Mattheüs de tollenaar (de schrijver als getuige)
De schrijver als getuige van zijn eigen doorbraak
Hij noemt zichzelf bij naam in zijn eigen evangelie.
Dat klinkt vanzelfsprekend — maar het is het niet. Marcus noemt hem Levi. Lucas noemt hem Levi. Alleen in het evangelie van Mattheüs heet de tollenaar die wordt geroepen Mattheüs. En in de apostellijst — de lijst van de twaalf, waar elk naam staat zonder verdere toevoeging — voegt hij toe wat de anderen weglaten.
Mattheüs de tollenaar.
Niet Mattheüs de discipel. Niet Mattheüs de evangelist. Mattheüs de tollenaar. Hij houdt zijn schande levend in het document dat zijn nalatenschap is. Hij weigert te vergeten wat hij was. Hij schrijft het in de lijst — naast Petrus de visser, naast Filippus, naast Bartholomeus — als de enige die zichzelf definieert door wat hij heeft verlaten.
Dat is geen zelfkritiek. Dat is getuigenis. De getuige is niet de man die iets heeft gezien — de getuige is de man die er zelf in heeft gestaan en er iets van te zeggen heeft dat alleen hij kan zeggen.
En Mattheüs heeft iets te zeggen over hypocrisie dat alleen hij kan zeggen.
Wat Mattheüs laat zien
Zijn naam is Mattityahu — gave van God.
De man die belasting inde voor Rome heette: gave van God.
Hij heeft zijn naam niet gekozen. Hij heeft hem meegekregen — van zijn ouders, van zijn volk, van de traditie die geloofde dat elk kind een gave is. En hij heeft die naam gedragen terwijl hij deed wat zijn volk het meest veroordeelde: samenwerken met de vijand, geld afdragen aan Rome, zijn eigen mensen belasten ten behoeve van de bezetter.
Gave van God. Collaborateur.
De kloof tussen die twee is de kloof van dit evangelie. En Mattheüs kende haar van binnenuit — niet als theoloog, niet als farizeeër die de wet bestudeerde, maar als de man die elke dag opstond en naar het tolhuis ging en wist wat hij deed en het toch deed.
Er is een woord in het Hebreeuws dat deze kloof preciezer beschrijft dan hypocrisie: chilul — ontwijding, ontheiligmaking. Chilul Hashem — de ontwijding van de naam van God. De daad waardoor het goddelijke in de wereld minder zichtbaar wordt. De tollenaar was bij uitstek de man van chilul — de man wiens daad de naam van God ontheiligde in de ogen van zijn volk.
En zijn eigen naam — Mattityahu, gave van God — was de stille aanklacht die hij elke dag bij zich droeg.
Wat er onder zit
Papias van Hierapolis — bisschop in de tweede eeuw, één van de vroegste getuigen van de evangelietradities — schrijft iets wat op het eerste gezicht historisch klinkt maar bij nader inzien theologisch is.
Mattheüs stelde de uitspraken — logia — in de Hebreeuwse taal samen. En ieder interpreteerde ze naar beste vermogen.
De tollenaar werd de verzamelaar van de woorden. De man die twee systemen had gediend — Rome en de tempel — werd de man die de woorden bewaarde die beide systemen het meest fundamenteel bevroegen. Hij had beide talen gesproken. Hij kende de taal van de macht en de taal van het geloof. En hij koos — na zijn roeping, na het opstaan van het tolhuis — voor de taal van het geloof als de taal waarin de woorden moesten worden bewaard.
Maar wat Papias niet zegt — en wat hier moet worden gezegd — is waarom Mattheüs zo obsessief was over hypocrisie.
Zestien keer het woord hypokritēs. Meer dan in welk ander evangelie ook. In Johannes staat het geen enkele keer.
De reden is niet theologisch. Ze is biografisch.
Mattheüs wist wat hypocrisie was — niet als concept maar als levensrealiteit. Hij had twee gezichten gedragen: het gezicht van de Jood die de wet kende en het gezicht van de tollenaar die voor Rome werkte. Hij had de kloof geleefd tussen wie hij was en wie hij toonde. Hij had geweten wat hij deed en het toch gedaan — niet uit onwetendheid maar uit de keuze die zijn systeem van hem vroeg.
En dan was er de dag bij het tolhuis.
