Verdeelde rollen, verzwegen ervaringen
Aan de buitenkant functioneert het gezin. Er is een familiebedrijf, opgebouwd met toewijding en lange dagen. Vader en moeder zetten zich zichtbaar in; verantwoordelijkheid, loyaliteit en doorzettingsvermogen zijn kernwaarden. De kinderen groeien op in een systeem waarin werken, meedoen en niet klagen vanzelfsprekend is. Naar de buitenwereld toe is er orde, structuur en een zekere trots: wij doen het samen.
Achter de voordeur heerst iets anders. Geen incidenten, maar een langdurige dreiging. Een dominante vader, fysiek en psychisch gewelddadig. Een moeder die aanwezig is, maar niet ingrijpt. En kinderen die leren aftasten, inschatten, meebewegen. Niet alle kinderen worden geslagen. Sommigen blijven fysiek buiten schot. Maar niemand blijft buiten het systeem van angst, spanning en aanpassing.
De centrale these van dit artikel is dat in gezinnen met structureel geweld geen ervaringen worden verdeeld, maar rollen. Wie geraakt wordt, wie spaart, wie sust, wie draagt—dat verschilt per kind. Het ene kind wordt doelwit van agressie, het andere vangt de klappen emotioneel op, weer een ander probeert het geheel bij elkaar te houden. Het ontbreken van fysiek geweld betekent niet het ontbreken van schade; het betekent vaak dat het geweld een andere vorm aanneemt.
Binnen dit gezin ontstaat een extra laag door het familiebedrijf. Werk en gezin zijn niet gescheiden domeinen, maar in elkaar verweven. Loyaliteit aan de ouders is tegelijkertijd loyaliteit aan het bedrijf. Meewerken is bijdragen, maar ook: niet lastig zijn, niet ontregelen, de boel draaiende houden. De vraag wie wordt de opvolger? speelt daardoor niet alleen praktisch, maar ook moreel en emotioneel.
Wie is sterk genoeg?
Wie blijft?
Wie verdient het?
En misschien nog fundamenteler: wie mag zich losmaken zonder het gezin — en het bedrijf — te verraden?
De moeder neemt in dit systeem een ambivalente, maar niet neutrale positie in. Zij werkt weliswaar niet mee in het bedrijf, maar draagt verantwoordelijkheid en is voortdurend aanwezig (op de achtergrond), maar grijpt niet in wanneer de vader gewelddadig is. Integendeel: op momenten wijst zij hem expliciet op de vermeende onwil of het tekortschieten van een kind, wetende dat dit de kans op agressie vergroot. Het geweld wordt zo indirect geactiveerd en ingebed in het dagelijks functioneren van het gezin. Haar handelen en stilzwijgen worden door de kinderen verschillend geïnterpreteerd: als onmacht, als strategie, als poging tot controle, als bescherming van zichzelf, maar ook als verraad. Tegelijkertijd positioneert zij zich als zorgdrager — voor de vader, voor het bedrijf en voor het behoud van een façade van normaliteit. Voor de kinderen wordt daarmee al vroeg duidelijk dat overleven in dit gezin om aanpassing, loyaliteit en zorg vraagt, en dat het benoemen van grenzen of onwil niet leidt tot gesprek, maar tot escalatie.
Wat hierdoor naar de achtergrond verdwijnt, is de eigen pijn. Veel kinderen ontwikkelen een scherp oog voor de context van hun ouders — stress, verantwoordelijkheid, verleden — en gebruiken dat begrip om hun eigen ervaring te relativeren. Het was niet altijd slecht. Hij bedoelde het niet zo. Zij kon ook niet anders. Begrip en loyaliteit staan niet tegenover pijn, maar er vaak bovenop. Ze bedekken haar, maken haar stiller.
In gezinnen als deze blijft niemand onaangeraakt. Niet omdat iedereen hetzelfde meemaakt, maar omdat iedereen een functie krijgt binnen het geweld. En die functies werken door—in hoe volwassen kinderen zich verhouden tot werk, verantwoordelijkheid, leiderschap en opvolging. De vraag wie het bedrijf overneemt, is daarmee ook de vraag:
wie zet het systeem voort, en wie durft het te verlaten?
Geweld als systeem, niet als incident
Huiselijk geweld wordt vaak begrepen als een reeks incidenten: momenten waarop iemand de controle verliest, te ver gaat, of achteraf spijt betuigt. In gezinnen waar geweld structureel aanwezig is, schiet deze benadering tekort. Het gaat niet om losse uitbarstingen, maar om een chronisch relationeel patroon waarin macht, angst en aanpassing het dagelijks leven organiseren. Geweld is geen onderbreking van de relatie, maar een onderdeel ervan.
