Waar word ik werkelijk gelukkig van?
Het woord verraadt zichzelf. Geluk komt van het Middelnederlandse gelucke, verwant aan lukken: dat wat je toevalt. Het zit in de loterij, in “veel geluk ermee”, in de gokkast. Wie vraagt waar hij gelukkig van wordt, heeft in de vraag al vastgelegd dat hij de ontvangende partij is en dat het van buiten moet komen aanwaaien — via een baan, een partner, een huis, een half jaar in Portugal. De vraag is op zoek naar een leverancier.
De Grieken hadden een woord dat de mens ergens anders neerzet. Eudaimonia: letterlijk een goede daimon, een innerlijke leiding die goed staat. Aristoteles noemde het een energeia, van en ergon, “in het werk zijn”. Ons woord energie stamt daarvandaan en betekende oorspronkelijk werkzaamheid: iets dat bestaat zolang het gedaan wordt en ophoudt te bestaan zodra het stilvalt. Een mens is bij hem gelukkig zoals een fluitspeler fluitspeler is — tijdens het spelen. Daarbuiten is hij iemand met een fluit in de kast.
Dat verschil tussen een toestand en een werkzaamheid loopt door tot in het zenuwstelsel.
Het lichaam is niet gebouwd op rust
De affectieve neurowetenschap van Jaak Panksepp heeft ons iets nagelaten dat de populaire psychologie nog steeds verkeerd citeert. Dopamine geldt in de volksmond als de stof van het genot, maar wat Panksepp beschreef was het SEEKING-systeem: het circuit dat een dier vooruit beweegt, doet snuffelen, graven, onderzoeken, verwachten. Het gaat aan bij het naderen, niet bij het bereiken. Ratten drukken zich uit de naad voor het zoeken zelf. Bevrediging beëindigt het systeem; het zoeken houdt het levend. Het meest wakkere, meest geïnteresseerde deel van ons zenuwstelsel is precies het deel dat niet klaar wil zijn.
Daarnaast weten we inmiddels dat het lichaam zich niet regelt rond een vast punt waar het naar terug wil vallen. Het anticipeert. Het maakt zich vooraf klaar voor wat het denkt dat komen gaat, en het doet dat door energie uit te geven, niet door haar te bewaren. Een organisme dat zich uitsluitend zou richten op het minimaliseren van inspanning is een organisme dat zichzelf opheft. Rust ontleent haar betekenis aan datgene waarvan ze het herstel is. Zonder uitgave is rust geen rust maar leegloop, en dat voelt een mens haarfijn: de vermoeidheid van een zondag zonder inhoud is van een andere soort dan de vermoeidheid na een dag waarop iets van je gevraagd werd.
Dat is aan het lichaam zelf af te lezen. Een spier die niet belast wordt blijft niet gelijk, ze breekt zichzelf af. Bot doet hetzelfde: het bouwt zich op langs de lijnen van de druk die erop staat, en astronauten in gewichtloosheid verliezen botmassa in een tempo dat op aarde bij ziekte hoort. Gewichtloosheid is comfort, en het lichaam leest comfort als een bericht dat het zichzelf voortaan niet meer hoeft te dragen. Met een stem gaat het net zo: wie hem niet gebruikt, hoort hem smaller worden en onzekerder, tot hij van zichzelf gaat geloven dat hij nu eenmaal geen stem heeft.
Hier ligt de reden waarom mensen die alles op orde hebben — het huis, het inkomen, de agenda met voldoende witruimte — zich kunnen betrappen op een onbestemde wrevel waar ze zich schuldig over voelen. Er is niets mis. Er wordt alleen niets van hen gevraagd dat het aanzetten waard is.
Voortbrengen is een levensfunctie
Wie het woord creativiteit hoort, denkt aan een activiteit: schilderen, schrijven, iets in elkaar zetten in een schuur. Donald Winnicott gebruikte het woord voor iets veel fundamentelers. Hij bedoelde ermee hoe een mens zich tot de werkelijkheid verhoudt — overkomt de wereld hem, of maakt hij er iets mee. Het spelende kind is bij hem bezig in een gebied dat noch helemaal binnen noch helemaal buiten ligt, de ruimte waar het eigen innerlijk en de gegeven wereld elkaar raken en waar iets kan ontstaan dat er nog niet was.
