Waar oxytocine op reageert
Vrouwen leven in een maandcyclus. Waar het lichaam van een man elke ochtend een nieuwe ronde begint, werkt het lichaam van een vrouw in een golf van ongeveer achtentwintig dagen: oestrogeen dat opbouwt naar de eisprong, progesteron dat daarna overneemt, een daling die de volgende ronde inluidt. De maan doet er even lang over. Wie in dat ritme leeft, kan zich niet elke dag opnieuw uitvinden; zij beweegt mee met iets dat groter is dan de dag en dat haar een deel van de maand naar buiten en een ander deel naar binnen keert. Onder die golf ligt een tweede systeem dat niet cyclisch is maar situationeel, en dat van moment tot moment leest of zij veilig is, verbonden is, gedragen wordt. Dat systeem heet oxytocine, en het is het vrouwelijke antwoord op dezelfde vraag die testosteron bij de man beantwoordt: klopt het leven waarin dit lichaam zich bevindt?
Een hormoon dat verbinding leest
Oxytocine wordt meestal het knuffelhormoon genoemd, en die naam verhult meer dan hij verklaart. Het hormoon komt vrij bij aanraking, bij de bevalling, bij borstvoeding, bij een gesprek waarin iemand werkelijk luistert. Maar het doet iets preciezers dan warmte verspreiden: het verlaagt de waakzaamheid. Onder oxytocine daalt de cortisol, ontspant het zenuwstelsel en verschuift het lichaam van verdedigen naar ontvangen. Het is het hormoon dat een vrouw in staat stelt zich over te geven zonder dat haar systeem alarm slaat.
Daarmee is het ook het hormoon dat het scherpst reageert op onveiligheid. Cortisol en oxytocine houden elkaar in evenwicht, en wanneer de dreiging chronisch wordt, wint cortisol. Dan kan een vrouw wel aangeraakt worden en niets ontvangen, wel horen dat ze geliefd is en het niet binnenkrijgen. Het lichaam weigert zich te openen zolang het niet gelezen heeft dat openen veilig is. Onderzoek naar stress bij vrouwen liet zien dat zij onder druk niet primair vechten of vluchten, maar zorgen en verbinden; oxytocine is de motor daarvan. Wat dat onderzoek minder benadrukte: die beweging naar zorg kan ook een manier zijn om onveiligheid te overleven. Een vrouw die voor iedereen zorgt, maakt oxytocine aan door te geven, en houdt daarmee een systeem gaande waarin zij zelf nooit ontvangt.
Oestrogeen en progesteron versterken dit. Oestrogeen verhoogt de gevoeligheid voor oxytocine, waardoor een vrouw in de eerste helft van haar cyclus meer open is, meer naar buiten gericht, meer geneigd te verbinden. Progesteron in de tweede helft doet het omgekeerde: het roept haar naar binnen en maakt haar minder verdraagzaam voor wat niet klopt. Wie de tweede helft van de cyclus wegzet als humeurigheid, mist dat het lichaam dan de balans opmaakt van wat de eerste helft aan het licht bracht.

Waar het lichaam leerde of ontvangen mocht
De vraag of openen veilig is, wordt niet in een relatie beantwoord maar in de eerste jaren. Een meisje leert vroeg wat er gebeurt met haar behoefte wanneer zij die toont. Wordt haar nood ontvangen, of wordt zij degene die de nood van anderen moet ontvangen?
Vroegkinderlijk trauma is hier zelden spectaculair. Het is krijgen wat je op dat moment niet nodig had: een moeder die haar eigen verdriet, haar eenzaamheid in het huwelijk of haar teleurstelling bij haar dochter neerlegde, zodat het meisje al jong de ontvangende partij werd in plaats van de ontvangen partij. Of het is niet krijgen wat je op dat moment wel nodig had: een vader die haar zag, die haar liet merken dat haar aanwezigheid iets teweegbracht, dat haar levendigheid ergens aankwam. In beide gevallen slaat het lichaam dezelfde conclusie op: ik ben veilig zolang ik geef.
Een volwassen vrouw met deze geschiedenis is vaak buitengewoon competent in verbinding. Zij voelt iedereen aan, regelt wat geregeld moet worden, draagt wat gedragen moet worden. Haar oxytocine stroomt, maar in één richting. Wat ontbreekt is de ervaring dat iemand anders het draagt, en juist die ervaring is waar haar systeem op wacht om de waakzaamheid los te laten. Zij kan jarenlang leven met een lichaam dat nooit helemaal ontspant, en dat toeschrijven aan drukte. Het is geen drukte. Het is een zenuwstelsel dat nooit gelezen heeft dat het ontvangen mag.
De plek in het systeem
Oxytocine daalt niet in een relatie zoals testosteron dat doet; het stijgt er juist, mits de relatie leest als veilig. Bij het moederschap piekt het, en die piek is intelligent: het lichaam bindt haar aan het kind op een moment dat het kind niets anders heeft dan die binding. Maar ook hier kent het lichaam twee bewegingen die van buiten op elkaar lijken.