Binnen zo’n systeem manifesteert geweld zich in verschillende vormen. Fysiek geweld is het meest zichtbaar en daardoor vaak het meest erkend. Het laat sporen na die benoemd kunnen worden, al gebeurt dat lang niet altijd. Psychisch en emotioneel geweld daarentegen zijn diffuser: vernedering, dreiging, kleinering, het systematisch ondermijnen van autonomie of zelfvertrouwen. Deze vormen van geweld laten minder tastbare sporen achter, maar werken diep door in het zelfbeeld en het relationele functioneren van kinderen.
Naast directe agressie speelt dreiging een centrale rol. Niet weten wanneer de stemming omslaat, welke opmerking te veel is, of wie vandaag het doelwit wordt, creëert een voortdurende staat van alertheid. Controle en intimidatie hoeven daarbij niet expliciet te zijn; een blik, een stilte, een verschuiving in toon kan voldoende zijn om gedrag bij te sturen. Het geweld zit niet alleen in wat gebeurt, maar in wat kan gebeuren.
Deze onvoorspelbaarheid maakt dat alle gezinsleden worden geraakt, ook degenen die nooit fysiek zijn geslagen. Kinderen leren hun gedrag voortdurend af te stemmen op de machtigste persoon in het systeem. Zij ontwikkelen een fijngevoeligheid voor spanningen, nemen verantwoordelijkheid voor de emotionele sfeer en proberen escalatie te voorkomen. Zo ontstaat een dynamiek waarin aanpassing wordt beloond en verzet wordt bestraft—openlijk of impliciet.
Wanneer de gewelddadige ouder bovendien maatschappelijke autoriteit draagt, zoals in het geval van een politiefunctionaris, krijgt het geweld een extra laag. Angst wordt versterkt door het besef dat deze persoon wordt gezien als beschermer, handhaver, professional. Voor kinderen ondermijnt dit de mogelijkheid om hun ervaring te vertrouwen. Wie zal hen geloven? Wat zegt het over hen als iemand die geacht wordt rechtvaardig en beheerst te zijn, thuis zo anders handelt?
Deze context vergroot de neiging tot internalisering. De logische conclusie wordt niet: dit is geweld, maar: er zal wel iets mis zijn met mij. Schuld, schaamte en zelftwijfel nestelen zich diep, juist omdat de buitenwereld het systeem bevestigt. Zo werkt geweld niet alleen beschadigend in het moment zelf, maar vormt het een kader waarin kinderen leren zichzelf, relaties en macht te begrijpen.
“Niet alle kinderen zijn geslagen” – Differentiële traumatisering
In gezinnen met structureel geweld is getuige zijn geen passieve ervaring. Wie ziet wat er gebeurt, kan zich er niet buiten houden. Het geweld roept onmiddellijk een innerlijk appel op: moet ik dit stoppen? had dit voorkomen kunnen worden? waarom doet de ander niets? Getuige zijn dwingt tot handelen—of juist tot het onderdrukken daarvan. Die innerlijke strijd is op zichzelf al ingrijpend.
Kinderen ontwikkelen verschillende manieren om zich tot het geweld te verhouden. Sommigen proberen tussenbeide te komen, letterlijk of door te sussen. Anderen keren zich innerlijk af en ontwikkelen boosheid of minachting richting het kind dat doelwit wordt: waarom trapt hij erin? waarom lokt zij het uit? Weer anderen gaan zorgen—voor de ouder, voor broers of zussen, voor de sfeer in huis. Al deze reacties zijn pogingen om grip te krijgen op een situatie die fundamenteel onveilig is.
Geweld wordt binnen zulke gezinnen zelden willekeurig toegepast. Het is vaak selectief: gericht op één of enkele kinderen, terwijl anderen relatief gespaard blijven van fysieke agressie. Deze selectiviteit draagt bij aan wat wel differentiële traumatisering genoemd kan worden. Niet iedereen maakt hetzelfde mee, maar iedereen wordt gevormd door het systeem waarin het geweld plaatsvindt.
