Het land dat al gegeven is
Dit artikel is een vervolg op: voor het zaad geworpen werd
Het snoer
Ik heb opgeschreven dat ik gewild ben in deze rij. Nu stuit ik op een volgende laag. Toen Israël uit Egypte kwam, kreeg niet alleen het volk land, maar iedere stam, ieder geslacht, ieder huis een eigen stuk. Een plek in de rij krijgt in het Oude Testament grond onder de voeten.
Het woord daarvoor is nachalah, erfdeel. Het deelt zijn letters met nachal, een beekdal, water dat naar beneden stroomt. Een erfdeel komt van boven, door de geslachten heen, naar je toe. Je kunt het verliezen, en toch blijft het van jou. In het jubeljaar ging verkocht land terug naar het huis waar het bij hoorde (Leviticus 25). Wat van je is, kan worden vervreemd. Het kan niet ophouden van je te zijn.
De verdeling ging niet naar wens of verdienste. Er werd geloot, goral (Numeri 26, Jozua 14 tot 19). Niemand koos zijn eigen grond.
David zingt daarover in Psalm 16: de meetsnoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen. Het woord is chevel, het touw waarmee land werd uitgemeten, en ook het stuk land zelf. Ik zoek het woord verder op en schrik. In het meervoud, chevlei, betekent hetzelfde woord barensweeën. Chevlei leidah, de weeën van het baren.
Het snoer dat mijn plek afmeet en de pijn waaronder iets ter wereld komt, zijn in deze taal één woord. David noemt zijn plek liefelijk. Hij zegt niet dat ze pijnloos was.
De voetzool
In Jozua 1:3 zegt God: iedere plaats waarop uw voetzool zal treden, heb Ik u gegeven. De grammatica wringt. Het treden ligt in de toekomst, het geven in het verleden. Natati, Ik héb gegeven, voltooid. Het land is al van hen voordat zij er een stap hebben gezet. En toch moeten ze erheen lopen, plek voor plek, met hun eigen voeten.
Zeventien hoofdstukken later staat Jozua bij zeven stammen die nog geen grond hebben ingenomen. Hij vraagt: hoe lang blijven jullie nog traag om het land in bezit te nemen dat de HEER jullie gegeven heeft? (Jozua 18:3). Ze hadden het al. Ze woonden er niet.
Dat raakt me harder dan ik verwachtte. Ik kan gewild zijn, mijn plek kan uitgemeten zijn, en ik kan er toch niet wonen.
Het erfdeel wacht niet tot ik het verdien. Het wacht tot ik erop sta.
Wat maakt die stammen traag? De tekst zegt het niet. Misschien de vermoeidheid na veertig jaar woestijn. Misschien dat een leven als zwerver bekend terrein is geworden, en grond onder je voeten verantwoordelijkheid betekent. Wie geen plek heeft, kan ook niet tekortschieten op zijn plek.
De koopman
Het land moest leeg van alles wat er niet bij hoorde. Die opdracht is gewelddadig, en ik ga daar niet omheen. Maar de joodse mystiek heeft haar altijd ook naar binnen gelezen, en daar opent ze iets.
Zeven volken woonden in Kanaän. In de chassidische lezing zijn dat de zeven krachten van het gevoelsleven, de onderste zeven sefirot, in hun onverloste vorm.
Chesed, liefde, die vasthouden wordt.
Gevurah, kracht, die hardheid wordt.
Tiferet, schoonheid, die ijdelheid wordt.
Netzach, volharding, die doordrammen wordt en altijd willen winnen.
Hod, overgave, die zichzelf wegcijferen wordt.
Yesod, verbinding, die versmelten wordt en genot zoeken.
Malchut, het koningschap, dat heerszucht wordt.
Wat mijn land bezet houdt, komt dus uit mijzelf: mijn eigen vermogens, die er wonen in een vorm die er niet thuishoort.