Mattheüs 9: 9. Eén zin. Geen voorbereiding, geen context, geen psychologische aanloop. Jezus zag hem zitten bij het tolhuis en zei: volg mij. En hij stond op en volgde hem.
En opgestaan zijnde volgde hij hem.
Het Griekse werkwoord anistēmi — opstaan — is hetzelfde werkwoord dat Mattheüs gebruikt voor de opstanding. Het is niet toevallig. Het opstaan van Mattheüs bij het tolhuis is in de grammatica van zijn eigen evangelie een kleine opstanding. Een sterven aan wat hij was en een opstaan in wie hij zou worden.
Maar hij werd niet iemand anders. Hij werd Mattheüs de tollenaar. Nog steeds de tollenaar. De schande bleef in de naam. De geschiedenis bleef in de man. Maar de functie van die geschiedenis veranderde: van gevangenis naar getuigenis.
Mattheüs schreef zijn evangelie rond 80 na Christus — zo’n tien jaar na de verwoesting van de tempel in 70. Het systeem was weg. De overpriesters waren weg. De farizeeën als politieke macht waren gebroken. De tempelbelasting die Mattheüs had geïnd, had geen tempel meer om naartoe te gaan.
En toch schrijft hij het evangelie dat het meest obsessief is over hypocrisie. Op het moment waarop de hypocrieten al zijn vernietigd door de geschiedenis.
Waarom?
Omdat hij wist dat het systeem was vernietigd maar de mechanismen niet. Omdat hij wist — uit veertig jaar leven als tollenaar, als discipel, als getuige — dat de hypocrisie niet woont in de instituties. Ze woont in de mens. Ze verhuist mee als het systeem valt. Ze bouwt nieuwe structuren in nieuwe contexten. Ze past zich aan — zoals de mens zich aanpast, zoals hij altijd heeft geleerd zich aan te passen — aan wat het nieuwe systeem van hem vraagt.
Hij schrijft niet voor de farizeeën van Jeruzalem. Die zijn er niet meer. Hij schrijft voor de gemeenten in Syrië — voor Antiochië, waar hij zich waarschijnlijk heeft gevestigd na de opstand — voor mensen die een nieuw systeem aan het bouwen zijn en die opnieuw leren wie ze moeten zijn voor dat systeem.
Hij schrijft voor zichzelf. Veertig jaar eerder. Bij het tolhuis.
Wat het verschil maakt
Er zijn twee tollenaars in het evangelie van Mattheüs die tegenover elkaar staan — en die het verschil laten zien dat dit artikel draagt.
De eerste is Mattheüs zelf. Hij staat op. Zonder voorbereiding, zonder eerst nog dit, zonder de uitwijkbeweging. Hij staat op en volgt.
De tweede staat in de gelijkenis van hoofdstuk 21, vers 31. Jezus zegt tegen de overpriesters en oudsten: voorwaar zeg ik u, de tollenaars en de hoeren gaan u voor in het koninkrijk Gods. Want Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid en gij hebt hem niet geloofd — maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd.
De tollenaars en de hoeren gaan u voor. Niet: zij zijn beter dan u. Maar: zij gaan voor. Ze zijn eerder. Ze hebben eerder gezien wat de overpriesters niet konden zien — omdat zij geen systeem hadden om achter te verschuilen. Omdat de schande hen had beroofd van de structuren die de hypocrisie mogelijk maken.
Mattheüs schrijft dit over zichzelf. Hij was de tollenaar die voorging. Niet omdat hij beter was — maar omdat hij niets meer had te verliezen. De schande had hem bevrijd van de noodzaak om een gezicht te bewaren.
En dat — de schande als bevrijding van het gezicht — is de diepste laag.
Wat er mogelijk wordt
Er is geen zaligspreking die ik hier voor het eerst gebruik. We zijn aan het einde van de twaalf mechanismen — alle acht zaligsprekingen zijn al geopend.
Maar er is een woord van Jezus in Mattheüs dat hier zijn diepste resonantie heeft — en dat nog niet is gebruikt in de serie.
Mattheüs 11: vers 28. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
Vermoeid — kopiōntes — uitgeput door inspanning, door het werk dat nooit ophoudt, door het dragen van wat te zwaar is. Belast — pephortismenoi — volgeladen, overladen, gebogen onder het gewicht van wat op je ligt.