Binnen dit systeem ontstaan herkenbare, maar niet starre rollen. Het zogeheten zondebok-kind draagt openlijk de agressie en wordt vaak gezien als ‘lastig’ of ‘opstandig’. Het aangepaste of ‘gouden’ kind probeert door meegaandheid en prestatie veiligheid te creëren. Het onzichtbare kind minimaliseert zijn aanwezigheid om niet op te vallen. En de beschermer—soms het oudste kind, soms degene met het meeste overzicht—probeert het geweld te reguleren, te voorspellen of te neutraliseren. Deze rollen zijn geen persoonlijkheidstypen, maar overlevingsstrategieën die in reactie op het geweld ontstaan en kunnen wisselen per context en levensfase.
Een cruciaal misverstand is dat alleen fysiek geweld traumatiserend zou zijn. Het ontbreken daarvan betekent niet dat een kind ongedeerd blijft. Juist het voortdurend moeten inschatten, anticiperen en reguleren van spanning kan diep ingrijpen. Dit wordt vaak aangeduid als secundaire traumatisering: het trauma van het getuige zijn, van het leven in de nabijheid van geweld.
Secundaire traumatisering uit zich in hyperalertheid, oververantwoordelijkheid en een verstoorde relatie tot boosheid en macht. Het kind leert niet alleen wat geweld is, maar ook wat het kost om het te zien gebeuren zonder het te kunnen stoppen. Die ervaring—dat je moet kiezen tussen ingrijpen, afkeren of zorgen—laat sporen na, ook wanneer het geweld je lichaam nooit direct heeft geraakt.
Parentificatie: wanneer kinderen zorgdragers worden
Parentificatie verwijst naar een proces waarbij een kind structureel verantwoordelijkheden op zich neemt die niet passen bij zijn of haar ontwikkelingsfase. Het gaat daarbij niet om incidenteel helpen, maar om een verschuiving in rollen: het kind wordt zorgdrager, emotioneel of praktisch, ten koste van het eigen kind-zijn. Binnen de literatuur wordt vaak onderscheid gemaakt tussen instrumentele parentificatie—het overnemen van praktische taken—en emotionele parentificatie, waarbij het kind verantwoordelijk wordt voor het emotionele welzijn van de ouders of het gezinsklimaat.
In gezinnen waarin geweld aanwezig is, wordt parentificatie niet alleen waarschijnlijk, maar vaak noodzakelijk. Het geweld creëert een voortdurende dreiging die gereguleerd moet worden. Kinderen leren de vader te sussen, de moeder te ontzien, conflicten te voorkomen voordat ze escaleren. Ze ontwikkelen een fijn afgestemd gevoel voor stemming en timing: wanneer zwijgen veiliger is dan spreken, wanneer meebewegen beter werkt dan begrenzen. Deze zorg is geen vrije keuze, maar een overlevingsstrategie binnen een systeem dat geen ruimte laat voor afhankelijkheid.
De paradox van parentificatie wordt door veel volwassen kinderen treffend verwoord in twee ogenschijnlijk tegenstrijdige overtuigingen: “Ik was sterk” en “Ik moest wel.” De ervaren competentie—het gevoel dat je het gezin overeind hield—gaat samen met het besef dat er geen alternatief was. Wat later als kracht wordt gezien, was destijds noodzaak. Trots en verlies bestaan naast elkaar.
Op volwassen leeftijd blijven de gevolgen van deze vroege rolomkering vaak zichtbaar. Oververantwoordelijkheid is een terugkerend thema: moeite om taken los te laten, het gevoel altijd beschikbaar te moeten zijn, snel schuld ervaren wanneer men grenzen stelt. Grenzen voelen niet als gezonde zelfzorg, maar als verwaarlozing van de ander. Daarnaast is er vaak een diepe moeite met het ontvangen van zorg. Afhankelijkheid roept schaamte of ongemak op, omdat zorg in de kindertijd gekoppeld raakte aan gevaar of schuld.
Parentificatie laat daarmee een dubbel spoor na. Ze kan leiden tot grote competentie en draagkracht, maar ook tot uitputting en vervreemding van eigen behoeften. Pas wanneer de zorg voor het systeem niet langer noodzakelijk is, ontstaat ruimte om te onderzoeken wat er onder die rol heeft gelegen: het kind dat nooit de gelegenheid kreeg om gedragen te worden.
Loyaliteit, schuld en begrip voor ouders
Loyaliteit van kinderen aan hun ouders is geen bewuste keuze, maar een existentieel gegeven. Kinderen zijn afhankelijk van hun ouders voor veiligheid, erkenning en bestaansrecht. Die afhankelijkheid maakt loyaliteit onvermijdelijk, zelfs wanneer ouders schade toebrengen. In gezinnen met geweld verdwijnt loyaliteit daarom niet; zij verplaatst zich. Niet weg van de ouder, maar vaak weg van het eigen gevoel en richting zelfverantwoordelijkheid.
