Altijd eerst nog dit (uitstel en vermijding)
Over het overlevingsmechanisme dat het leven uitstelt tot het leven begint
Wat Mattheüs laat zien
Er is altijd iets wat eerst moet.
De man die zijn vader wil begraven voordat hij volgt. De mensen die naar hun akker gaan, naar hun koophandel, naar alles wat dringend is en urgent en niet kan wachten — terwijl de bruiloft al is begonnen en de tafel al is gedekt en de deur nog openstaat.
Mattheüs beschrijft de vermijdingsbeweging niet als moreel falen. Hij beschrijft haar als het meest menselijke patroon dat er is. De neiging om het heden op te schorten ten gunste van wat er eerst moet komen. De overtuiging dat het leven pas werkelijk kan beginnen als de condities juist zijn — als de vader is begraven, als het bedrijf op orde is, als de kinderen het huis uit zijn, als de hypotheek is afgelost, als je weet wat je wilt, als je er klaar voor bent.
De condities worden nooit juist. Het leven begint nooit.
Mattheüs 8: 21. Een man — één van de discipelen, schrijft Mattheüs — zegt tot Jezus: Heere, laat mij toe dat ik eerst heenga en mijn vader begrave.
Het is een redelijk verzoek. Meer dan redelijk — het is een plicht. In de joodse wet van de eerste eeuw was het begraven van een ouder een van de hoogste verplichtingen die een mens kon hebben. Kibboed av va’em — eerbetoon aan vader en moeder — was geen sentiment. Het was wet. En de begrafenis was de meest dringende uitvoering van die wet. Alles stond stil voor de begrafenis. Andere geboden werden opgeschort. Zelfs het gebed kon worden uitgesteld.
De man vraagt niets wat niet van hem wordt verwacht. Hij vraagt wat het systeem hem heeft geleerd te doen.
En Jezus zegt: volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.
Volg mij — en laat de doden hun doden begraven.
Dit is de hardste zin in het evangelie. Niet hard als wreed — hard als ononderhandelbaar. Er is geen ruimte voor het eerst. Er is geen conditie die aan de uitnodiging wordt gesteld. De uitnodiging is nu — en nu duldt geen uitstel.
Maar de diepte van de zin zit niet in de hardheid. Ze zit in het woord doden.
Tous nekrous. De doden. Meervoud. Wie zijn de doden die hun doden begraven? Niet de mensen in de grond. Maar de mensen die leven als waren ze al dood — de mensen die zo volledig zijn opgegaan in wat moet en hoort en eerst, dat er geen ruimte meer is voor het leven dat hen wordt aangeboden.
De man die zijn vader wil begraven — zijn vader leeft misschien nog. Of hij is al begraven en de man wil wachten tot de rouwperiode voorbij is. Of hij wil wachten totdat alles is geregeld. De precieze situatie doet er minder toe dan de structuur: er is altijd iets wat eerst moet. En zolang dat eerst bestaat, hoeft de stap niet te worden gezet.
Mattheüs beschrijft dit als een vorm van hypocrisie die zichzelf niet herkent. De mens die uitwijkt, doet het niet met een masker op. Hij doet het met een argument — een goed argument, een eerlijk argument, een argument dat het systeem hem heeft geleerd te respecteren. De kloof tussen wie hij is en wie hij zou kunnen zijn, wordt niet gedicht door de uitwijkbeweging. Ze wordt ermee geconsacreerd.
Mattheüs 25: 1. Tien maagden. Vijf wijs, vijf dwaas. Allen nemen hun lampen en gaan de bruidegom tegemoet. De bruidegom vertoeft — hij komt niet op het verwachte moment. Ze worden sluimerig. Ze vallen in slaap.
Tot zover zijn ze gelijk.
Maar als ter middernacht het geroep klinkt — ziet, de bruidegom komt — ontdekken de vijf dwaze maagden dat hun lampen uitgaan. Ze vragen de wijzen om olie. De wijzen zeggen: neen, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij — gaat liever tot de verkopers en koopt voor uzelven.
En terwijl zij heengaan om te kopen, komt de bruidegom. De wijzen gaan naar binnen. De deur wordt gesloten.
De dwaze maagden komen terug. Heer, heer, doe ons open. En hij zegt: voorwaar zeg ik u, ik ken u niet.
Wat hebben de dwaze maagden verkeerd gedaan? Niet weinig gedaan — ze waren er wel, ze hadden lampen, ze kwamen opdagen. Maar ze hadden ervan uitgegaan dat er tijd genoeg was. Dat het moment kon worden uitgesteld. Dat als het zover was, ze wel zouden zorgen dat alles op orde was.
