Het hart van steen
Ezechiël 36:26 — deel 1
Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven; en Ik zal het stenen hart uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.
Ik heb dit vers jarenlang gelezen als een omzetting. Steen wordt vlees. Hard wordt zacht. Een mens die van binnen versteend is, wordt door God weer week gemaakt.
Dat staat er niet.
Uit uw vlees
Er staat: en Ik zal het hart van steen wegnemen uit uw vlees. Uit uw vlees.
Het vlees is er dus al. De steen zit erin.
Daarmee valt de hele voorstelling om. Er is geen mens die uit steen bestaat en die van buitenaf verzacht moet worden. Er is vlees, en daarbinnen heeft zich iets hards gevestigd dat er niet thuishoort, en wat er gebeurt is een verwijdering.
Dat is een ander soort hoop dan ik erin had gelegd. Het betekent dat de verharding niet is wie je bent. Ze is wat er in je is komen zitten. En het betekent ook iets ongemakkelijkers: er wordt niets van jou verbeterd. Er wordt iets uit je gehaald.
Wat voor werkwoord dat is
Het woord is hasiroti, van de wortel soer. Wegdoen, opzijhalen, verwijderen.
Het is niet het woord voor veranderen en niet voor genezen. Het wordt in de Schrift gebruikt voor dingen die weggedaan worden omdat ze er niet horen: Jakob die zijn huis zegt de vreemde goden weg te doen, een gewaad dat uitgetrokken wordt, een juk dat van een nek gaat.
En op één plek doet het iets wat ik niet meer kan loslaten.
Saul doet David zijn eigen wapenrusting aan voordat hij de vallei in gaat. Een helm van koper, een pantser, een zwaard eroverheen. En dan staat er dat David probeert te lopen en het niet kan, want hij had het nooit geprobeerd. En dan: en David deed ze van zich af.
Hetzelfde werkwoord. Een harde bedekking, door iemand anders om je heen gelegd, bedoeld om je te beschermen, en je kunt er niet in lopen.
Niemand in dat verhaal zegt dat Saul het verkeerd bedoelde. Hij gaf wat hij had, en wat hij had was brons. Het gaat er ook niet af omdat het slecht is. Het gaat eraf omdat de jongen zich er niet in kan bewegen.
En wat ervoor in de plaats komt
Lees dan wat er gegeven wordt, en lees het zonder de warme klank die het woord bij ons heeft gekregen.
Vlees. Basar. Dat is in de bijbel niet het woord voor zachtheid en gevoeligheid. Het is het woord voor wat sterfelijk is. Alle vlees is gras. In vlees zit bederf, vermoeidheid, honger, pijn. Het is precies dat deel van een mens waarvan de Schrift zegt dat het niet standhoudt.
De belofte is dus: meer kwetsbaarheid. Een orgaan dat beschadigd kan raken, in plaats van een dat dat niet kan.
Niemand vraagt daarom. Ik ken niemand die bidt om gevoeliger te worden voor wat hem overkomt.
En toch is dat wat er staat, en de reden waarom dat geen wreedheid is, ligt in het woord zelf. Dezelfde drie letters die basar, vlees, vormen, vormen ook mevasser: degene die een bericht brengt. Ik weet niet of de profeet dat hoorde toen hij dit opschreef en ik wil er niet meer van maken dan het is. Ik weet dat een steen niets doorgeeft. Wat er in gaat, blijft erin.
Vader en zoon in de steen
Het woord voor steen is even: alef, beth, noen.
De joodse uitleg hoort in die drie letters twee woorden liggen. Av, vader: alef en beth. Ben, zoon: beth en noen. Ze delen de beth, en in die gedeelde letter zitten ze aan elkaar vast. Haal de beth weg en er is geen van beide meer.
Een hart van steen is in die lezing geen hart dat koud is geworden. Het is een hart waarin een vader en een zoon tot één ding zijn samengedrukt, zo dicht op elkaar dat er geen ruimte tussen zit.
Dan is wat hier wordt weggenomen niet iets van één mens alleen. Het is iets wat tussen twee geslachten is ontstaan en in één lichaam is terechtgekomen. En dan begrijp ik eindelijk waarom dit zo zelden lukt met goede voornemens. Wie zijn eigen verharding probeert weg te halen, trekt aan iets wat ouder is dan hij, en aan de andere kant ervan zit iemand vast die hij niet kan loslaten zonder hem kwijt te raken.
Waarom het juist dit orgaan is
Het hart is in het Oude Testament niet de zetel van het gevoel. Dat is onze indeling, niet die van de bijbel. Lev is waar een mens denkt, overweegt, kiest en besluit. Het is zijn stuurhuis. Wie in zijn hart zegt dat er geen God is, voelt dat niet, hij concludeert het. En Farao’s hart wordt zwaar gemaakt, en wat daar zwaar wordt is niet zijn medeleven maar zijn vermogen om van besluit te veranderen.
Daarmee wordt een hart van steen iets anders dan ik dacht.
Het is niet iemand die niets voelt. Het is iemand bij wie de besluiten vast zijn komen te zitten. Iemand die wel kan huilen om een film en nog steeds niet van gedachten kan veranderen over zijn broer. Steen is geen afwezigheid van warmte; het is een materiaal dat zijn vorm houdt onder druk. Dat is precies wat het doet en waar het goed in is.
En leg dat naast wat ik hierboven vond. Als in het woord voor steen een vader en een zoon liggen, en als een stenen hart een hart is waarvan de besluiten niet meer bewegen, dan gaat het over besluiten die ergens tussen twee mensen genomen zijn en nooit meer zijn herzien. Vaak zonder woorden. Vaak door een kind, over wat er vanaf nu nodig zal zijn om er te kunnen zijn.