Om het geweld hanteerbaar te maken, ontwikkelen kinderen verklaringen die het gedrag van de ouder begrijpelijk maken. Zij rationaliseren het geweld door context te zoeken: stress, een moeilijke jeugd, werkdruk, maatschappelijke verantwoordelijkheid. Hij had het ook zwaar. Zij kon niet anders. Deze verklaringen zijn geen ontkenning van het geweld, maar een poging om de relatie te behouden. Begrip wordt een brug tussen afhankelijkheid en werkelijkheid.
Een tweede beweging is het verplaatsen van verantwoordelijkheid naar zichzelf. Wanneer de ouder fundamenteel onveilig is, is het voor een kind psychisch minder bedreigend om te geloven dat het geweld ergens logisch of verdiend was, dan om te moeten erkennen dat degene van wie het afhankelijk is willekeurig en oncontroleerbaar handelt. Als ik me anders had gedragen, was het niet gebeurd. Schuld wordt zo een vorm van controle: pijnlijk, maar overzichtelijk.
Deze dynamiek werkt diep door in de volwassenheid. Afstand nemen van ouders—emotioneel, fysiek of relationeel—roept vaak intense schuldgevoelens op. Niet omdat de volwassen zoon of dochter niet weet wat er is gebeurd, maar omdat afstand voelt als een schending van een fundamentele orde. Het benoemen van geweld kan worden ervaren als verraad, niet alleen aan de ouder, maar aan het gezinssysteem en aan het beeld dat dit systeem jarenlang bijeen heeft gehouden.
Hier ontstaat een hardnekkige verwarring tussen begrip hebben en goedkeuren. Veel volwassen kinderen menen dat erkenning van hun eigen pijn automatisch betekent dat zij hun ouders veroordelen of afwijzen. Alsof er slechts twee posities mogelijk zijn: alles begrijpen en dragen, of alles afwijzen en verbreken. Deze valse tegenstelling houdt het innerlijke conflict in stand.
Begrip kan echter bestaan zonder instemming. Het is mogelijk om de context van ouders te zien, zonder het geweld te legitimeren. Het is mogelijk om loyaliteit te voelen, zonder de schade te ontkennen. Pas wanneer deze onderscheidingen gemaakt mogen worden, ontstaat er ruimte voor een eigen positie—waarin waarheid en verbondenheid niet langer elkaars tegenpolen zijn.
Binnen de contextuele theorie wordt loyaliteit niet gezien als een gevoel of keuze, maar als een structurele werkelijkheid. Kinderen zijn vanaf hun geboorte verbonden met hun ouders via een verticale loyaliteit: een existentiële band die voortkomt uit afhankelijkheid en gegeven leven. Deze loyaliteit blijft bestaan, ongeacht de kwaliteit van het ouderschap. Ook geweld verbreekt haar niet; het vervormt haar.
Wanneer ouders tekortschieten of schade toebrengen, ontstaat er in de relationele balans een verstoring van wat Boszormenyi-Nagy het relationele rechtvaardigheidsgevoel noemt. Het kind ontvangt niet wat het nodig heeft, maar blijft wel verplicht tot verbondenheid. Deze asymmetrie is voor een kind ondraaglijk. Om de relatie te kunnen behouden, wordt de balans intern hersteld—niet door de ouder verantwoordelijk te houden, maar door schuld naar binnen te halen.
In deze context wordt schuld geen gevolg van falen, maar een relationele oplossing. Door verantwoordelijkheid voor het geweld bij zichzelf te leggen, kan het kind de ouder blijven zien als in essentie goed, of in ieder geval begrijpelijk. Context zoeken — hij had het zwaar, zij was bang, ze wist niet beter — is in dit licht geen ontkenning van geweld, maar een poging tot loyaliteitsbehoud. Begrip fungeert als moreel cement in een scheef gegroeide relatie. Als ik ontschuldig kan de relatie blijven bestaan en ben ik zelf bereid de schuld op mij te nemen: ik was ook zo moeilijk.
De contextuele theorie benoemt dit als destructieve loyaliteit: een vorm van trouw die ten koste gaat van het zelf. Het kind betaalt de relationele schuld van de ouder met eigen welbevinden, grenzen en waarheid. Deze loyaliteit is niet pathologisch; zij is logisch binnen een systeem waarin wederkerigheid ontbreekt en afhankelijkheid absoluut is.