De ene is die van een vrouw die haar plek heeft ingenomen: zij staat naast haar man, boven haar kinderen, onder haar ouders, en van daaruit geeft zij wat van haar gevraagd wordt, in de wetenschap dat er naast haar iemand staat die mee draagt. De andere is die van een vrouw die te veel plekken tegelijk bezet. Zij is moeder van haar kinderen en moeder van haar man; zij draagt het huishouden, de agenda, de emotionele temperatuur van het gezin; zij is ook nog de dochter die voor haar eigen moeder zorgt. Haar systeem geeft aan drie kanten en ontvangt aan geen enkele. De balans van geven en nemen, waar een systeem op rust, is bij haar structureel scheefgetrokken, en het lichaam registreert dat als onveiligheid, hoe liefdevol het gezin ook is.
Wat er dan met oxytocine gebeurt, is subtiel. Het hormoon blijft stromen, maar het bindt niet meer aan een partner die haar draagt; het bindt aan de mensen voor wie zij verantwoordelijk is. Zij hecht zich aan wie van haar afhankelijk is en raakt losser van wie naast haar zou moeten staan. Dat is de biochemie onder een verschuiving die veel vrouwen herkennen zonder haar te kunnen benoemen: ze houden van hun man en verlangen niet meer naar hem. Het verlangen was nooit een kwestie van liefde. Het was een kwestie van plek.
Of haar levendigheid ergens aankomt
De polariteit maakt zichtbaar waarom dit zo diep ingrijpt. Het vrouwelijke is de energie van het leven zelf, de stroom, de levendigheid die zich wil laten zien en gezien wil worden. Die stroom heeft richting nodig om zich te kunnen ontspannen; zonder een mannelijke kracht die haar draagt, moet zij die richting zelf aanhouden, en dan verstijft de stroom tot structuur. Een vrouw die alles moet sturen, verliest de lichtheid die haar eigen is, niet omdat ze daar niet toe in staat is, maar omdat haar lichaam in de stuurstand geen oxytocine aanmaakt maar cortisol.
Wie haar aanraakt in die stand, raakt een lichaam aan dat niet kan ontvangen. Dat is waarom veel mannen het gevoel hebben dat hun vrouw hen afwijst terwijl zij hen niet afwijst: haar systeem staat op verdedigen, en de aanraking komt binnen als een verzoek om nog iets te geven. Een vrouw verlaagt haar stress niet door op te lossen maar door te delen, en dat zij oxytocine aanmaakt wanneer zij gehoord wordt zonder gecorrigeerd te worden. Dat klinkt eenvoudig en is het niet, omdat luisteren zonder oplossen van een man vraagt dat hij zijn eigen systeem stilzet. Waar hij dat kan, ontspant zij, en wat dan terugkomt is haar levendigheid, die op haar beurt zijn richting wekt. Waar hij dat niet kan, blijft zij sturen, en verliezen beiden wat hen naar elkaar toe trok.
De cultuur prijst intussen de vrouw die alles kan. Zelfstandig, effectief, niemand nodig. Zij is de tegenhanger van de meegaande man en even ontregeld als hij: zij leeft in een lichaam dat de stroom heeft ingeruild voor controle, en noemt dat vrijheid. Welwood zou zeggen dat wat zij mist geen partner is die haar helpt, maar iemand die haar ontvangt.
Wat er dan werkelijk op het spel staat
Rond de overgang valt het oestrogeen weg, en daarmee de biochemische bereidheid om te verbinden, te verzachten, te schikken. Vrouwen beschrijven het vaak als een sluier die wordt weggetrokken: zij zien opeens scherp wat zij dertig jaar hebben gedragen en zijn niet langer bereid het te dragen. De cultuur leest dat als hormonale onrust en schrijft er iets voor. Het lichaam leest het anders. Het geeft, na drie decennia zorgen, de rekening af van een balans die nooit is hersteld, en het doet dat op een moment dat de cyclus stopt en de vrouw voor het eerst in een dagritme belandt dat op dat van de man lijkt.
Jung zag in de tweede levenshelft de omkering: waar de man zich naar binnen keert, keert de vrouw zich naar buiten, naar de wereld, naar haar eigen richting. Ook die verschuiving is intelligent, mits zij niet uit woede geboren wordt maar uit een plek die eindelijk is ingenomen. Een vrouw die in de overgang alles opzegt, kan een vrouw zijn die haar eigen richting vindt, of een vrouw die het dragen zo beu is dat zij niets meer wil ontvangen. Van buiten lijken die twee op elkaar.
Wat ik niet weet, is of een lichaam dat veertig jaar heeft geleerd dat ontvangen onveilig is, dat nog kan afleren; of de oxytocine die zich zo lang aan de zorg heeft gebonden, zich nog laat omdraaien naar iemand die naast haar staat; en of er naast haar nog iemand staat die dat kan dragen. Ik weet alleen dat een vrouw die niets meer voelt bij aanraking, geen vrouw is die niets meer voelt. Haar lichaam wacht nog steeds op een antwoord dat het al heel lang niet heeft gekregen.
Lees verder: Waar testosteron op reageert
En lees: Wat er tussen twee lichamen ontstaat