Die ruimte valt dicht wanneer een mens zich voortdurend aanpast aan wat er van hem gevraagd wordt. Winnicott zag dat aanpassing zonder eigen inbreng een heel bepaald gevoel oplevert, dat hij futility noemde: de ervaring dat niets ergens toe doet. Het is geen verdriet en geen angst, en daarom herkennen mensen het zelden als een klacht die je ergens kunt melden. Het is de kwaal van wie keurig functioneert en op de vraag wat er dan precies mis is geen antwoord heeft. Zo iemand leidt een leven waarin hij reageert op alles wat er al is, en waarin hij zelf niets voortbrengt.
Voortbrengen is daarmee geen extraatje bovenop een verder goed geregeld bestaan. Het is de enige manier waarop een mens zichzelf leert kennen, want wat er in je zit wordt pas zichtbaar op het moment dat het buiten je is komen te staan. Iemand die nooit iets maakt, heeft geen ander materiaal over zichzelf dan zijn eigen gedachten — en die bevestigen elkaar eindeloos.
Een vermogen dat niet gebruikt wordt, verdwijnt niet stilletjes
Het brein snoeit wat het niet gebruikt. Verbindingen die geen verkeer dragen worden opgeruimd, dat is efficiënt en het gebeurt je hele leven door. Maar een vermogen laat zich niet zomaar wegsnoeien, want het is geen los onderdeel. Het is een manier waarop iemand de wereld binnenlaat.
En dan gebeurt er iets wat in de praktijk voortdurend zichtbaar is: de energie die bij dat vermogen hoort, keert zich naar binnen. Het zoeksysteem staat aan, maar er is geen object. Wat overblijft is de beweging zonder richting, en die beweging heeft namen die iedereen kent. Piekeren is zoeken in een gesloten circuit. Cynisme is scherpte die nergens iets mag bouwen en zich daarom tegen de wereld keert; het is de laatste toepassing van een intelligentie die niets te doen kreeg. Ironie is de meest beschaafde vorm van een talent dat zich niet meer durft te tonen. Wat mensen bij zichzelf diagnosticeren als karakterfout is vaak een vermogen dat geen uitgang heeft gevonden.
Daarna komt een stadium dat er van buiten uitziet als het tegenovergestelde. Wanneer het zoeken jarenlang geen antwoord krijgt, blijft het systeem niet eindeloos draaien; het regelt zichzelf omlaag. De verwachting dooft, en met de verwachting dooft alles wat eraan vastzat: de nieuwsgierigheid, de aantrekkingskracht van dingen, het vermoeden dat er ergens iets te halen valt. Wat overblijft is vlakheid. De gejaagde mens en de lethargische mens hebben dezelfde oorzaak en verschillen alleen in hoelang het al duurt.
Dat verklaart waarom die vlakheid zich niet laat verhelpen met rust en waarom een vakantie er niets aan doet. Wie zichzelf lui noemt, beschrijft doorgaans de uitkomst van een lange geschiedenis waarin het aangaan telkens niets opleverde. De luiheid is de rekening, niet de reden.
Kazimierz Dąbrowski, de Poolse psychiater die zijn hele werk baseerde op mensen met een groot ontwikkelingspotentieel, keerde de gebruikelijke redenering om. Hij beschreef prikkelbaarheden — intellectueel, emotioneel, zintuiglijk, verbeeldend, psychomotorisch — die maken dat iemand meer binnenkrijgt dan waarvoor het gewone leven ruimte biedt. Bij zo iemand is onrust in een goed geregeld bestaan geen teken van disfunctie maar het eerste teken dat de vorm te klein is. Zijn desintegratie is positief genoemd omdat het uiteenvallen van een te kleine ordening de voorwaarde is voor een grotere. Wie dat uiteenvallen medicaliseert of wegademt, houdt de oude vorm in stand.
