Het land dat uitspuwt
De voorgaande artikelen zijn:
* https://www.dinekevankooten.nl/archief/voor-het-zaad-geworpen-werd/
* https://www.dinekevankooten.nl/archief/het-land-dat-al-gegeven-is/
Uitgespuwd
De joodse overlevering zegt dat het volk in ballingschap ging omdat het zijn land niet in bezit had genomen. Het had de vreemde volken laten wonen en het land niet ontgonnen. Ik zocht waar dat vandaan komt, en het staat er al voordat de Jordaan is overgestoken.
Numeri 33:55–56. Als u de bewoners van het land niet voor u uit verdrijft, dan zullen zij die u laat blijven doornen worden in uw ogen en prikkels in uw zijden. Ze zullen u benauwen in het land waarin u woont. En dan volgt de zin waar ik bij stilval: wat Ik van plan was hun te doen, zal Ik u doen.
Wat je laat wonen, neemt jouw plek in. En dan moet jij weg, niet zij. Het erfdeel blijft bestaan. Alleen de erfgenaam is er niet meer.
Leviticus gebruikt een nog lichamelijker beeld. Het land spuwt zijn bewoners uit, zoals het de volken vóór u heeft uitgespuwd (Leviticus 18:28). Het werkwoord is qi, braken. Het land heeft hier een maag, en het verdraagt niet wat er niet in hoort.
Dat betekent iets wat ik nog niet goed overzie. Het land oordeelt niet over wie je bent. Het reageert op wat er in hem leeft. De Kanaänieten werden uitgespuwd om hoe ze er woonden. Israël wordt uitgespuwd omdat het ging wonen zoals zij. Psalm 106 zegt het zonder omweg: ze vernietigden de volken niet, ze vermengden zich met hen en leerden hun werken. Na een paar generaties was er voor het land geen verschil meer.
De sabbatten die het land nam
De Bijbel geeft nog een tweede reden voor de ballingschap, en die leek eerst een andere. Het laatste vers van Kronieken zegt dat de ballingschap zeventig jaar duurde totdat het land zijn sabbatten vergoed had (2 Kronieken 36:21). Elk zevende jaar moest het land rusten. Het werd niet bezaaid en niet geoogst. Dat was niet gebeurd. Dus nam het land die rust zelf, toen er niemand meer was om het te bewerken. Leviticus 26:34 had het al voorzegd: dan zal het land zijn sabbatten inhalen, al de dagen dat het verwoest ligt.
Ik zette die twee redenen naast elkaar en toen vielen ze samen.
In het vorige artikel vond ik dat Kena’an ook koopman betekent. De koopman is degene die rekent, ruilt en laat renderen. Wat een koopman niet kan, is ophouden. Een akker die een jaar braak ligt, is voor hem verlies. Wie de Kanaäniet laat wonen, neemt zijn ritme over. Dan wordt het land elk jaar ingezaaid, omdat stilstand niets oplevert.
De twee redenen zijn dus één reden. Het volk liet de vreemde bewoners blijven, en die bewoners werkten het land kapot. Een erfdeel is gegeven grond. Wie het behandelt als bedrijf, vergeet van wie het is. De sabbat is het moment waarop je dat erkent: zes jaar werk je, het zevende jaar laat je het land aan Hem die het gaf.
Zeventig jaar ballingschap tegen zeventig vergeten sabbatsjaren. Het land vergat niets. Zoals een lichaam dat jarenlang zonder rust heeft doorgewerkt, haalde het de rust in die het tekort was gekomen.
Eén letter
Het Hebreeuwse woord voor ballingschap is golah. Het werkwoord eronder, galah, betekent in ballingschap gaan. Hetzelfde werkwoord betekent ook ontbloten, onthullen. Wat in ballingschap gaat, komt bloot te liggen. In het eigen land kon het volk verborgen blijven achter zijn bezit. Ver weg blijft alleen over wat het werkelijk is.
Dan het woord voor verlossing, ge’ulah. Ik leg de twee woorden naast elkaar. Ze verschillen in één letter. Voeg aan golah een alef toe, en er staat ge’ulah.
