg, de stem die spreekt — en direct daarna de discussie over positie. Het patroon is herkenbaar: het hoogste moment roept de kleinste reactie op. Wie het meest heeft gezien, vecht het hardst om zijn plek.
En dan — als reactie op niets, zonder aanleiding, zonder dat iemand iets vraagt — stelt hij zijn gezicht.
De psychologie van de motivatie onderscheidt twee soorten beweging. De beweging weg van — de vlucht, de ontsnapping, de uitwijkbeweging die artikel 06 van de Mattheüs-serie heeft beschreven. En de beweging naar — de oriëntatie, de richting, het gezicht dat wordt gesteld op een bestemming die groter is dan wat je verlaat.
Lucas 9:51 is de zuiverste beschrijving van de tweede soort die er in de evangeliën staat. Niet: hij had geen keus. Niet: hij werd gedreven door de omstandigheden. Niet: hij deed wat de situatie van hem vroeg. Maar: de dagen werden vervuld — en hij stelde zijn gezicht.
De vervulling van de dagen is geen externe dwang. Het is de rijpheid van het moment. Het Hebreeuwse equivalent is maleh — vol worden, rijp worden, de maat bereiken die de beweging mogelijk maakt. Zoals een vrucht die rijp is niet langer kan worden tegengehouden. Zoals een zwangerschap die haar tijd heeft volgemaakt. Zoals de wijn die zó gegroeid is dat de zak hem niet meer kan bevatten.
Hij stelde zijn gezicht niet omdat het moest. Maar omdat het moment rijp was — en hij het wist.
Wat er daarna gebeurt
Direct na vers 51 sturen zijn leerlingen boodschappers voor hem uit naar een Samaritaans dorp om onderdak te regelen. De Samaritanen ontvangen hem niet — omdat zijn gezicht gericht is op Jeruzalem. Dat detail staat er expliciet. Ze weigeren niet omdat ze hem niet kennen. Ze weigeren omdat ze zien waarheen zijn gezicht staat. En Jeruzalem is de vijand.
Johannes en Jakobus — de zonen van de donder, Boanerges zoals Marcus hen noemt — willen vuur uit de hemel laten neerdalen op het dorp. Jezus berispt hen. En ze gaan naar een ander dorp.
Dat is de eerste test van het gezicht dat is gesteld. Niet de tegenstand van de vijanden. De ongeduldigheid van de vrienden. De leerlingen die willen reageren, willen afrekenen, willen de obstructie wegnemen met geweld. En hij gaat gewoon verder. Naar een ander dorp.
Het gezicht dat is gesteld, wordt niet afgeleid door wat langs de kant van de weg staat. Niet door de tegenwerking van de Samaritanen. Niet door de woede van de leerlingen. Niet door de discussie over wie de grootste is. Het gezicht weet waarheen. En de weg ontstaat in de beweging.
Bert Hellinger beschreef dit als de systemische wet van de juiste richting: wie zijn plek inneemt in het systeem — wie zijn werkelijke positie accepteert, niet de positie die hij zou willen hebben of de positie die het systeem hem heeft opgelegd — beweegt vanuit een kracht die het systeem niet kan blokkeren. Niet omdat hij sterker is dan het systeem. Maar omdat hij in de richting beweegt die van hem is.
Het gezicht van Jezus in Lucas 9:51 is de anatomie van die kracht. Hij heeft zijn plek aangenomen. Niet met een beslissing. Met het stellen van zijn gezicht.
De drie mannen die willen vertrekken
Direct na de Samaritanen beschrijft Lucas drie mannen die willen gaan — Lucas 9:57-62. Ze zijn er al in artikel 02 beschreven als de mannen die de voorbereiding verwarren met uitstel. Maar ze hebben ook een andere laag.
De eerste zegt: ik zal u volgen waar u ook heengaat. Hij heeft het gezicht nog niet gesteld. Hij wil mee — maar de richting is die van Jezus, niet de zijne. Hij loopt achter een ander aan. Hij heeft zijn eigen gezicht nog niet gericht.
De tweede en derde willen eerst iets afronden. Hun gezicht staat nog op wat ze verlaten. Ze willen achterkijken voordat ze gaan. En wie achterkijkt terwijl hij de ploeg vastheeft — die ploegt niet recht.
De drie mannen zijn niet slecht. Ze zijn niet klaar. Niet klaar in de zin van Zacharias die zweeg, Maria die zag, Simeon die wachtte. De voorbereiding was nog niet rijp. De maat was nog niet vol. De wijn had de zak nog niet gespannen tot het punt waarop hij barst.
