Niet om uwentwil
Ezechiël 36 — deel 2
De belofte van het nieuwe hart staat ingeklemd tussen twee zinnen die bijna nooit worden meegelezen, en toen ik ze eenmaal had gezien, kon ik het vers niet meer gebruiken zoals ik het gebruikte.
Vier verzen ervóór staat: niet om uwentwil doe Ik dit, huis van Israël, maar om Mijn heilige Naam.
En zes verzen erná staat het nog een keer, en nu harder: niet om uwentwil doe Ik het, laat het u bekend zijn. Schaam u en word te schande over uw wegen.
Twee keer. De profeet zet de mooiste toezegging uit zijn hele boek tussen twee ontkenningen in, en de tweede eindigt met een bevel tot schaamte.
Wat er in dit hoofdstuk niet staat
Ga het hoofdstuk langs en zoek het gebed. Er is er geen.
Niemand vraagt om een nieuw hart. Er is geen moment waarop het volk tot inkeer komt, geen belijdenis, geen verlangen dat wordt uitgesproken en vervolgens wordt beantwoord. Er is geen enkele aanwijzing dat deze mensen er klaar voor waren.
Wat er wel over hen staat, vlak ervoor, is dat ze de Naam ontheiligd hebben overal waar ze kwamen.
Dat is de volgorde: eerst de vaststelling dat ze het tegenovergestelde hebben gedaan, dan de aankondiging dat er iets in hen vervangen gaat worden, en bij die aankondiging de mededeling dat het niet voor hen is.
Ik heb daar weken mee geworsteld en ik kom er niet uit met de gedachte dat dit koud is bedoeld. Wat ik er wel in hoor, is dat de volgorde die wij vanzelfsprekend vinden hier niet geldt. Wij denken: eerst willen, dan openstellen, dan ontvangen. Hier gebeurt het, en er is niemand die erom heeft gevraagd.
Waarom het om de Naam gaat
Het klinkt als eigenbelang van God, en daarom moet ik lezen wat er precies staat.
In vers 20 staat waardoor de Naam ontheiligd werd, en het is niet wat ik dacht. Het waren niet hun zonden in het land. Het was dit: toen zij bij de volken kwamen, zeiden de mensen over hen: dit is het volk van de HEER, en ze zijn uit Zijn land weggegaan.
De ontheiliging is een conclusie die buitenstaanders trekken. Ze kijken naar een volk in ballingschap, ze weten van welke god het is, en ze leiden eruit af wat voor god dat moet zijn. Eén die zijn eigen land niet kon vasthouden.
De Naam is dus onleesbaar geworden door de staat waarin de dragers ervan verkeren. En wat er hersteld wordt, wordt hersteld omdat er iets niet meer te lezen valt.
Dat is minder kil dan het eerst leek en op een andere manier ongemakkelijker. Het betekent dat wat er met deze mensen gebeurt, niet om hen draait en hen toch volledig betreft. Ze zijn niet het doel en ze zijn wel de plek.
De volgorde die ik had omgedraaid
En dan komt het vers waardoor ik dit hele hoofdstuk opnieuw moest lezen.
Vers 25: Ik zal rein water op u sprengen.
Vers 26: het nieuwe hart.
Vers 27: Mijn geest in uw binnenste.
Vers 29 en 30: het koren, de vrucht van de boom, geen hongersnood meer.
En dan vers 31: dán zult u zich uw wegen herinneren, die niet goed waren, en u zult van uzelf walgen.
Dán. Het herinneren staat achter het nieuwe hart.
Dat is het omgekeerde van hoe ik het heb verteld en van hoe het meestal verteld wordt: dat je eerst onder ogen moet zien wat er is geweest, dat je er doorheen moet, en dat er daarna iets kan verzachten. Ezechiël zet het andersom. Eerst het water, dan het orgaan, en pas daarna het zien.
Toen ik dat eenmaal zo zag, kon ik niet meer terug, want het klopt met het materiaal. Een steen registreert niets. Je kunt erop slaan en er verandert niets ín de steen. Het vermogen om geraakt te worden door je eigen geschiedenis is een eigenschap van weefsel dat beschadigd kan worden, en niet van wat zijn vorm houdt.
Wie zich afvraagt waarom hij bij het terugkijken niets voelt, heeft dus niet per se iets verkeerd gedaan in het terugkijken. Misschien kijkt hij met het verkeerde orgaan.
Voor wiens gezicht
Het woord dat Ezechiël hier voor dat walgen gebruikt is zijn eigen woord. Nakot. Het staat drie keer in zijn boek en nergens anders zo, en alle drie de keren staat het direct achter het herinneren aan.
En er staat iets bij: bifneichem. In uw eigen aangezicht. Voor uw eigen gezicht.
Niet voor Gods gezicht. Er komt in deze tekst geen rechtbank en geen tegenover. Wat er gebeurt is dat een mens, nu met een orgaan dat kan registreren, zichzelf onder ogen komt.
Dat is iets anders dan schuld die ergens wordt ingediend. Het is wat er overblijft als je het zelf ziet, met niemand erbij die het kan wegnemen of bevestigen.
Het gebed komt aan het eind
En dan het laatste wat mij in dit hoofdstuk heeft verrast, en het is het slot ervan.
In vers 37 staat: zó zegt de Heere HEERE: ook hierom zal Ik Mij door het huis van Israël laten vragen, om het voor hen te doen.
Ik zal Mij laten vrágen.
Aan het eind van een hoofdstuk waarin niemand ergens om vroeg en waarin alles eenzijdig werd toegezegd, staat dat het vragen nu mogelijk is.
Dat is dezelfde vorm als bij het herinneren. Eerst wordt het gegeven, daarna kun je kijken. Eerst wordt het beloofd, daarna kun je erom vragen. Twee keer in één hoofdstuk staat het ding dat wij als voorwaarde behandelen, aan de achterkant.
Misschien is dat wat er met zo’n orgaan verandert. Niet dat je ineens iets kunt wat je niet kon, maar dat er iets mogelijk wordt wat eerder geen zin had. Met een hart dat niet van besluit kan veranderen, is vragen een vorm die je uitvoert zonder dat er iets aan vastzit.
Waar ik niet uit kom
Alles wat ik over verharding schrijf en alles wat ik in mijn werk doe, gaat ervan uit dat er iets te doen is. Ruimte maken. Stilte. Kijken naar wat er op de bron ligt. En dit hoofdstuk zegt dat het gegeven wordt, dat niemand erom heeft gevraagd en dat het niet om onzentwil gebeurt.
Die twee laten zich niet tot één zin maken.
Wat ik er voorlopig van maak, is dat het weghalen van de stenen op de bron iets anders is dan het maken van een nieuw hart. Het eerste kan ik doen. Het tweede is in deze tekst niet iets wat een mens doet.
Maar ik weet niet of dat niet te makkelijk is. Ik weet niet of ik hier niet twee dingen uit elkaar trek die de profeet met opzet bij elkaar heeft gelaten, en of het onderscheid dat mij rust geeft niet precies het onderscheid is dat hij niet maakt.
Wat er staat, staat er in de eerste persoon en in de toekomende tijd, en het is twee keer hetzelfde werkwoord.Ik zal geven.
SERIE Ezechiël 36:26:
* Het hart van steen
* Niet om mijnentwil
* Een tafel van vlees
* De stenen op de bron
Alles bij elkaar: de-weg-van-het-hart/