Wanneer volwassen kinderen later afstand willen nemen — door grenzen te stellen, contact te verminderen of het geweld te benoemen — wordt deze oude balans opnieuw bedreigd. Schuldgevoelens laaien op, niet omdat de keuze verkeerd is, maar omdat zij raakt aan de oorspronkelijke loyaliteitsbinding die noodzakelijk is voor het kind om te overleven, maar het voelt als iets van het NU. Afstand voelt als moreel falen: alsof ik hen iets ontneem, alsof ik ondankbaar ben, alsof ik het gezin verbreek. In contextuele termen gaat het hier om existentiële schuld, niet om feitelijke schuld.
Deze schuld wordt vaak versterkt door de zorgrol die kinderen hebben ontwikkeld. Wie jarenlang heeft bijgedragen aan het emotioneel of praktisch functioneren van het gezin, ervaart grenzen stellen als een onrechtmatige onttrekking. Het stoppen met zorgen voelt als het veroorzaken van schade, zelfs wanneer die zorg nooit passend was.
Een cruciale verwarring die hieruit voortkomt, is die tussen begrip hebben en goedkeuren. In contextueel perspectief zijn dit fundamenteel verschillende bewegingen. Begrip erkent de context van de ander; goedkeuring legitimeert het handelen. Veel volwassen kinderen durven hun eigen pijn niet volledig te erkennen uit angst dat zij daarmee hun ouders moreel veroordelen en de loyaliteitsband verbreken. Deze angst houdt hen gevangen tussen zwijgen en schuld.
Contextueel herstel vraagt niet om verbreking van loyaliteit, maar om herpositionering. Dat betekent: erkennen wat ontvangen is én wat ontbrak, zonder de verantwoordelijkheid daarvoor te dragen. Pas wanneer destructieve loyaliteit mag transformeren naar volwassen, wederkerige verbondenheid—of naar begrensde afstand—kan schuld plaatsmaken voor morele helderheid.
De mythe van de ‘goede’ en de ‘slechte’ ouder
In gezinnen met structureel geweld is de neiging groot om ouders moreel eenduidig te positioneren: de ene ouder als ‘goed’, de andere als ‘slecht’. Deze indeling biedt houvast, maar doet zelden recht aan de werkelijkheid van kinderen die opgroeien met geweld. Hun ervaring wordt juist gekenmerkt door tegenstrijdigheid. Dezelfde ouder kan zorgend, betrokken en liefdevol zijn, en tegelijkertijd intimiderend, onvoorspelbaar of gewelddadig. Deze ambivalentie is geen detail, maar de kern van de verwarring.
Voor kinderen is het psychisch onmogelijk om volledig afhankelijk te zijn van iemand die uitsluitend als gevaarlijk wordt ervaren. Om de relatie te kunnen behouden, ontstaat een cognitieve en emotionele splitsing. De liefdevolle ouder en de gewelddadige ouder worden innerlijk uit elkaar gehaald, alsof het twee personen betreft. Wat niet te verenigen is, wordt gescheiden: goede momenten worden gekoesterd, gewelddadige momenten geminimaliseerd, verklaard of geïsoleerd.
Deze splitsing heeft een beschermende functie, maar kent een prijs. Kinderen leren hun eigen waarneming te wantrouwen. Boosheid wordt gevaarlijk, omdat zij de verbinding kan bedreigen. Twijfel aan de ouder wordt twijfel aan zichzelf. Zo ontstaat een innerlijke logica waarin tegenstrijdige ervaringen naast elkaar bestaan zonder werkelijk geïntegreerd te worden.
In volwassen relaties blijft deze vroege splitsing vaak werkzaam. Volwassen kinderen uit gewelddadige gezinnen hebben een verhoogde tolerantie voor grensoverschrijdend gedrag, juist wanneer dit wordt afgewisseld met zorg of affectie. Liefde en pijn zijn immers van jongs af aan met elkaar verbonden geraakt. Het stellen van grenzen voelt niet vanzelfsprekend, maar als een vorm van overdrijving of ondankbaarheid.
Daarnaast is boosheid vaak problematisch. Zij wordt ingehouden, omgeleid of naar binnen geslagen. Boos zijn roept angst op: angst om de ander te beschadigen, om relaties te verliezen, of om zelf ‘de slechte’ te worden. Veel volwassenen herkennen daarom eerder verdriet of schuld dan woede, ook wanneer die woede gerechtvaardigd zou zijn.