Dan de naam van het land zelf. Kena’an betekent ook handelaar, koopman. Hosea gebruikt het zo: een koopman met een valse weegschaal in zijn hand (Hosea 12:8). De oorspronkelijke bewoner van mijn erfdeel is de koopman. Het deel in mij dat rekent, ruilt, weegt wat iets oplevert. Dat liefde geeft om liefde terug te krijgen. Dat mijn gaven op de markt brengt om te bewijzen dat ik er mag zijn.
Nu zie ik de tegenstelling. Een erfdeel krijg je zonder te betalen. Het is het enige bezit dat buiten de ruil staat. De koopman kan er niet wonen zonder het te bederven, want hij kent geen andere taal dan prijs. Het land veroveren betekent dan: ophouden mijn plek te kopen.
Beetje bij beetje
Ik had in mijn hoofd: alles eruit wat er niet hoort, alles erin wat er wel hoort. De tekst remt die beweging af, en wel op een plek die ik bijna over het hoofd zag.
Exodus 23:29–30. Ik zal hen niet in één jaar voor u uitdrijven, opdat het land niet woest wordt en het wild van het veld zich niet tegen u vermenigvuldigt. Beetje bij beetje zal Ik hen voor u uitdrijven, totdat u vruchtbaar bent geworden en het land in bezit neemt.
Het tempo van het leegmaken is gekoppeld aan het tempo van het groeien. Een land dat sneller ontruimd wordt dan het bewoond kan worden, verwildert. Wat de Kanaänieten ook waren, ze hielden de akkers bewerkt en de wilde dieren op afstand.
Hier lees ik iets wat ik uit mijn werk ken, al had ik het nooit in deze woorden gezien. Een overlevingsvorm die vroeg is ontstaan, heeft het land bewoonbaar gehouden toen er niets anders was. De controle, het pleasen, het verdwijnen in werk. Haal je die weg voordat er iets is dat de plek kan dragen, dan vermenigvuldigt het wild zich: paniek, leegte, lichaamssymptomen, een zenuwstelsel dat nergens meer houvast vindt.
God verdrijft hier zelf, en Hij doet het langzaam. Die traagheid is zorg, voor het land en voor wie er moet gaan wonen.
Houthakkers en waterputters
En dan is er Gibeon (Jozua 9). Een volk uit het land zelf dat zich vermomt als reizigers van ver, met beschimmeld brood en versleten sandalen. Israël sluit een verbond zonder God te raadplegen. Als de list uitkomt, is het te laat. Een gezworen verbond kan niet worden teruggenomen. Gibeon blijft.
Maar het blijft niet zoals het was. Jozua maakt hen houthakkers en waterputters voor het huis van God, voor het altaar. Wat niet verdreven kon worden, krijgt een plek, en die plek is dienst. Eeuwen later staat de tabernakel in Gibeon. Daar krijgt Salomo in een droom de vraag wat hij wil ontvangen (1 Koningen 3). De grond van de bedrieger wordt de plek van de wijsheid.
Hier schuren twee dingen tegen elkaar die ik allebei voor waar houd. Alles eruit wat niet bij het land hoort. En: alles wat er is, hoort erbij en wil erkend worden. Gibeon verzoent die twee niet, maar laat zien hoe ze samen kunnen wonen. Het oude blijft, maar het heerst niet meer. Het draagt hout en water aan voor iets groters dan zichzelf. Misschien wordt de koopman in mij nooit helemaal verdreven. Misschien kan hij leren dienen.
Richteren 1 vertelt wat er in werkelijkheid gebeurde: stam na stam verdreef de bewoners niet. Het boek is daar eerlijk over. En aan het begin van de verdeling, als Jozua oud is, zegt God tegen hem: er blijft nog zeer veel land over om in bezit te nemen (Jozua 13:1). Dat zegt Hij niet aan het begin van Jozua’s leven, maar aan het eind.