Wat ooit kracht heette
Hier moet ik naar het bekendste verharde hart van de bijbel, want het Hebreeuws zegt daar iets wat onze vertalingen niet kunnen dragen.
Farao’s hart wordt in Exodus met drie verschillende woorden beschreven.
Het wordt kaved, zwaar.
Het wordt kasjè, hard.
En het wordt chazak.
Chazak is het woord voor sterk zijn. Het is wat tegen Jozua gezegd wordt bij de Jordaan: chazak we-ematz, wees sterk en moedig. Het is wat je tegen iemand zegt die iets moet doorstaan.
De verharding van een hart wordt dus benoemd met het werkwoord voor versterken. Wat daar beschreven wordt is standvastigheid: een hart dat niet wijkt, dat zijn vorm houdt, dat onder druk niet meegeeft. In de mond van iemand anders en op een ander moment zou dat een compliment zijn.
En nu terug naar Ezechiël, want daar staan twee dingen in twee opeenvolgende verzen die ik altijd voor hetzelfde heb gehouden.
Vers 25: Ik zal rein water op u sprengen en u zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen. Dat is de taal van schuld. Onreinheid, afgoden, wassen.
Vers 26: de steen gaat eruit.
Dat zijn twee verschillende handelingen aan twee verschillende dingen. Wat gedaan is, wordt gewassen. Wat geworden is, wordt eruit getild. Je wast een steen niet schoon; dat heeft geen zin, want hij neemt niets op. Je haalt hem weg.
De profeet behandelt de verharding dus niet als een zonde waarvoor vergeving nodig is. Hij behandelt haar als iets wat ergens in zit en eruit moet.
En in welke volgorde
Lees dan nog één vers terug, naar vers 24. Ik zal u uit de heidenvolken halen en u uit alle landen bijeenbrengen, en Ik zal u naar uw land brengen.
De terugkeer staat vóór het water en vóór het hart.
De steen gaat er niet uit zodat ze naar huis kunnen. Ze gaan naar huis, en daarna gaat hij eruit.
Daar blijf ik even staan, want het is een volgorde die ik in mijn werk telkens zie en zelden zo durf te zeggen. Wat een mens hard heeft gemaakt, laat zich niet wegnemen terwijl de druk er nog op staat. Het ding dat vorm houdt, blijft vorm houden zolang er iets is dat die vorm nodig heeft.
Ik weet niet of de profeet dat zo bedoeld heeft. Ik stel alleen vast in welke volgorde hij het heeft opgeschreven.
Waar het niet opgaat
Als de steen een bescherming is die ooit nodig was, dan is er niemand iets te verwijten en wordt alles mild. En in hetzelfde hoofdstuk staat: schaam u en word te schande over uw wegen.
Ezechiël laat de verharding niet als onschuldig staan. Hij haalt haar eruit zoals je een ding eruit haalt, en hij zegt tegen dezelfde mensen dat ze zich moeten schamen. Hij kiest niet tussen die twee.
Misschien is dat het nauwkeurigste wat deze tekst doet. Hij weigert te kiezen tussen het was wat mij in leven hield en het is van mij.
Wie alleen het eerste houdt, heeft een verklaring en komt nergens. Wie alleen het tweede houdt, heeft schuld en komt ook nergens.
Deze profeet
Nog iets, en het gaat over wie dit zegt.
Ezechiël is de profeet aan wie in hoofdstuk 3 een boekrol te eten wordt gegeven. Eet wat Ik u geef, staat er. Hij opent zijn mond en de rol gaat naar binnen, en hij proeft honing.
Deze man werkt met wat er in een lichaam wordt gebracht. Niet met wat er tegen iemand gezegd wordt van buitenaf, maar met wat er naar binnen gaat en daar blijft. Het woord dat hij in 36:26 gebruikt voor de plaats waar de nieuwe geest komt, is be-kirbechem: in uw binnenste, in uw ingewanden.
De profeet van de opgegeten rol kondigt een wisseling van orgaan aan. Twee keer gaat er iets naar binnen dat er niet vandaan komt, en beide keren is het niet iets wat iemand zelf heeft gemaakt.
Waar dit vers staat
Het is gezegd tegen mensen in Babel. De tempel is weg, de stad is weg, en er is een generatie geboren die Jeruzalem nooit heeft gezien.
Dat zijn mensen die iets hebben moeten ontwikkelen om in een vreemd land overeind te blijven. En het valt me op hoe kort de profeet is over de terugkeer waar ze al die tijd op hebben gewacht: één vers, zakelijk, gehaald en bijeengebracht en gebracht. Daarna heeft hij voor het hart aanzienlijk meer woorden nodig.
Een volk dat alles kwijt is, krijgt te horen dat het grondgebied terugkomt, en de tekst gaat daar snel langs om bij een orgaan uit te komen.
Je kunt een mens alles teruggeven en hij staat er nog steeds bij met een hart dat niet van besluit kan veranderen.
Wat open blijft
Ik kom er niet uit of je deze steen zelf kunt voelen zitten.
De tekst doet geen uitspraak over of een mens weet dat hij hem heeft. Hij zegt alleen dat God hem eruit haalt. En ik merk aan mezelf dat ik dat graag omdraai, dat ik er graag een opdracht van maak, omdat ik dan iets te doen heb.
Maar er staat twee keer en Ik zal geven. Er staat niet één keer: en gij zult.
SERIE Ezechiël 36:26:
* Het hart van steen
* Niet om mijnentwil
* Een tafel van vlees
* De stenen op de bron
Alles bij elkaar: de-weg-van-het-hart/