Het moment duldt geen uitgestelde voorbereiding. De bruidegom komt niet op het moment dat de dwaze maagden gereed zijn — hij komt op het moment dat hij komt. En wie dan niet gereed is, staat buiten.
Het uitstelgedrag gelooft altijd dat er tijd genoeg is. Dat het moment terugkomt. Dat de deur openblijft.
De deur gaat dicht.
Mattheüs 25: 14. Een man gaat op reis en vertrouwt zijn dienstknechten zijn goederen toe. De eerste krijgt vijf talenten, de tweede twee, de derde één — elk naar zijn vermogen.
De eerste en de tweede gaan handelen. Ze bewegen. Ze nemen het risico. Ze komen terug met het dubbele.
De derde graaft een gat in de aarde en verbergt het geld van zijn heer.
Als de heer terugkeert en rekening houdt, zegt de derde dienstknecht: heer, ik kende u als een hard mens — maaiend waar gij niet hebt gezaaid, vergaderend waar gij niet hebt gestrooid. En ik was bevreesd en ben heengegaan en heb uw talent in de aarde verborgen. Zie, gij hebt het uwe.
Dit is de ontwijkbeweging in haar meest onthullende gedaante. De man doet niets verkeerds in zijn eigen ogen. Hij verliest niets. Hij bewaart wat hem is toevertrouwd. Hij wacht — op betere omstandigheden, op meer zekerheid, op het moment waarop handelen veilig is.
Maar de heer vraagt geen bewaring. Hij vraagt beweging.
En dan — het woord dat de diepste laag blootlegt — hij was bevreesd. Niet lui. Niet onverschillig. Bang. De ontwijkbeweging is geen karakterfout. Ze is een angstreactie. De angst voor verlies is groter dan het verlangen naar groei. En zolang die angst groter is, blijft het talent in de grond.
Het talent dat in de grond blijft, wordt afgenomen.
Niet als straf in de morele zin. Als feit. Wat niet beweegt, verliest zijn bewegingsvermogen. Wat niet groeit, krimpt. De mogelijkheid die niet wordt benut, verdwijnt niet netjes terug in de schuur — ze wordt gegeven aan wie al beweegt.
De ontwijkbeweging wil bewaren wat er is. Ze verliest precies daardoor wat ze probeert te bewaren.
Wat er onder zit
Waarom stelt de mens uit, waarom ontwijkt de mens?
Niet uit luiheid. Niet uit onverschilligheid. Maar omdat het heden iets vraagt wat hij nog niet weet te dragen. Een beslissing die onherroepelijk is. Een stap die hem blootstelt. Een moment waarop hij zichzelf moet laten zien — niet zijn structuur, niet zijn identiteit, niet zijn loyaliteiten, niet zijn bezit. Zichzelf.
En zichzelf laten zien zonder de bescherming van het eerst — dat is precies wat alle vorige mechanismen hebben proberen te voorkomen. De lege structuur beschermt door de vorm. De persona beschermt door het masker. De strategische deugd beschermt door de berekening. Het systeem beschermt door de verwachting. De identiteit beschermt door het bezit of de onzichtbaarheid.
Het uitstelgedrag wordt beschermd door de tijd zelf. Zolang het nog niet het moment is — zolang er nog iets eerst moet — hoeft hij er niet te zijn. Volledig, onbeschermd, zonder vangnet.
Het uitstel is geen zwakte. Het is het meest ingenieuze overlevingsmechanisme van alle twaalf. Want het heeft altijd een goed argument. Er is altijd een vader die begraven moet worden. Er is altijd een akker die aandacht vraagt. Er is altijd een reden waarom nu niet het juiste moment is.
En het juiste moment komt nooit — want het juiste moment is niet een moment in de toekomst. Het is dit moment. Nu. Met wat er is.
In de joodse mystiek is er een begrip dat hier opkomt: ratzon — wil, verlangen, intentie. De joodse mystiek beschrijft ratzon als de eerste beweging van de schepping. God wilde — ratzon — en de schepping begon. Niet nadat de condities juist waren. Niet nadat alles op orde was. De wil zelf was het begin.
Ratzon is het tegendeel van uitstellen. Het is de beweging die niet wacht op betere omstandigheden maar die de omstandigheden schept door te bewegen. Het is de wil die zichzelf niet eerst rechtvaardigt maar die eenvoudigweg begint.
