Een tafel van vlees
Jeremia 31, Ezechiël 36, Psalm 51 en 2 Korinthe 3 — deel 3
De belofte van een ander hart staat op vier plaatsen, en ik heb ze altijd door elkaar gebruikt alsof ze hetzelfde zeiden.
Ze zeggen niet hetzelfde. Ze zijn het oneens over de vraag wat er met het oude hart gebeurt.
Jeremia schrijft erop
Jeremia 31. Een nieuw verbond, niet zoals dat met de vaderen, dat zij verbroken hebben. En dan: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en Ik zal die in hun hart schrijven.
Schrijven. Op het hart.
Dat veronderstelt dat het hart blijft. Er wordt niets uitgenomen en niets vervangen. Wat er verandert is wat erop staat.
En kijk waartegen hij dat afzet, want dat staat er met zoveel woorden: niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen sloot op de dag dat Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte te leiden. Dat verbond stond op twee stenen tafelen.
Jeremia’s bezwaar is dus niet dat het geschreven stond. Het is waar het op geschreven stond. Het ging van steen af en gaat nu op een hart.
Ezechiël haalt het eruit
Ezechiël zegt iets anders, en in dezelfde ballingschap, op hoogstens een paar decennia afstand.
Bij hem wordt er niets op het hart geschreven. Het hart gaat eruit. Steen wordt weggenomen en vlees komt ervoor in de plaats, en op dat vlees staat nog niets.
Zet die twee naast elkaar en er valt iets open.
Bij Jeremia verhuist de steen: van de tafelen naar niets, en het schrift komt op een hart te staan dat er al was. Bij Ezechiël verhuist de steen niet, die wordt verwijderd, en wel uit de borst van een mens.
Twee manieren om te zeggen dat de steen weg moet. In de ene is steen het materiaal waarop de wet stond en dat niet meer voldoet. In de andere is steen wat er in een mens is gaan zitten.
En ze hebben verschillende gevolgen. Schrijven veronderstelt dat er iets is waar je op kunt schrijven en dat het vasthoudt. Vervangen veronderstelt dat er op wat er zit niets meer te schrijven valt.
Wie zich afvraagt welke van de twee op hem van toepassing is, vraagt in wezen: valt er aan mij nog iets toe te voegen, of moet er eerst iets uit.
David vraagt erom
Psalm 51 is de enige van de vier waarin een mens zelf het woord heeft.
Bij Jeremia spreekt God. Bij Ezechiël spreekt God. Bij Paulus beschrijft iemand wat er al gebeurd is. En in Psalm 51 staat een man die zojuist is aangesproken op wat hij gedaan heeft, en hij vraagt.
Schep mij een rein hart, o God.
Bera. Dat is het werkwoord van Genesis 1. In de Schrift is het voorbehouden aan God en het betekent het maken van iets wat er niet was. Het is niet het woord voor vormen uit materiaal en niet voor herstellen van wat kapot is.
David vraagt dus niet om reparatie. Hij vraagt om een scheppingsdaad, en hij gebruikt het enige werkwoord dat daarvoor bestaat. Hij heeft blijkbaar zelf al vastgesteld dat bijwerken niet gaat helpen.
En wat erachteraan komt, is het woord dat ook bij Ezechiël staat: chadesh — vernieuw een vaste geest be-kirbi, in mijn binnenste. Dezelfde uitdrukking als in Ezechiël 36, waar de geest be-kirbechem komt, in uw binnenste.
De man die erom vraagt gebruikt de woorden van de belofte. Of de belofte gebruikt de woorden van zijn gebed; dat valt niet uit te maken en het maakt voor wat er staat niet uit.
Paulus plakt ze op elkaar
En dan 2 Korinthe 3, waar iemand beide teksten in één zin legt en er iets van maakt dat in geen van beide stond.
Paulus schrijft aan de gemeente dat zij zijn aanbevelingsbrief zijn: geschreven niet met inkt maar met de Geest van de levende God, niet op stenen tafelen maar op tafelen die harten van vlees zijn.
Hij neemt Jeremia’s werkwoord — schrijven — en Ezechiëls materiaal — vlees. En hij zet er het woord tafel bij, dat bij geen van beiden op die plek stond.
Tafelen die harten van vlees zijn.
Een tafel is in de oudheid per definitie iets wat hard is. Dat is waarom je erop schrijft: het houdt. Steen, klei, was op hout. Een tafel van vlees is in dat vocabulaire een tegenspraak, en Paulus schrijft hem op alsof het geen probleem is.
Vlees houdt niet. Vlees geneest juist, en wat op vlees geschreven wordt, trekt weg of wordt een litteken. Een oppervlak dat zowel beschreven kan worden als dichtgroeit.
Wat Paulus dus beweert is dat er iets op een mens geschreven staat dat niet vastzit zoals inkt vastzit, en dat toch blijft. Hij heeft er geen beeld voor dat klopt. Hij zet twee woorden naast elkaar die niet samen kunnen en laat ze staan.
Wat de vier samen zeggen, en wat niet
Vier teksten, één belofte, en ze zijn het oneens.
Jeremia houdt het hart en verandert wat erop staat. Ezechiël houdt het schrift niet en verandert het hart. Paulus doet allebei tegelijk en gebruikt daarvoor een woordcombinatie die niet bestaat.
En David vraagt. Als enige.
Daar zit voor mij het scherpste van dit alles, en het staat in dezelfde psalm, een paar verzen verder.
Hij vraagt om een rein hart, geschapen, nieuw, iets wat er niet was.
En over wat hij zelf meebrengt zegt hij: de offers voor God zijn een gebroken geest; een gebroken en verbrijzeld hart zult U, o God, niet verachten.
Hij vraagt om een nieuw hart en hij legt een gebroken hart neer. Dat zijn niet dezelfde twee.
Ik kan dat niet oplossen en ik ga het ook niet proberen. Wat ik eruit haal, is dat hij geen van beide heeft weggelaten. Hij heeft niet gezegd: mijn gebroken hart is genoeg, dan hoeft er geen nieuw. En hij heeft niet gezegd: geef mij een nieuw, want met dit kapotte kan ik niets.
Het ene is wat hij heeft. Het andere is waarom hij vraagt. En in dezelfde psalm staan ze een halve bladzij uit elkaar.
SERIE Ezechiël 36:26:
* Het hart van steen
* Niet om mijnentwil
* Een tafel van vlees
* De stenen op de bron
Alles bij elkaar: de-weg-van-het-hart/
