Volle tijd
Over wat er gebeurt als het overschot nergens meer heen kan
In het vorige stuk, Levenskracht en Stuwing, kwam ik uit bij een vraag: waar sta ik nog op wacht terwijl er niemand komt. Ik liet haar liggen omdat ik dacht dat ze het einde was. Ze blijkt het begin te zijn van vier dingen die ik daar niet heb aangeraakt, en die ik nu één voor één wil opgraven, omdat ze bij elkaar horen op een manier die ik nog niet zie.
Het eerste is een zin die mensen uitspreken als ze iets groots hebben gedaan wat ze jarenlang niet durfden. ‘Ik kon niet anders.’ Ze zeggen het niet triomfantelijk, eerder verbaasd, alsof ze zichzelf hebben zien handelen. Iemand heeft acht jaar geweten dat de baan niet meer klopt. Hypotheek, kinderen, collega’s, en wat dan. En dan, op een dag, is blijven zwaarder dan gaan, en gaat hij.
Ik wil weten wat er in die acht jaar gebeurt. De gangbare lezing is dat die jaren verloren zijn, uitstel, angst. Ik geloof dat niet meer. Water in een rivier stuwt niet. Water stuwt tegen een dam. De hypotheek, de kinderen, het wat-dan, dat zijn de wanden. Zonder wanden was er geen druk geweest, alleen een lek: een mens die bij elk verlangen meteen vertrekt, bouwt niets op. De jaren van blijven zijn de jaren waarin het vat zich vult.
Jeremia heeft hierover de eerlijkste zin die ik ken. Hij heeft besloten niet meer te spreken, het levert hem alleen spot op. En dan: het werd in mijn hart als een brandend vuur, opgesloten in mijn beenderen; ik werd moe van het inhouden en ik kon niet. Het Hebreeuws voor inhouden is kalkel. Ik ken dat werkwoord van ergens anders. Het is het woord dat Jozef gebruikt als hij zijn familie naar Egypte haalt: ik zal jullie daar onderhouden. Hetzelfde woord. Bij Jozef betekent het voeden, dragen, in stand houden. Bij Jeremia betekent het opsluiten tot je erbij neervalt.
Het is dus één werkwoord met twee gezichten, en het verschil zit niet in het woord. Het vat dat voedt en het vat dat gevangen houdt is hetzelfde vat. Wat maakt het verschil? Ik denk: de vulgraad. Zolang er ruimte is, draagt de wand. Zodra het vol is, wordt dezelfde wand een muur. De psychologie van de positieve desintegratie zegt precies dit: de structuur die je jarenlang heeft gedragen, moet op een gegeven moment breken, en de druk die haar breekt is geen ziekte maar ontwikkeling die haar behuizing is ontgroeid. Wat aan de buitenkant crisis heet, is aan de binnenkant een vat dat vol is.
‘Ik kon niet anders!’ is dus de zin van iemand wiens vat is overgelopen. Er is niet gekozen. Er is niets meer dat kan kiezen, want kiezen veronderstelt twee mogelijkheden, en de ene was inmiddels onmogelijk geworden.
Het tweede ligt in de schaduw van het eerste. Als het overloopt, gaan er deuren open, en er gaan deuren dicht. Onherroepelijk dicht. Mensen die verdwijnen uit je leven. Een vriendschap die niet meekan. Een plek waar je niet meer welkom bent nadat je je eigen plek hebt ingenomen. Daar spreekt niemand graag over, omdat verschijnen een feestelijk woord is en verdwijnen niet.
Ik ga naar het brein, omdat ik daar iets vermoed. Een kind van twee heeft meer verbindingen tussen zijn hersencellen dan een volwassene. Veel meer. De ontwikkeling daarna is voor een groot deel snoeien: verbindingen die niet gebruikt worden, verdwijnen. Het brein groeit door te sluiten. Wat wij volwassenheid noemen, is neurologisch gezien een enorm verlies van mogelijkheden, ten gunste van een paar die werkelijk gaan. Een kind dat alles zou kunnen, kan niets. Het kunnen zit in wat dichtging.
Systemisch is het niet anders. Een mens die in een familie zijn plek inneemt, verlaat daarmee de plekken die niet van hem waren: die van de ouder die hij droeg, van de partner die hij voor zijn moeder was, van het kind dat hij bleef om iemand niet alleen te laten. Die plekken sluiten achter hem. En de mensen die hem daar nodig hadden, kunnen hem nu niet volgen. De deur die dichtvalt, is vaak de deur van een plek waar hij nooit had moeten staan.
En dan de zin uit Genesis die ik jarenlang gelezen heb zonder haar te zien. Noach gaat de ark in, met alles wat leeft. En de Eeuwige sloot achter hem toe. Niet Noach sluit de deur. Hij wordt ingesloten, van buiten. Ik denk dat dit de enige plek in de Schrift is waar God met eigen hand een deur dichtdoet, en het is de deur die het leven door de vloed heen draagt. De deur die onherroepelijk dichtvalt en de deur die redt, zijn in dat vers dezelfde deur. Noach had haar zelf niet kunnen sluiten. Wie kan zijn eigen vlucht afsnijden?
Het derde is de tijd. In het vorige stuk kwam ik bij de juiste plek uit, en ik liet de juiste tijd liggen alsof die vanzelf sprak. Dat doet ze niet.