De man die zijn vader wil begraven, heeft geen ratzon voor wat hem wordt aangeboden. Hij heeft ratzon voor wat hij kent. De mensen die naar hun akker gaan, hebben ratzon voor het eigene. De ratzon voor de bruiloft — voor het leven dat groter is dan het eigene — is er nog niet. Of ze vertrouwen haar niet. Of ze denken dat ze haar eerst moeten verdienen.
Ratzon vraagt niet om verdienen. Ze vraagt om beginnen.
Wat het verschil maakt
Ruth. Ze staat aan het begin van het verhaal met lege handen. Haar man is dood. Haar schoonvader is dood. Haar zwager is dood. Naomi, haar schoonmoeder, heeft besloten terug te gaan naar Bethlehem — naar haar eigen volk, haar eigen land. Ze zegt tegen haar schoondochters: gaat heen, keert weder, een ieder naar het huis van haar moeder.
Orpa — de andere schoondochter — huilt. Kust Naomi. En gaat.
Ruth blijft.
Naomi zegt: zie, uw schoonzuster is wedergekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer gij weder, na uw schoonzuster.
En Ruth zegt — in een van de meest geladen zinnen van het Oude Testament:
Waar gij gaat, zal ik gaan. Waar gij overnacht, zal ik overnachten. Uw volk is mijn volk, en uw God mijn God. Waar gij sterft, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden.
Geen conditie. Geen eerst. Geen wachten tot de omstandigheden beter zijn — want de omstandigheden worden niet beter. Een weduwe volgt een weduwe naar een vreemd land zonder enige garantie van wat er zal komen.
Het uitstelgedrag heeft altijd een argument. Ruth heeft geen argument voor blijven. Ze heeft geen systeem dat haar steunt, geen wet die haar verplicht, geen beloning die haar wacht. Ze heeft alleen wat er nu is — Naomi, de weg, het besluit.
En ze maakt het besluit. Zonder eerst.
Waar gij gaat, zal ik gaan.
Niet: waar gij gaat, zal ik misschien gaan. Niet: waar gij gaat, zal ik gaan als de omstandigheden het toelaten. Maar: waar gij gaat, zal ik gaan. De toekomst is al besloten in het heden. De beweging is al begonnen voordat ze is gezet.
Dit is ratzon. De wil die niet wacht op betere condities maar die het heden omzet in het begin van wat mogelijk is.
Mattheüs plaatst haar in het geslachtsregister van de Messias. Niet de vrouw die wachtte tot het juiste moment. De vrouw die het juiste moment maakte door te gaan.
De neurobiologie heeft een naam voor wat er in de hersenen gebeurt bij chronisch uitstel: default mode network activatie. Het netwerk dat actief is als de mens niet in het heden is — als hij piekert over de toekomst, grubelt over het verleden, fantasieert over wat zou kunnen zijn als de condities anders waren. Dit netwerk is niet slecht — het is het netwerk van zelfreflectie, van planning, van het vermogen om te leren van ervaring.
Maar bij chronisch uitstel is het default mode network zo dominant geworden dat het het heden verdringt. De mens leeft in de simulatie van zijn leven in plaats van in zijn leven zelf. Hij plant. Hij overweegt. Hij bereidt voor. Hij bereidt zich voor op het voorbereiden.
En het heden — het moment waarop de uitnodiging staat, de bruiloft begint, de schoonmoeder vertrekt — gaat voorbij.
Matthew Walker, de slaaponderzoeker, beschreef iets wat hier indirect op aansluit: het brein dat niet in het heden kan zijn, is een brein dat zijn eigen rust saboteert. Het default mode network dat ’s nachts niet uitschakelt, is hetzelfde netwerk dat overdag niet kan landen. De ontwijkbeweging is niet alleen een gedragspatroon. Ze is een neurale toestand — een brein dat heeft geleerd dat het heden gevaarlijk is en dat de toekomst veiliger is.
Totdat de toekomst het heden wordt — en er opnieuw iets is dat eerst moet.
Wat er mogelijk wordt
De zaligspreking die boven dit mechanisme hangt staat in vers 4 van Mattheüs 5.
Zalig die treuren — want zij zullen vertroost worden.
Penthein — treuren, rouwen — is niet het zachte woord voor verdriet. Het is het woord voor de rouw om wie is gestorven. De zware, lichamelijke rouw die het Grieks reserveert voor verlies dat niet kan worden omzeild.
Zalig die treuren. Niet: zalig die verdriet hebben in het algemeen. Maar: zalig wie rouwt om wat werkelijk verloren is.