Dąbrowski voegde er iets aan toe dat zelden geciteerd wordt: de derde factor. Naast erfelijkheid en omgeving zag hij een autonome kracht in de mens die kiest — die zegt: dit hoort bij mij, dat niet, ook al beloont mijn omgeving het tweede. Die factor wordt pas hoorbaar als de onrust niet meteen wordt weggehaald.
Waarom iemand onder zijn eigen vermogen gaat leven
Niemand kiest dat. Het is een oplossing die eerder in het leven verstandig was.
Een kind komt met zijn intensiteit, zijn verbeelding, zijn scherpe waarneming naar buiten en heeft daar een antwoord op nodig. Er zijn twee manieren waarop dat antwoord scheefloopt, en ze zijn beide vroeg. In de eerste krijgt het kind niet wat het op dat moment nodig had: de intensiteit valt in de leegte, of ze wordt begrensd met doe maar gewoon, wees niet zo druk, niet zo veel, niet zo. Het kind concludeert wat een kind altijd concludeert, want het kan zijn ouders niet ongelijk geven: er is iets mis met wat er in mij zit. In de tweede krijgt het kind wat het op dat moment níet nodig had: het talent wordt gezien, maar het wordt in bezit genomen. Het moet gedemonstreerd worden, het draagt de trots van het gezin, het maakt de moeder gelukkig of het compenseert wat de vader niet heeft bereikt. Dan is de gave er wel, maar ze is van iemand anders.
In beide gevallen raakt het vermogen gekoppeld aan gevaar. Aan afwijzing, of aan een last. En een volwassene die vervolgens werk kiest dat hem niet raakt, ervaart die keuze als nuchter en realistisch. Het voelt niet als vermijding. Het voelt als verstand.
Daar zit de wrangste logica van dit onderwerp: de plek waar iemand het meest kan, is meestal de plek waar hij vroeger het meest ontblóót was. Zijn gave was precies datgene waarmee hij zich liet zien. Wie daar geraakt is, houdt die plek bedekt, en zal het bedekken zijn hele leven verdedigen met redelijke argumenten.
Wat het systeem ervan vindt
Er is nog een laag onder de individuele geschiedenis, en zonder die laag blijft de vraag onbeantwoord waarom mensen niet gaan leven wat ze inmiddels heus wel zien.
Bert Hellinger zag dat de eerste behoefte van een mens erbij horen is, en dat een kind alles betaalt wat daarvoor betaald moet worden. Als in een familie het onuitgesproken gegeven geldt dat je niet groter wordt dan je vader, niet gelukkiger dan je moeder, niet vrijer dan het geslacht waar je uit komt, dan is het volledig inzetten van je gaven geen prestatie maar een vorm van verraad. Het lichaam weet dat eerder dan het hoofd. Vandaar de misselijkheid vlak voor de sprong, het zelfsabotage-moment op de drempel, de baan die net niet doorgaat. Wie succes uitlegt als een kwestie van discipline, mist dat er iemand is voor wie slagen betekent: dan sta ik alleen.
De tweede wet klinkt onschuldiger en wordt in de praktijk het vaakst overtreden: erkennen wat er is. Een gave erkennen is een handeling op zichzelf, los van het inzetten ervan. Zolang iemand zegt dat hij het wel een beetje kan, dat het ook maar wat is, dat anderen het toch beter doen, hoeft hij er niets mee. Dat heet bescheidenheid en het werkt als een schuilplaats. Wie hardop toegeeft wat hij kan, is vanaf dat moment aansprakelijk voor wat hij ermee doet, en kan er niet langer omheen dat hij het niet doet.
Erkennen gaat ook de andere kant op. Het betekent onder ogen zien wat er níet is: de jaren die voorbij zijn, het talent dat op je zestigste een andere weg moet nemen dan op je dertigste, de prijs die inmiddels betaald is en niet meer terugkomt. Wie dat wegpoetst met de gedachte dat het nooit te laat is, erkent niets. En daarom komt hij ook niet in beweging, want er valt in zijn verhaal niets te betreuren en dus ook niets te besluiten.