Prediker 3 begint met: voor alles is een zman, en een et voor elk chefetz onder de hemel. De NBV maakt daarvan: “Voor alles wat gebeurt is er een uur, een tijd voor alles onder de hemel.” Die vertaling smelt de twee tijdswoorden samen tot één, en maakt van chefetz (verlangen, behagen, wat iemand wil) een kleurloos “alles”. Twee woorden voor tijd, en ze zijn niet hetzelfde. Zman is de vastgestelde tijd, de afspraak, de klok. Et is iets anders. Het is de tijd die rijp is, en het woord is verwant met nu. En dan het derde woord, dat vertalingen vlak maken tot zaak of ding: chefetz betekent verlangen, behagen, dat wat je wilt. Er is een rijpe tijd voor elk verlangen onder de hemel. Dat staat er. Het verlangen heeft een tijd, en die tijd is niet die van de klok.
Het Griekse Nieuwe Testament tilt dit op met een woord dat ik nooit heb kunnen vergeten sinds ik het zag. Toen de tijd vol was, zond God zijn zoon. Het volle van de tijd, plèroma. En in het eerste hoofdstuk van Marcus: de tijd is vervuld, letterlijk: volgelopen. Tijd is in die taal geen lijn waarop je een punt aanwijst. Tijd is een vat. Het loopt vol. En de juiste tijd is niet een moment dat je uitkiest maar het moment waarop het over de rand gaat.
Nu zie ik waarom mijn eerste en derde punt bij elkaar horen. Ik kon niet anders en het was de juiste tijd zijn dezelfde gebeurtenis, van twee kanten bekeken. Van binnen heet het overlopen; van buiten heet het rijp. Het lichaam weet het eerder dan het hoofd: de meetbare voorbereiding op een beweging is in het brein al aan de gang vóór het moment waarop iemand meent te beslissen. Het besluit is de laatste die het hoort.
En Prediker zegt er in hetzelfde hoofdstuk bij waarom je het dan pas achteraf ziet: hij heeft de eeuwigheid in hun hart gelegd, zonder dat de mens het werk van begin tot einde kan doorgronden. De verborgenheid zit in je hart, niet erbuiten. Je draagt de hele beweging in je en overziet haar niet. Daarom klinkt de zin dit had ik hier blijkbaar te doen altijd als een terugblik. Ze kan niet vooruit worden uitgesproken.
Het vierde is het woord dat ik in het vorige stuk liet vallen en niet opraapte: de wacht. Als de stuwing die elk kind in beweging zet, bij een volwassene opnieuw op gang kan komen, dan is ze ergens gestopt. Ik wil weten waar.
Ik geloof niet dat ze stopt. Ik geloof dat ze wordt omgeleid. Een kind wiens overschot naar buiten wil, kruipt de kamer door, tenzij er iemand in die kamer is die het kind in de gaten moet houden. Een moeder die niet draagt, maar gedragen moet worden. Een vader wiens stemming de temperatuur in huis bepaalt. Dan gaat het overschot niet naar het tuinhekje maar naar de ander, en het kind wordt wachter. Het krijgt wat het niet nodig had, de last van een volwassene, en het krijgt niet wat het wel nodig had, iemand die de wacht voor hém hield. Alles wat later stuwing had moeten worden, gaat naar het in stand houden van iemand anders.
Het gebeurt uit liefde. Dat is het meest onhandelbare eraan. Het kind kiest niet om te bewaken; het kan het niet laten, om dezelfde reden waarom het anders was gaan kruipen. Het overschot moet ergens heen. En dertig jaar later staat die wacht nog, terwijl de ouder allang dood is of gewoon in Drenthe woont, omdat een wacht die uit liefde is begonnen, niet uit vermoeidheid stopt. Wie hem verlaat, voelt zich een verrader. De motor is niet kapot. Hij draait op volle toeren, alleen zit hij aan de verkeerde as gekoppeld. Het lichaam heeft dat zelfs ingebouwd: een zenuwstelsel dat vroeg op wacht is gezet, kalibreert zijn rustpunt daarnaar, en noemt die waakzaamheid voor de rest van het leven gewoon rust.
Wie lost zo’n wacht af? In psalm 127 staat een zin waar ik steeds naar terugkeer. Als de Eeuwige de stad niet bewaakt, waakt de wachter tevergeefs. En dan de regel die volgt: vergeefs staat u vroeg op en gaat u laat zitten, eters van brood van moeite; hij geeft het zijn beminde in de slaap. In de slaap. Niet als beloning na de wacht, maar terwijl de wachter niet waakt. En het vers daarna gaat over kinderen als erfdeel, alsof de psalm wil zeggen: het overschot, de vermeerdering, komt pas aan bod als iemand anders de muur heeft overgenomen.
Iemand anders. Daar stokt het. Een wacht wordt niet afgelost door een besluit van de wachter. Hij wordt afgelost doordat iemand zijn plaats inneemt, en de mens die dat had moeten doen, heeft het destijds niet gedaan. Ik kan niet zeggen wie het alsnog doet. Systemisch gezien kan een ouder terugnemen wat een kind droeg, maar de meeste ouders komen nooit. Er staat de Eeuwige, en ik weet niet wat dat woord betekent voor iemand die al veertig jaar op de muur staat en nog nooit is afgelost.
Wat ik wel zie, is de vorm. Vier keer hetzelfde vat. Het loopt vol tot het niet anders kan, de deur valt van buiten dicht, de tijd is rijp voordat het hoofd het weet, en het geven gebeurt in de slaap. Nergens in die vier is de mens degene die het doet. Overal is hij degene bij wie het gebeurt.
Ik weet niet of dat een troost is. Voor de wachter is het dat vooralsnog niet.