De ontwijkbeweging vermijdt rouw. Ze houdt de opties open zodat er niets definitief verloren hoeft te zijn. Zolang de vader nog niet begraven is, hoeft de stap niet te worden gezet. Zolang de akker nog aandacht vraagt, hoeft de bruiloft niet te worden bijgewoond. Zolang er nog een eerst is, hoeft er niets te worden losgelaten.
Maar wat niet wordt losgelaten, kan niet worden getreurd. En wat niet wordt getreurd, kan niet worden vertroost.
Paraklēthēsontai — zij zullen worden vertroost. Het werkwoord komt van paraklētos — de trooster, de helper, degene die naast je staat. Niet de troost die van buitenaf wordt opgelegd, maar de troost die mogelijk wordt als de rouw volledig is toegelaten.
Ruth rouwt. Ze heeft haar man verloren, haar toekomst verloren, haar zekerheid verloren. Ze gaat met lege handen. Ze kiest voor de weg die geen garanties biedt.
En wat ze vindt — in Boaz, in Bethlehem, in het kind dat geboren wordt en de stamvader wordt van David — is niet de troost die ze had gepland. Het is de troost die mogelijk werd omdat ze niet heeft uitgeweken.
Zalig die treuren. Niet later — nu. Als de ontwijkbeweging valt en de rouw wordt toegelaten.
Dan begint het.
Wat mijn praktijk laat zien
In mijn praktijk zit ze soms tegenover me. De vrouw die al jaren wil beginnen met schrijven. Die het boek in zich voelt — de verhalen, de stem, de urgentie. Die er klaar voor is, bijna. Zodra de kinderen wat groter zijn. Zodra de verbouwing klaar is. Zodra ze wat meer ruimte heeft, wat meer rust, wat meer tijd.
De kinderen zijn groot. De verbouwing is klaar. De ruimte is er.
Ze schrijft niet.
Ik vraag: wat zou er gebeuren als je morgen begon — niet met het hele boek, maar met één zin?
Ze denkt na. Dan zegt ze: dan moet ik ook afmaken. Dan moet ik ook laten zien wat er in me zit. Dan kan het tegenvallen.
Dat is het. Niet de tijd. Niet de rust. Niet de verbouwing. De onherroepelijkheid. Het moment waarop de beweging begint, is het moment waarop het ook kan mislukken. Zolang ze nog niet begonnen is, bestaat het boek nog volledig in de mogelijkheid — perfect, ongeschonden, nog niet blootgesteld aan de werkelijkheid van wat het werkelijk is.
De ontwijkbeweging beschermt niet het boek. Ze beschermt de mogelijkheid van het boek.
Ruth had geen mogelijkheid meer om te beschermen. Haar man was dood. Haar toekomst was leeg. Er was niets meer wat eerst moest — want er was niets meer. Alleen de weg voor haar en de vrouw naast haar.
En ze ging.
De vrouw met het boek gaat ook — op de dag dat ze ontdekt dat de mogelijkheid die ze beschermde, al die tijd het leven zelf was dat ze niet heeft geleefd. Dat de onherroepelijkheid niet de vijand is. Maar de enige doorgang naar wat werkelijk is.
Centrale figuren in dit artikel: De man die zijn vader wil begraven — de dwaze maagden — de dienaar met het ingegraven talent — Ruth
Bijbelgedeelten: Mt. 8:21-22 (vader begraven); Mt. 25:1-13 (dwaze maagden); Mt. 25:14-18 (ingegraven talent); Ruth 1:6-18 (Ruth blijft)
Dit is een serie artikelen over ‘de hypocrisie‘ in Mattheüs:
00. Mattheüs spiegelt hypocrisie (inleiding)
01. De lege structuur(wet en vorm)
02. De persona die zichzelf is geworden (masker)
03. De strategische deugd (berekening)
04. Het systeem dat jou al heeft ingevuld (verwachting en bekendheid)
05. De identiteit vastgemaakt aan iets buiten jezelf (bezit en onzichtbaarheid)
06. Altijd eerst nog dit (uitstel en vermijding)
07. Het hoofd dat het lichaam niet meekrijgt (begrip zonder beweging)
08. De capitulatie onder sociale druk (instemming)
09. De projectie (het geconstrueerde beeld)
10. De schuld die nergens heen kan (spijt zonder ontvanger)
11. Wat je ontvangt maar niet aanneemt (de gestopte stroom)
12. De grond die niet ontvangt (de drie zaaiergevangenissen)
13. Het masker dat valt als niemand kijkt (over wie je bent als de heer weg is)
14. Mattheüs de tollenaar (de schrijver als getuige)
15. De zaligsprekingen (röntgenfoto van de twaalf)
16. Het sluitstuk (wat overblijft als de kelipah valt)