Ik weet niet of een erfdeel ooit helemaal bewoond wordt in één leven.
LEES OOK: reukwerk voor Gods aangezicht
Zeven namen
De overlevering verbindt de zeven volken met de zeven krachten, maar zegt niet welk volk bij welke kracht hoort. Wat volgt is mijn eigen lezing, langs de namen en de verhalen.
De Ferezieten dragen hun naam van perazot, open dorpen zonder muur. Zo wonen zij in het land: overal, zonder omheining.
Daarin herken ik Chesed, de liefde die stroomt en geen rand kent. Een liefde zonder muur beschermt niets, ook zichzelf niet. Omdat ze nergens ophoudt, gaat ze vasthouden wat ze raakt.
De Hethieten, bnei Chet, dragen het woord chat in zich, verschrikking.
Bij hen leg ik Gevurah, de kracht die grenzen trekt. Een grens die uit angst wordt getrokken, wordt hard. Het oordeel komt dan sneller dan de blik.
De Amorieten worden in Amos beschreven als zo hoog als de ceders en zo sterk als eiken (Amos 2:9). Hun naam klinkt in amar, spreken. Hoogte en het woord: daar zit Tiferet, de schoonheid en het evenwicht in het hart van de boom. Onverlost wordt die schoonheid gestalte zonder binnenkant, en het woord wordt grootspraak.
De Kanaänieten zijn de kooplieden. Die heb ik al eerder bij het hele land gelegd. Bij één kracht passen ze het meest: Netzach. Het woord betekent volharding, maar ook overwinning. De koopman houdt vol omdat hij moet winnen. Iedere ruil is een strijd die hij niet mag verliezen.
Dan de Girgasieten. Volgens de Jeruzalemse Talmoed trokken zij weg toen Jozua kwam, zonder te strijden. Het enige volk dat uit zichzelf ging. Ik leg hen bij Hod, de overgave, het buigen. Hier blijf ik haken. Is wie vertrekt voordat er gevraagd wordt, de verloste vorm van overgave, of de onverloste? Wie verdwijnt voordat het conflict er is, cijfert zichzelf weg. Maar de midrasj prijst hen, en zegt dat ze elders een land kregen. Ik weet het niet.
De Hevieten komen in twee verhalen voor, en beide gaan over verbinding die ontspoort. Sichem, zoon van de Heviet Hamor, neemt Dina met geweld en wil haar daarna tot vrouw (Genesis 34). Gibeon, ook een Hevietische stad, krijgt een verbond door een list (Jozua 9). Een verbond dat wordt genomen in plaats van gesloten. Dat is Yesod, het fundament, de plaats van het verbond en van de seksualiteit. Onverlost wordt verbinden versmelten of nemen.
En de Jebusieten hielden Jeruzalem, de stad van de koning, het langst vast (Richteren 1:21). Pas David nam haar in. Hun naam komt van bus, vertrappen. Malchut, het koningschap, dat heersen wordt.
Toen ik de verhalen naast elkaar legde, viel me nog iets op. Drie keer wordt er in het land grond gekocht, voor de volle prijs. Abraham koopt de grot van Machpela van de Hethieten (Genesis 23). Jakob koopt een akker bij Sichem van de zonen van de Heviet Hamor (Genesis 33:19). David koopt de dorsvloer van Arauna de Jebusiet, de plek waar later de tempel staat (2 Samuel 24). De midrasj zegt dat de volken over juist deze drie plekken nooit kunnen beweren dat ze gestolen zijn (Bereshit Rabba 79:7).
Gevurah, Yesod, Malchut. De grens, het verbond, het koningschap. Juist op die drie plekken wordt de koopman met zijn eigen munt betaald. Het graf, de akker, de plaats van het heiligdom. Misschien zijn er krachten die je niet kunt veroveren, alleen terugkopen. En dan zo dat de prijs volledig is betaald.
LEES VERDER: Het land dat uitspuwt
