Vóór het zaad geworpen werd
Neergeworpen
Ik denk dat God mij gewild heeft voor de grondlegging der wereld. In dit gezin, in deze rij, in deze tijd. Ik schrijf het op en merk hoe vaak die zin gezegd wordt, zo vaak dat hij glad is geworden. Dus ga ik terug naar waar hij vandaan komt: Efeze 1:4, pro katabolēs kosmou.
=> Katabolē is geen bouwwoord. Het betekent neerwerpen, naar beneden gooien. In Hebreeën 11:11 staat hetzelfde woord voor wat er met Sara gebeurt: zij ontvangt kracht tot katabolē spermatos, het neerleggen van zaad. De wereld is dus niet gefundeerd zoals je een huis fundeert. Ze is gezaaid. En vóór dat eerste zaad de grond raakte, was er al een wil die mij bedoelde.
Dan verandert wat “in deze rij” betekent. De rij is de lijn van het zaad zelf: vader, grootvader, de vrouwen van wie ik de namen niet eens ken. Als ik gewild ben vóór het werpen, dan ben ik niet ergens in die lijn terechtgekomen. Dan liep de lijn naar mij toe. Iedere generatie droeg iets door waarvan zij niet wist voor wie het was.
Dat verdraagt geen trots. Wie gewild is voordat hij iets kon, heeft niets verdiend. Het enige wat overblijft is de plek innemen die er al was!

Een letter met wit eromheen
Wat mij bij herlezing stilzet: Paulus schrijft “ons”. Hij heeft ons uitverkoren, in Hem. Mijn zin begon met “mij”. De tekst laat dat “mij” niet vallen, maar zet het in een meervoud en in een Ander. Ik ben gewild, en ik ben gewild als deel van iets.
De joodse traditie heeft daar een beeld voor dat ik niet meer kwijtraak. De naam Jisraël wordt gelezen als de beginletters van een zin: er zijn zeshonderdduizend letters in de Torah. Eén letter voor iedere ziel die bij de Sinai stond. En de wet over het schrijven van een Torahrol is streng. Ontbreekt er één letter, dan is de hele rol ongeldig. Niet een beetje minder, maar onbruikbaar.
Daarnaast staat een tweede regel, minder bekend. Geen letter mag de andere raken. Om iedere letter moet perkament zichtbaar blijven, wit. Een letter die tegen zijn buur aan geschreven is, maakt de rol net zo goed ongeldig als een letter die ontbreekt.
Ik lees die twee regels naast elkaar. Mijn “wat anders niet in de wereld gezet zou worden” klopt, maar het is maar de helft. De rol heeft mij nodig om heel te zijn. En de rol heeft het wit om mij heen nodig om leesbaar te zijn. Opgaan in het geheel maakt de tekst net zo onleesbaar als ontbreken. Het ik en het wij sluiten elkaar hier niet uit. Ze zijn allebei een voorwaarde voor dezelfde heelheid.
Wie bepaalt hoeveel wit er om een letter moet staan? De schrijver, niet de letter.

Erin wandelen
Mijn zin eindigde met een doel: zodat ik iets kan neerzetten met mijn gaven en talenten. Ik merk dat ik daar snel naartoe wil. Gewild zijn voelt pas gerechtvaardigd als er iets uit komt.
Maar Efeze 1 noemt een ander doel, en eerder. Uitverkoren om heilig en onberispelijk te zijn voor Zijn aangezicht, in liefde. Er staat nog niets in over doen. Het eerste waartoe ik gewild ben, is gezien worden. Als ik gezien ben, dan ben ik erkend, welkom geheten.
Het gaat dus niet om wat ik heb, wat ik doe of wat anderen mensen over mij zeggen. Het gaat om dat ik er ben, en daardoor in mijn zijn er al toe doet.
Efeze 2:10. Wij zijn Zijn poiēma. Het woord waar ons “poëzie” uit komt. Een gemaakt ding, met zorg gemaakt, met een vorm die klopt. Geschapen tot goede werken die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen.
Ik lees het drie keer. De werken zijn er al. Ze liggen klaar, zoals een weg klaarligt. Ik zet ze niet neer. Ik loop erin. Dit gaat niet vanzelf. Dat staat er niet. Wandelen vraagt voeten, en een weg kun je ook missen. Maar de vraag verschuift wel. Van: wat moet ik met mijn gaven in de wereld zetten? Naar: welke weg ligt hier al, onder mijn voeten, en zie ik hem?
Het Hebreeuws heeft daar een woord voor. Halacha, de weg die je gaat, van halach, lopen. Het Jodendom noemt zijn hele leefregel naar het lopen.

In dit gezin
Het makkelijkste deel van mijn zin is “in deze tijd”. Het moeilijkste is “in dit gezin”.
Als ik werkelijk gewild ben in dít gezin, dan ben ik ook gewild in wat dit gezin mij niet kon geven. En in wat het mij gaf op een moment dat ik het niet nodig had. Het gewild-zijn loopt dan door het tekort heen, niet eromheen.
Jeremia hoort: voordat Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend. Het werkwoord is jada, het woord dat ook gebruikt wordt voor Adam die Eva bekende. Kennen van binnenuit. Wat in die schoot gevormd werd, werd gevormd door deze moeder, met haar angsten, haar lichaam, haar geschiedenis. Het kennen ging daar niet omheen.
Psalm 139 gaat nog een stap verder terug. Uw ogen zagen mijn golem, mijn ongevormde klomp. Het woord voor wat nog geen vorm heeft. Zelfs het onaffe was gezien, voordat er iets aan te zien was.
Misschien liggen de werken die voor mij bereid zijn juist daar. In de vorm die de pijn van deze plek aan mijn gaven heeft gegeven. Wat ik weet over breuk, weet ik omdat ik hier geboren ben en niet ergens anders.
Meetstal zeg ik: Alleen van je wonden draag je vrucht.
Maar één vraag krijg ik niet dicht. Betekent gewild zijn in dit gezin dat de pijn gewild was? Of alleen dat ik gewild was, midden in een pijn die niemand wilde? Het eerste maakt God hard. Het tweede maakt Hem kleiner dan de tekst Hem tekent. Ik weet het antwoord niet.
LEES VERDER: Het land dat al gegeven is