En Jezus zegt hun dit niet als veroordeling. Als diagnose. Zoals een arts zegt: het lichaam is nog niet klaar voor de operatie. Niet: het lichaam zal nooit klaar zijn. Maar: nu nog niet.
Het gezicht stellen is niet iets wat je beslist. Het is iets wat rijpt — zoals Zacharias negen maanden moest zwijgen voordat hij kon zingen. Zoals Maria het woord moest ontvangen voordat ze kon gaan. Zoals Simeon moest wachten tot de dagen vervuld waren.
De drie mannen bij de weg zijn Zacharias die nog niet klaar is om stom te worden. Die nog vragen stellen. Die nog bewijs willen. Die nog één ding eerst moeten doen.
Wat dit artikel verbindt
Artikel 02 eindigt met het zwijgen van Zacharias dat de zang mogelijk maakt. De voorbereiding die niet wordt gekozen maar ondergaan.
Artikel 04 begint met de Emmaüsgangers die al lopen — in de verkeerde richting, met hun gezicht weg van waar de beweging zich verzamelt.
Tussen die twee staat dit moment. Lucas 9:51. Het gezicht dat wordt gesteld.
Het is het scharnier. De voorbereiding leidt ertoe. De dertien manieren van kwijtraken beginnen erna. En het is het enige moment in het evangelie van Lucas waarop de weg niet wordt beschreven als wat er gebeurt als je gaat — maar als de oriëntatie die aan het gaan voorafgaat.
De Emmaüsgangers kijken terug. De oudste zoon staat buiten. De verloren zoon loopt weg. De rijke man passeert Lazarus. Martha is druk. Allen bewegen ze — maar hun gezicht staat niet op de bestemming die het weten vereist.
Hij — op dat ene moment in vers 51 — weet wat er aan het einde staat. En stelt zijn gezicht ernaar toe.
Dat is de beweging die de andere dertien niet maken. Niet de beweging van de benen. De beweging van het gezicht.
Wat mijn praktijk laat zien
Ze zit soms tegenover me. De vrouw die weet dat ze een beslissing moet nemen. Al lang. Ze heeft de informatie. Ze heeft de gesprekken gehad. Ze heeft de boeken gelezen, de therapieën gedaan, de slapeloze nachten doorstaan. Ze weet wat ze moet doen.
Maar ze heeft haar gezicht nog niet gesteld.
Ik vraag haar niet: wat ga je doen? Die vraag kent ze. Ze heeft hem duizend keer gesteld en duizend keer beantwoord en niets is bewogen.
Ik vraag: waar staat je gezicht?
Ze zwijgt. Dan — langzaam, alsof ze iets voelt dat ze nog geen woord voor heeft: het staat nog op wat ik verlaat.
Dat is het. Niet de onwil. Niet de angst. Niet het gebrek aan kennis of overtuiging of moed. Maar het gezicht dat nog niet is omgedraaid. Dat nog staat op wat was — op de relatie die voorbij is, op de baan die niet meer past, op het leven dat ze had voordat ze wist wat ze nu weet.
De days worden vervuld. De wijn heeft de zak gespannen. Ze weet het.
Maar het gezicht stellen — dat is iets wat haar overkomt. Niet iets wat ze doet. Ze kan het niet forceren. Ze kan alleen de voorbereiding bewaken. Het zwijgen. Het zien. Het wachten. De maat vol laten worden.
En op een dag — niet de dag die ze had gepland, niet het moment dat ze had gewild — stelt ze haar gezicht.
En dan is er geen discussie meer. Geen afweging. Geen argument dat nog moet worden gewogen. Alleen de beweging. De weg die ontstaat als het lichaam volgt wat het gezicht al weet.
Sterizō.
Vastgesteld. Bevestigd. Onwrikbaar in de richting die van haar is.
Dat is het begin van de weg.
Centrale figuren in dit artikel: Jezus bij het begin van de reis — de drie mannen die willen gaan
Bijbelgedeelten: Lk. 9:51 (het gezicht dat wordt gesteld); Lk. 9:52-56 (de Samaritanen die niet ontvangen); Lk. 9:57-62 (de drie volgelingen); Lk. 22:32 (stērison — versterk uw broeders)
Dit is een serie artikelen over ‘de weg‘ in Lucas:
00. Lucas beschrijft de weg (inleiding)
00. Wat men verstond onder de weg
01. Het woord dat beweegt (taal)
02. De weg die begint voor je vertrekt (voorbereiding)
03. Het gezicht dat wordt gesteld (de aanvang van de reis)
13 manieren waarop mensen de weg kwijtraken:
04. De verkeerde richting (Emmaüs)
05. Thuis blijven (de oudste zoon)
06. Te ver weggaan (de verloren zoon)