De alef is de eerste letter. Hij heeft getalswaarde één. Hij maakt zelf geen klank, hij draagt alleen de klinker die erop volgt. In de mystiek is hij het teken van de Ene, die in alles aanwezig is en nergens hoorbaar.
De ballingschap hoeft dus niet te worden opgeheven om verlossing te worden. Er hoeft niets uit weg. Er moet iets in: de stille letter, het teken van Hem die het land gaf. Dezelfde letters, dezelfde verbanning, dezelfde vreemde stad. Met de alef erin wordt het verlossing.
Hier wil ik te snel naar troost. Dat staat er niet. Er staat dat ballingschap en verlossing bijna hetzelfde woord zijn, en dat het verschil het kleinste is wat er bestaat. Hoe die alef erin komt, zegt het woord niet.
Tuinen in Babel
Jeremia schrijft een brief aan de ballingen in Babel (Jeremia 29). Ik verwacht een oproep tot volharden, tot heimwee. Er staat iets anders. Bouw huizen en woon erin. Plant tuinen en eet de vrucht ervan. Trouw, krijg kinderen, laat je kinderen trouwen. Zoek de vrede van de stad waarheen Ik u heb weggevoerd, want in haar vrede zal uw vrede zijn.
Het volk dat zijn eigen land niet ontgon, moet nu ontginnen in een land dat niet van hem is. Wat het thuis naliet, leert het in den vreemde. Het merkwaardige is dat het daar geen bezit kan worden. Een tuin in Babel kun je niet als erfdeel claimen. Je plant hem omdat er gewoond moet worden, en je weet dat je hem achterlaat. Misschien leert juist dat het bewerken los van het bezitten. Wat de koopman nooit kon.
En dan Babel zelf. Daar stond de toren, daar werden de volken verstrooid (Genesis 11). Uit die streek, uit Ur, werd Abraham geroepen om weg te gaan naar een land dat hem gewezen zou worden. De ballingschap brengt het volk terug naar het punt waar zijn geschiedenis begon. Het moet opnieuw beginnen bij de roeping, voordat er land was.
De rabbijnen voegen er iets aan toe wat ik niet had verwacht. Overal waar Israël in ballingschap ging, ging de Sjechina met hen mee (Talmoed, Megilla 29a). De Sjechina is de inwonende aanwezigheid van God. Ze blijft niet achter in het lege land. Ze gaat zelf in ballingschap. Wie zijn plek verloor, verloor zijn God niet. God werd zelf ontheemd.
Zaad in tranen
Psalm 126 is een lied van de terugkeer. Toen de HEER de gevangenen van Sion terugbracht, waren wij als dromenden. Dan, aan het eind: die in tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Wie wenend voortgaat en het zaad draagt om te zaaien, komt met gejuich terug en draagt zijn schoven.
Ik lees het en zie het woord terug waarmee ik begon. Het eerste stuk ging over katabolē, het neerwerpen van zaad, vóór de grondlegging van de wereld. Hier wordt opnieuw zaad geworpen, bij de terugkeer naar het land. Ditmaal door mensen, en ze huilen erbij. Wie terugkomt, krijgt het land in handen zoals het er na zeventig jaar braak bij ligt, en moet het opnieuw inzaaien, met de hand.
De terugkeer van de ballingen gebeurde ook echt. Ezra en Nehemia bouwden de tempel en de muur opnieuw. Maar de vraag van de vreemde bewoners kwam onmiddellijk mee terug (Ezra 9). Ezra beantwoordde haar hard, en ik weet niet of ik zijn antwoord wil volgen. En eeuwen later viel ook de tweede tempel. De joodse traditie leeft sindsdien met het besef dat de ballingschap niet voorbij is. In elk gebed wordt gevraagd om terugkeer.
Dus blijft de vraag open die het vorige stuk al liet staan. Wordt een erfdeel is dus niet vanzelfsprekend dat het bewoond wordt. Ballingschap volgt in de tekst op falen. Toch kan het ook de beweging zijn waardoor een volk ontdekt wat het is, als alles wat het bezat is weggevallen. Galah, onthuld worden.
Wat ik zeker weet, is minder. De Sjechina ging mee. Het land wachtte, en nam intussen zijn rust. En wie terugkeerde, nam zaad mee.