Ten slotte leeft er vaak een hardnekkige angst om te overdrijven. Omdat geweld niet continu aanwezig was, maar werd afgewisseld met zorg en normaliteit, wordt het eigen lijden voortdurend gerelativeerd. Zo erg was het toch niet? Andere mensen hadden het slechter. Deze twijfel is geen bewijs van veerkracht, maar een echo van de splitsing die ooit nodig was om het ouderbeeld intact te houden.
Het loslaten van de mythe van de goede en de slechte ouder betekent niet dat ouders tot monsters worden gemaakt. Het betekent dat tegenstrijdigheid verdragen mag worden. Pas wanneer liefde en geweld in één verhaal mogen bestaan, ontstaat er ruimte voor een volwassen perspectief—waarin erkenning niet langer hoeft te wijken voor loyaliteit, en waarin grenzen niet gelijkstaan aan afwijzing.
Volwassen worden met een geweldsgeschiedenis
Volwassen worden met een geschiedenis van geweld betekent niet dat het verleden voorbij is. Het betekent dat oude patronen zich op nieuwe manieren aandienen. Sommige volwassenen herkennen in hun eigen leven een herhaling van wat zij kenden: relaties waarin grenzen vervagen, werkcontexten met hiërarchische spanning, een neiging tot aanpassen of zorgen. Anderen slaan juist de tegenovergestelde weg in en breken rigide met alles wat herinnert aan het ouderlijk systeem. Ook deze breuk kan worden gestuurd door het verleden: niet als vrije keuze, maar als noodzakelijke bescherming.
Binnen één gezin ontstaan daarbij grote verschillen tussen de kinderen. Waar de één erkenning zoekt en woorden geeft aan wat er is gebeurd, kiest de ander voor ontkenning of minimalisering. Niet omdat het geweld er niet was, maar omdat erkennen te ontwrichtend voelt—voor het zelfbeeld, voor de loyaliteit aan de ouders, of voor de onderlinge verhoudingen. Deze verschillen kunnen diepe breuklijnen veroorzaken tussen broers en zussen, juist omdat zij uit hetzelfde gezin komen maar niet hetzelfde verhaal mogen vertellen.
Ook in de omgang met ouders lopen de wegen uiteen. Sommigen behouden contact, soms intensiever dan wenselijk, soms op afstand maar met voortdurende innerlijke betrokkenheid. Anderen kiezen voor een duidelijke breuk, tijdelijk of definitief. Geen van deze posities is op zichzelf gezond of ongezond; hun betekenis ligt in de mate van keuzevrijheid. Waar contact of breuk voortkomt uit angst, schuld of dwang, blijft het verleden leidend. Waar zij voortkomen uit een bewuste positionering, ontstaat ruimte voor autonomie.
Een centraal, maar vaak onderschat proces in deze fase is rouw. Niet alleen rouw om wat er is gebeurd—het geweld, de onveiligheid, de gemiste bescherming—maar ook rouw om wat er nooit is geweest. Om de ouder die had kunnen ingrijpen. Om de zorgeloosheid die ontbrak. Om het kind-zijn dat te vroeg werd ingeruild voor verantwoordelijkheid. Deze rouw is complex, omdat zij geen duidelijk object heeft en vaak wordt overschaduwd door loyaliteit en begrip.
Binnen families wordt rouw bovendien zelden collectief gedragen. Ieder kind rouwt om iets anders, op een ander moment, in een ander tempo. Het idee van één gezamenlijke waarheid werkt dan verstikkend. Het recht op een eigen narratief—los van broers en zussen—is daarom essentieel. Er bestaat geen hiërarchie van leed en geen verplichting tot consensus.
Volwassenwording betekent in deze context niet dat men ‘verder gaat’ of ‘loslaat’, maar dat men het eigen verhaal mag vertellen zonder zich te hoeven aanpassen aan het verhaal van de ander. Pas wanneer die ruimte ontstaat, kan het verleden zijn plaats krijgen: niet als bepalende kracht, maar als onderdeel van een levensgeschiedenis die van henzelf is.
Herstel: van overleven naar positioneren
Herstel na een geschiedenis van geweld wordt vaak begrepen in termen van vergeving, verzoening of afsluiting. Deze begrippen kunnen helpend zijn, maar zijn niet universeel en zeker niet noodzakelijk. Voor veel volwassen kinderen uit gewelddadige gezinnen ligt herstel niet in het herstellen van de relatie met de ouders, maar in het herstellen van de eigen positie. Herstel is dan geen relationeel eindpunt, maar een innerlijke verschuiving: van overleven naar positioneren.
