De stenen op de bron
deel 4 – Het woord onder het bewaken
Er is één vers dat altijd naast dit onderwerp wordt gelegd, en het wordt gebruikt om precies het tegenovergestelde te verdedigen van waar het om gaat.
Behoed je hart boven alles wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen van het leven. Spreuken 4:23.
Zo gelezen klinkt het als een opdracht tot voorzichtigheid. Laat niet iedereen binnen. Bescherm wat kwetsbaar is. Bouw er iets omheen.
Het woord dat met ‘bewaren’ is vertaald, is mishmar.
Dat is in Genesis de plek waar Jozef zat. De bewaarplaats van het huis van de overste van de lijfwacht. Een mishmar is een wachtpost, een cellenblok, een plaats waar iets onder toezicht wordt gehouden omdat het er niet uit mag.
Het vers dat wij aanhalen om een hart dicht te houden, is geschreven in de taal van een gevangenis.
En de zin loopt niet zoals wij hem laten lopen. Er staat: mikol mishmar netsor libecha. Uit alle bewaking, behoed je hart. Dat kan twee kanten op, en vertalers kiezen verschillend. Het kan betekenen: van alles wat bewaakt moet worden, is je hart het eerste. Het kan ook betekenen: méér dan enige bewaking, behoed je hart — en dan staat er dat bewaken nu juist niet de manier is.
Ik laat die twee naast elkaar staan, omdat de tekst dat ook doet.
Wat wel vastligt, is de tweede helft, en die zegt waarvoor dat behoeden dan dient. Want daaruit zijn de uitgangen van het leven. Totsa’ot, uitgangen. Dat woord staat in Jozua voor de plaatsen waar een landsgrens eindigt en in iets anders overgaat — waar een gebied ophoudt en het volgende begint.
Wat je te behoeden hebt, is dus niet de muur. Het zijn de plaatsen waar iets naar buiten gaat.
Waar dat beeld vandaan komt
Ik gebruik al jaren de uitdrukking dat er stenen op de bron liggen, en ik ben nooit gaan kijken waar ze vandaan komt. Ze komt uit Genesis 29.
Jakob is op de vlucht en komt in het veld bij een put. Er liggen drie kudden schapen omheen, en er staat: en de steen op de mond van de put was groot.
Op de mónd van de put. Dat is in het Hebreeuws de gewone uitdrukking voor een opening, pi ha-be’er, maar er staat wel het woord voor mond. Een steen op een mond.
En dan komt de gewoonte. Als alle kudden bijeen waren, rolden ze de steen van de mond van de put, en ze gaven de schapen te drinken, en ze brachten de steen terug op de mond van de put, op zijn plaats.
De steen gaat elke dag terug.
Dit is geen ongeluk dat ooit gebeurd is. Dit is het bedrijf. Elke dag opengaan, drinken, en weer afsluiten. Er is niemand die vindt dat het anders zou moeten.
En het werkwoord voor dat terugbrengen is heshivoe, van de wortel sjoev: terugkeren, omkeren. Het is de wortel van tesjoeva, het woord voor inkeer. Ik wil daar niet te snel iets van maken, maar het staat er: het dagelijkse dichtleggen van de bron gebeurt met het werkwoord van het terugkeren.
De steen is een afspraak
Lees dan wat de herders tegen Jakob zeggen als hij vraagt waarom ze de schapen niet drenken terwijl het nog hoog dag is.
Wij kunnen niet, totdat alle kudden bijeengebracht zijn en men de steen van de mond van de put rolt.
Wij kunnen niet.
Die steen is geen natuurverschijnsel. Hij ligt daar omdat hij zwaar genoeg is dat niemand hem alleen kan verleggen, en dat is precies waar hij voor dient. Zolang hij er ligt, kan niemand eerder bij het water dan de rest. Hij is een afspraak in de vorm van een rots.
Daar schrok ik van, want het verandert waar ik het over heb als ik zeg dat er stenen op de bron liggen.
Een steen op een bron is niet zomaar iets wat de toegang verhindert. Hij regelt wie er wanneer bij mag, en hij doet dat zo dat niemand het in zijn eentje kan veranderen. En iedereen die eromheen staat, heeft er baat bij dat hij er ligt, want het alternatief is dat de sterkste het eerst drinkt.
Als dat waar is voor wat er in een mens op de bron ligt, dan is de vraag niet alleen wat die steen tegenhoudt. De vraag is ook welke orde hij in stand houdt, en wie er nog meer omheen staat.
In het vorige deel ging het over een steen die in een borstkas zit. Deze ligt op een opening, en hij ligt daar in gezelschap.
De put van de vader
Er ligt nog een verhaal onder, en het gaat drie hoofdstukken eerder.
Izak trekt rond in een gebied waar zijn vader Abraham putten had gegraven. En er staat dat de Filistijnen die putten na Abrahams dood hadden dichtgestopt en met aarde gevuld. Izak graaft ze opnieuw open, en dan staat er iets wat niet nodig was geweest voor het verhaal: en hij noemde ze met dezelfde namen die zijn vader eraan gegeven had.
Het water was er dus al. Het was ook al eens gevonden, een generatie eerder. Wat er gebeurd is, is dat anderen het hebben dichtgegooid, en wat Izak doet is het weer openmaken en de oude namen teruggeven.