Zijn wet van geven en nemen zegt daarnaast dat een systeem uit balans raakt wanneer er alleen ontvangen wordt. Een gave die niet gegeven wordt, blijft in de mens staan als een schuld die hij niet kan plaatsen. Vandaar dat vermogende, verzorgde, alles-op-orde-hebbende mensen zich vaak schuldig voelen zonder te weten waarover. Ze hebben genomen en niet teruggegeven wat alleen zij konden teruggeven.
En dan de derde: de juiste plek innemen. Leven onder je vermogen is een plaatsfout. Het is staan waar je niet hoort, en het lichaam registreert dat met dezelfde onrust waarmee het een verkeerd gemonteerd bot registreert. Jung schreef dat niets een kind zo zwaar belast als het ongeleefde leven van zijn ouders. Dat werkt door: soms is de drang die iemand in zich voelt niet eens van hemzelf, maar de onafgemaakte beweging van iemand die voor hem kwam en die nu via hem vorm zoekt. Dat maakt het niet minder dwingend. Het maakt wel uit of je weet van wie het is.
Waarom inspanning kan opladen
Dan wordt begrijpelijk waarom de dingen die energie geven zelden ontspannend zijn. Ze vragen concentratie, risico, precisie, en ze maken je kwetsbaar omdat ze je zichtbaar maken. Toch kom je er voller uit dan je erin ging.
Schrijven put uit en laadt tegelijk op: na een ochtend is er niets meer over, en toch zit iemand rechter dan hij zat. Bouwen sloopt een rug en klopt van binnen. Iets maken waarvan de afloop onzeker is maakt bang, en precies die angst gaat samen met een gevoel van leven dat op geen enkele andere manier te krijgen is. Wie zulke bezigheden beoordeelt op hoe zwaar ze zijn, komt er nooit uit.
Het verschil zit in de dubbele uitgave. Wie werk doet dat niet bij hem past, betaalt twee keer: één keer voor het werk, en één keer voor het onderdrukken van wat in hem iets heel anders wilde doen. Die tweede rekening is onzichtbaar en loopt de hele dag door. Zij is de reden dat een weekend niet repareert wat een werkweek heeft gekost, want de oorzaak was de inspanning niet.
Wie werkt in lijn met zichzelf betaalt één keer. Hij is aan het eind van de dag leeg, maar het is een leegte zonder wrijving. Er is niets in hem dat tegelijkertijd de andere kant op trok.
Wat er in flow werkelijk verdwijnt
De gangbare uitleg zegt dat flow ontstaat waar vaardigheid en uitdaging elkaar precies raken. Dat klopt, en het is de buitenkant.
Wat er in flow gebeurt is dat de waarnemer stilvalt. Het gedeelte van ons brein dat voortdurend een verhaal over onszelf onderhoudt — hoe doe ik het, hoe kom ik over, wat betekent dit voor wie ik ben — wordt minder actief zodra iemand volledig in een handeling opgaat. De zelfbewaking gaat uit. En juist dan meldt zich de zin die iedereen kent uit zulke momenten: dit ben ik.
Dat is een merkwaardige omkering. Het sterkste gevoel van identiteit ontstaat op het moment dat het verhaal over de identiteit zwijgt. Jung onderscheidde daarvoor het ik van het Zelf: het ik is wat over zichzelf nadenkt, het Zelf is de ordenende grond waar het ik een klein onderdeel van is. In flow zakt het ik weg en blijft er iets over dat groter is en zich toch als eigen aandient. Daarom hoeft niemand het uit te leggen. Er is niets uit te leggen aan iets dat zich niet als mening presenteert maar als grond.
Bij een man en een vrouw zoekt het niet dezelfde vorm
Hier past een onderscheid dat tegen de culturele stroom in gaat en dat in de praktijk telkens weer opduikt.
David Deida beschrijft hoe een mannelijke essentie zichzelf vindt in richting: in het geven van vorm, in een missie, in het doorbreken van iets. Zo iemand komt tot leven waar hij zich ergens volledig aan verbindt en de uitkomst niet kan garanderen. Zijn valkuil is dat de missie een vluchtweg wordt uit alles wat hem zou raken; hij is dan enorm bezig en tegelijk afwezig.