Positionering betekent dat iemand zijn of haar ervaring serieus neemt, zonder die te hoeven afwegen tegen de loyaliteit aan ouders. Het vraagt om erkenning van álle vormen van geweld: het zichtbare en het subtiele, het actieve en het nalatige, het fysieke, psychische en relationele. Zolang delen van de ervaring geminimaliseerd blijven, blijft ook het zelf verdeeld. Erkenning is daarmee geen aanklacht, maar een noodzakelijke voorwaarde voor integratie.
Een tweede kernvoorwaarde voor herstel is ruimte voor ambivalentie. Liefde en woede, begrip en afwijzing, verbondenheid en afstand mogen naast elkaar bestaan. Herstel vraagt niet om een eenduidig oordeel over ouders, maar om het verdragen van tegenstrijdigheid zonder die te hoeven oplossen. Waar ambivalentie wordt toegestaan, verdwijnt de druk om te kiezen tussen loyaliteit en waarheid.
Essentieel in dit proces is het loslaten van ouderlijke zorg. Voor veel volwassen kinderen is dit het moeilijkste deel. De zorgrol was niet alleen een strategie, maar ook een identiteit. Het stoppen met zorgen voelt als verraad of nalatigheid, terwijl het in werkelijkheid een correctie is op een vroeg ontstane rolomkering. Het loslaten van deze zorg maakt ruimte voor rouw—en voor een leven dat niet langer wordt georganiseerd rondom de noden van het verleden.
Therapie en coaching kunnen hierin een cruciale rol spelen. Niet als plekken waar vergeving moet worden bereikt of relaties moeten worden hersteld, maar als contexten waarin loyaliteit niet hoeft te verdwijnen om waarheid te mogen bestaan. In een veilige therapeutische ruimte kan onderzocht worden wat van wie is, waar verantwoordelijkheid thuishoort en welke posities nog steeds onbewust worden ingenomen.
Herstel betekent in deze zin niet dat het verleden verdwijnt, maar dat het zijn dwingende kracht verliest. Wie zich kan positioneren, hoeft niet langer te reageren vanuit oude rollen. Er ontstaat keuzevrijheid: in nabijheid en afstand, in spreken en zwijgen, in zorgen en laten. Dat is geen verzoening met het verleden, maar een verzoening met het Herstel: van overleven naar positioneren.
En het familiebedrijf en hun loyaliteit en de opvolging
In gezinnen waarin een familiebedrijf centraal staat, krijgt herstel een extra dimensie. Het bedrijf is niet alleen een economische entiteit, maar een verlengstuk van het gezinssysteem. Loyaliteit aan ouders valt samen met loyaliteit aan het bedrijf; meewerken betekent erbij horen, afstand nemen voelt als afwijzing. In een context van geweld wordt het bedrijf zo een plaats waar oude rollen worden bestendigd en gelegitimeerd.
De vraag naar opvolging is in deze gezinnen zelden een neutrale of rationele kwestie. Zij is beladen met morele betekenissen: wie is trouw geweest, wie heeft volgehouden, wie heeft het meeste gedragen? Opvolging wordt daarmee niet zozeer toegekend op basis van geschiktheid, maar op basis van loyaliteitskapitaal. Kinderen die zich hebben aangepast, gezorgd of gezwegen, maken vaak meer kans dan degenen die grenzen stelden of afstand namen.
Geweld speelt hierin een stille, maar sturende rol. Kinderen leren al vroeg dat tegenspraak gevolgen heeft—emotioneel, relationeel of fysiek. In het bedrijf vertaalt zich dat naar conflictvermijding, overmatige verantwoordelijkheid en een diepgewortelde angst om fouten te maken. Besluitvorming is zelden vrij; zij wordt gestuurd door de vraag wat escalatie voorkomt. Zo wordt het bedrijf een plek waar overleving belangrijker is dan ontwikkeling.
Herstel vraagt in deze context om meer dan persoonlijke verwerking. Het vraagt om positionering ten opzichte van het bedrijf zelf. Voor sommige volwassen kinderen betekent dit blijven, maar vanuit een andere plek: met duidelijke grenzen, gedeelde verantwoordelijkheid en erkenning van wat het hen heeft gekost. Voor anderen betekent herstel juist vertrekken—niet als vlucht, maar als bewuste keuze om het systeem niet langer te reproduceren. Beide posities kunnen gezond zijn, mits zij voortkomen uit keuzevrijheid in plaats van schuld of dwang.