Hij zoekt geen nieuwe bron. Hij haalt aarde weg van een plek waar al eens water was.
Dat is iets anders dan wat ik mensen meestal hoor zeggen over zichzelf, en iets anders dan wat ik soms zelf zeg. Ik hoor: ik moet nog ontdekken wat mijn bron is. En hier staat: de put is gegraven, iemand heeft hem dichtgegooid, en het werk is graven op dezelfde plek en de naam terugzeggen.
Rollen is iets anders dan wegdragen
Het werkwoord dat Genesis 29 gebruikt, is galal. Rollen.
Dat is geen optillen en geen wegdragen. Een steen die je rolt, komt niet van de grond. Hij gaat opzij, hij blijft liggen waar hij terechtkomt, en hij is nog net zo zwaar als hij was. Wat er verandert is dat hij niet meer op de opening ligt.
Van diezelfde wortel komt Gilgal, de plaats waar het volk na de doortocht wordt besneden, en waar gezegd wordt: heden heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld — galloti, Ik heb gerold.
De smaad wordt niet vernietigd. Hij wordt van hen af gerold.
Dat lijkt me nauwkeuriger dan wat ik mensen vaak hoor hopen. Niemand raakt kwijt wat hij heeft meegemaakt. Wat kan gebeuren is dat het van de opening af gaat. Het ligt dan nog steeds in het veld, zichtbaar, zwaar, en het ligt niet meer op de plek waar het water uit komt.
Wie wacht tot de steen weg is, wacht op iets wat in dit vocabulaire niet bestaat.
Wat er dan te doen is
Nu komt het deel waar ik voorzichtig moet zijn, want hier verlaat ik de tekst en ga ik over op wat ik in mijn werkkamer zie. Ik probeer het niet verder te laten reiken dan wat hierboven staat.
Het eerste wat Genesis 29 zegt, is dat je het niet alleen doet. Wij kunnen niet, totdat alle kudden bijeen zijn. De steen is zo gemaakt dat één paar handen niet genoeg is, en dat is geen tekortkoming van die handen. Wie zijn eigen verharding in zijn eentje probeert weg te krijgen, werkt tegen de constructie in. Er moet iemand bij zijn. Niet om het voor je te doen, maar omdat het ding daarop berekend is.
Het tweede is de richting van het werk. Izak zoekt geen nieuwe plek. Hij gaat terug naar de plek waar ooit water was en haalt de aarde eruit. In mijn praktijk is dat bijna altijd hetzelfde: het gaat niet om iets wat nog ontwikkeld moet worden, maar om iets wat er is geweest en is dichtgegooid, vaak door iemand anders, vaak zonder kwade bedoeling, vaak omdat die ander water nodig had op een moment dat jij het niet kon geven.
Het derde is de naam. Izak geeft de putten de namen terug die zijn vader eraan gegeven had. Er zit iets in het hardop zeggen van wat iets was, in de woorden die er toen bij hoorden, en dat is iets anders dan het opnieuw benoemen in termen die nu beter uitkomen.
Het vierde is dat rollen geen wegdragen is. De verwachting dat iets verdwijnt, maakt elk begin tot een mislukking, want het verdwijnt niet. Wat kan, is dat het van de mond af gaat.
En het vijfde is het ongemakkelijkste. In Genesis 29 gaat de steen er elke dag weer op. Dat is geen terugval en niemand noemt het zo; het is hoe die put functioneert.
Zacht is geen toestand
Daar wil ik eindigen, want het is wat ik in mijn eigen leven telkens opnieuw moet leren en wat ik niet graag opschrijf.
Ik heb jarenlang gedacht dat zachtheid een plek is waar je aankomt. Dat je er op enig moment bent, en dat het dan zo blijft, en dat als het weer hard wordt je iets verkeerd hebt gedaan.
Genesis 29 kent dat niet. De steen gaat eraf, de schapen drinken, en de steen gaat erop. En de volgende dag opnieuw. Dat is de hele bedrijfsvoering van die put, en er is geen vers waarin iemand voorstelt om hem te laten liggen.
Zachtheid is in deze tekst dus geen toestand maar een handeling, en ze wordt elke keer opnieuw verricht. Wat je gisteren hebt opengelegd, ligt vanmorgen dicht, en dat betekent niet dat het gisteren niet gebeurd is.
Wat open blijft
Eén ding in dat hoofdstuk kan ik niet verklaren en ik laat het staan.
Jakob rolt de steen alleen weg.
Er staat niet dat hij sterker was dan de herders. Er staat dat hij Rachel zag aankomen met de schapen van zijn moeders broer, en dat hij toen naderbij trad en de steen van de mond van de put rolde en de kudde drenkte.
Er was iets aangekomen waar hij niet op had gerekend en waar hij niet om had gevraagd, en daarna deed hij in zijn eentje wat volgens de herders niet alleen kon.
Ik weet niet hoe dat werkt. Ik weet dat het niet komt doordat hij er harder aan trok.
SERIE Ezechiël 36:26:
* Het hart van steen
* Niet om mijnentwil
* Een tafel van vlees
* De stenen op de bron
Alles bij elkaar: de-weg-van-het-hart/