Een vrouwelijke essentie komt eerder tot leven in stroming: in bewogen worden, in liefde die door haar heen gaat, in het uitstralen van wat er is. Wat bij haar energie geeft heeft vaker de vorm van openen dan van bereiken. Haar valkuil is dat ze wacht tot iets of iemand haar in beweging brengt, of dat ze een mannelijk model van doelgerichtheid overneemt omdat dat model de norm is. Ze wordt er competent van, en hol.
Dit zijn geen voorschriften voor wie welk werk moet doen. Het is een aanwijzing dat de vraag “waar word ik gelukkig van” bij de een klinkt als waar zet ik mij op in en bij de ander als waardoor laat ik mij vullen, en dat je een leven lang kunt zoeken naar het verkeerde soort antwoord.
Een scherpere vraag
Niet: waar word ik gelukkig van. Maar: waarvoor ben ik gemaakt, en wat wil via mij vorm krijgen.
Carl Jung schreef over roeping in de oorspronkelijke zin. Wie een roeping heeft, hoort een stem — hij wordt geroepen, en dat betekent dat het van buiten zijn eigen bedenksels komt. Het is niet iets wat je uitkiest zoals je een opleiding uitkiest. Het is iets wat zich meldt en waar je vervolgens gehoorzaam of ongehoorzaam aan kunt zijn. Neurose noemde hij het lijden van een ziel die haar betekenis niet heeft gevonden.
De vragen die daarnaartoe leiden zijn concreter dan ze klinken, en aangenaam zijn ze niet allemaal.
Waar word je obsessief van — niet waar geniet je van, maar waar kun je niet van afblijven. Waar word je precies? Precisie is een betrouwbaarder spoor dan plezier, want mensen zijn alleen nauwkeurig in wat hen werkelijk aangaat. Wat blijf je doen als niemand kijkt en niemand het beloont? Waar word je jaloers? Jaloezie is een uitstekend kompas, omdat ze wijst naar iemand die doet wat jij niet durft; ze zegt niets over die ander en alles over jou. En de ongemakkelijkste: wat zou je je schamen om toe te geven dat je het wilt? Daar ligt meestal het meest onbeschermde stuk, en dus het meest eigen stuk.
John Welwood zag dat het punt waar iemand het diepst gewond is en het punt waar zijn grootste gevoeligheid ligt, dezelfde plek zijn. Het is dezelfde openheid die hem ooit kwetsbaar maakte en die hem nu in staat stelt te zien wat anderen niet zien. De gave en de wond delen een adres. Wie de wond blijft ontlopen, ontloopt daarmee de gave, en zal dat zijn hele leven ervaren als voorzichtigheid.
Leef ik het leven waarvoor ik gemaakt ben?
In de brief aan de Efeziërs staat een woord dat hier alles bij elkaar houdt: poiema. Wij zijn zijn maaksel — en het is hetzelfde woord waar ons poëzie vandaan komt. Een gedicht is geen willekeurige verzameling woorden; elk woord staat er omdat het daar hoort, en het gedicht bestaat pas wanneer het gelezen wordt. In diezelfde zin staat dat de werken al zijn voorbereid. Niet als opdracht die je moet volbrengen, maar als vorm die al klaarligt en op iemand wacht die erin past.
Dat is wat de zin voor de grondlegging der wereld wil zeggen: dat je niet toevallig bent, en dat wat via jou vorm wil krijgen ouder is dan jouw plannen ermee.
Het kan zijn dat je die vorm nooit vindt. Er zijn mensen die hun leven lang de wrijving houden en er de taal niet voor krijgen. Dat is geen falen en het is ook niet goed te praten. Maar zolang die wrijving er is, is er iets in je dat weigert zich neer te leggen bij de maat die het heeft gekregen — en dat weigeren is het laatste bewijs dat het er nog is.
LEES VERDER:
* weg-naar-ten-volle-leven/
* reukwerk-voor-gods-aangezicht/
* https://www.dinekevankooten.nl/archief/het-gaat-niet-om-de-ander-het-gaat-om-mij/