Het loslaten van ouderlijke zorg krijgt hier een concrete vorm. Wie stopt met zorgen voor het emotionele welzijn van de ouders, stopt vaak ook met het dragen van het bedrijf als morele plicht. Dit kan gevoelens van schuld oproepen: als ik vertrek, stort alles in. Deze gedachte is zelden realistisch, maar diep geworteld in een geschiedenis waarin het kind daadwerkelijk bijdroeg aan het voortbestaan van zowel gezin als onderneming.
Therapie en coaching kunnen in dit proces helpen door het onderscheid expliciet te maken tussen familieloyaliteit en zakelijke verantwoordelijkheid. In een veilige context kan onderzocht worden welke rollen ooit functioneel waren, maar nu belemmerend werken. Ook kan daar ruimte ontstaan om te erkennen dat het bedrijf niet alleen een bron van trots en identiteit is geweest, maar ook een plaats waar geweld, zwijgen en ongelijkheid werden doorgegeven.
De gevolgen van deze dynamieken zijn zichtbaar op volwassen leeftijd: uitputting, moeite met leiderschap, angst voor autoriteit, of juist een rigide controledrang. Opvolgers dragen vaak een onzichtbare last: zij erven niet alleen het bedrijf, maar ook het onuitgesproken contract om het verleden niet ter discussie te stellen. Herstel betekent dan niet dat het bedrijf moet verdwijnen, maar dat dit contract mag worden herzien.
Herstel als positionering houdt in dat volwassen kinderen zichzelf toestaan om het bedrijf niet langer te gebruiken als plaatsvervanger voor erkenning of verbondenheid. Pas wanneer het mogelijk wordt om nee te zeggen—tegen het bedrijf, tegen de rol, tegen de verwachting—kan een ja ontstaan dat niet voortkomt uit angst of schuld, maar uit keuze. Dat is geen verraad aan het familiesysteem, maar een noodzakelijke stap om te voorkomen dat geweld en destructieve loyaliteit van generatie op generatie worden doorgegeven.eigen bestaan.
Niemand bleef onaangeraakt
Dit artikel begon met de constatering dat geweld in gezinnen zelden overal zichtbaar is. Niet omdat het er niet is, maar omdat het zich verdeelt. In gezinnen met structureel geweld worden geen ervaringen verdeeld, maar rollen. Wie geslagen wordt, wie spaart, wie sust, wie draagt—die verdeling bepaalt het dagelijks functioneren. Wat die rollen gemeen hebben, is dat ze ontstaan uit noodzaak, niet uit keuze.
Daarmee is ook een hardnekkig misverstand te ontkrachten: het idee dat wie niet fysiek is geslagen, minder of geen schade heeft opgelopen. Ik ben niet geslagen betekent niet: dus het viel mee. Het betekent vaak: ik heb op een andere manier betaald. Met alertheid, met schuld, met zorg, met het inleveren van spontaniteit of boosheid. De afwezigheid van blauwe plekken is geen maat voor afwezigheid van geweld.
In het gezinssysteem dat hier is beschreven, werd geweld ingebed in loyaliteit, werk en verantwoordelijkheid. Het familiebedrijf functioneerde als bindmiddel, maar ook als drager van zwijgen en aanpassing. Opvolging werd daarmee niet alleen een zakelijke kwestie, maar een morele last. Wie bleef, droeg voort. Wie vertrok, voelde zich schuldig. In beide gevallen werkte het geweld door, vaak lang nadat het feitelijk was gestopt.
Wat deze geschiedenis zichtbaar maakt, is dat de vraag niet is wie het meeste leed heeft ervaren. Die vergelijking leidt zelden tot erkenning en vaak tot verdere verwijdering. De wezenlijke vraag is wie het minste ruimte kreeg om kind te zijn. Wie te vroeg moest begrijpen, zorgen, dragen of zwijgen. Wie zijn eigen ervaring moest relativeren om het systeem intact te houden.
Herstel begint waar deze dynamiek benoemd mag worden zonder dat loyaliteit wordt opgeëist of schuld wordt opgelegd. Niet door ouders te reduceren tot daders, en kinderen niet tot slachtoffers, maar door het systeem te begrijpen dat geweld mogelijk maakte en in stand hield. Pas wanneer rollen hun noodzaak verliezen, ontstaat ruimte voor positie. En pas wanneer positie mogelijk wordt, kan het verleden zijn plaats krijgen—zonder opnieuw te worden doorgegeven.
Niemand bleef onaangeraakt. Dat erkennen is geen aanklacht, maar een opening. Voor waarheid, voor rouw, en voor een toekomst waarin geweld niet langer het organiserende principe hoeft te zijn.