Dit is de uitnodiging die Mattheüs heeft ontvangen bij het tolhuis. Niet: jij bent goed genoeg. Niet: jij hebt je bewezen. Maar: kom. Jij die vermoeid bent van het dragen van twee gezichten, van het leven in de kloof, van de chilul die je elke dag opnieuw begaat — kom.
En de rust die wordt beloofd — anapausis — is niet de rust van het niets-doen. Het is de rust van wie zijn last heeft neergelegd. Van wie heeft opgehouden te proberen de kloof te overbruggen door harder te werken aan het masker. Van wie heeft ontdekt dat er geen kloof meer is als je ophoudt hem in stand te houden.
Mattheüs de tollenaar heeft die rust gevonden. Niet door zijn verleden te wissen — hij noemt zichzelf nog steeds de tollenaar. Maar door het te integreren. Door het te maken tot getuigenis in plaats van gevangenis.
Gave van God. Tollenaar. Getuige.
Alle drie tegelijk.
Wat mijn praktijk laat zien
In mijn praktijk zit hij soms tegenover me. De man die lang heeft gewerkt in een systeem dat hij niet volledig kon respecteren. Die heeft gedaan wat het systeem vroeg — niet uit kwaadwil maar uit de overtuiging dat er geen andere weg was. Die heeft geleerd wie hij moest zijn voor de vergadering, voor de aandeelhouders, voor de klanten, voor het imago van het bedrijf.
En die op een dag — niet dramatisch, niet met een grote breuk — ontdekt dat hij zichzelf niet meer herkent in de spiegel.
Niet omdat hij slecht is geworden. Maar omdat hij zo goed is geworden in wat het systeem van hem vroeg, dat hij vergeten is wat hij was voordat het systeem hem vormde.
Ik vraag hem: wat was je naam — je werkelijke naam — voordat het systeem je een functietitel gaf?
Hij zwijgt lang.
Dan zegt hij iets wat ik niet had verwacht. Hij zegt een naam — zijn voornaam, zijn eigen naam — alsof hij hem voor het eerst uitspreekt. Alsof hij hem heeft teruggevonden onder alles wat eroverheen is gegroeid.
Dat is het moment van Mattheüs bij het tolhuis. Niet de dramatische bekering. Niet de grote breuk. Maar het opstaan. Het simpele, onherroepelijke opstaan — van wat hij was geworden naar wie hij altijd al was.
En opgestaan zijnde volgde hij hem.
Vier woorden. Veertig jaar leven in twee bewegingen: opstaan en volgen.
De rest is evangelie.
Centrale figuren in dit artikel: De ontrouwe dienaar — de farizeeër die weduwen berooft — de mens in de privéruimte
Bijbelgedeelten: Mt. 24:51 (de ontrouwe dienaar en zijn deel bij de hypocrieten) Mt. 24:45-50 (de trouwe versus de ontrouwe dienaar) Mt. 6:4, 6:6, 6:18 (de Vader die in het verborgene ziet) Mt. 23:14 (de weduwen en de lange gebeden) Mt. 5:8 (zalig de reinen van hart — want zij zullen God zien)
Dit is een serie artikelen over ‘de hypocrisie‘ in Mattheüs:
00. Mattheüs spiegelt hypocrisie (inleiding)
01. De lege structuur(wet en vorm)
02. De persona die zichzelf is geworden (masker)
03. De strategische deugd (berekening)
04. Het systeem dat jou al heeft ingevuld (verwachting en bekendheid)
05. De identiteit vastgemaakt aan iets buiten jezelf (bezit en onzichtbaarheid)
06. Altijd eerst nog dit (uitstel en vermijding)
07. Het hoofd dat het lichaam niet meekrijgt (begrip zonder beweging)
08. De capitulatie onder sociale druk (instemming)
09. De projectie (het geconstrueerde beeld)
10. De schuld die nergens heen kan (spijt zonder ontvanger)
11. Wat je ontvangt maar niet aanneemt (de gestopte stroom)
12. De grond die niet ontvangt (de drie zaaiergevangenissen)
13. Het masker dat valt als niemand kijkt (over wie je bent als de heer weg is)
14. Mattheüs de tollenaar (de schrijver als getuige)
15. De zaligsprekingen (röntgenfoto van de twaalf)
16. Het sluitstuk (wat overblijft als de kelipah valt)

