Het tekort dat ons leven regelt
Eerst schreef ik een artikel wie-heeft-je-verteld-dat-je-naakt-bent
Nu leg ik uit wat dat betekent voor ons dagelijks leven.
De eerste blik
Een pasgeborene heeft geen zelfbeeld. Ze huilt als ze honger heeft en is stil als ze verzadigd is, en tussen die twee zit geen toeschouwer die meekijkt of ze het goed doet. Rond anderhalf jaar verandert dat. Dan herkent een kind zichzelf in de spiegel: wie een vlek op zijn neus krijgt en in de spiegel kijkt, grijpt naar zijn eigen neus en niet naar het glas. Kort daarna verschijnen de emoties die alleen bestaan als je jezelf kunt zien: schaamte, schuld, trots. In ieder mensenleven speelt zich zo een kleine versie af van wat Genesis beschrijft. De ogen gaan open, en het kind weet dat het bekeken kan worden.
Wat dat kind dan in zich opneemt, is de blik waarmee het bekeken werd. Een eigen maat heeft het nog niet. Het leent de maat van de ogen die het dagelijks op zich gericht voelt. Waar die blik zegt dat je er bent en dat het goed is, groeit een toeschouwer die vooral bevestigt. Waar die blik voorwaarden stelt, groeit een toeschouwer die weegt. Het kind weet dan niet dat het oordeelt. Het denkt dat het zo is.
Zo ontstaat het tekort. Zelden uit één groot drama; meestal uit duizend kleine momenten waarop een kind kreeg wat het op dat moment niet nodig had, of niet kreeg wat het wél nodig had. Een ouder die troostte toen het kind gezien wilde worden. Een ouder die er niet was toen het kind bang was. Een compliment voor wat het deed, terwijl het wilde horen dat het er mocht zijn. Elk van die momenten is klein. Samen leren ze het zenuwstelsel één ding: wat ik nodig heb, komt niet vanzelf.
Een brein dat vooruit leest
Ons brein wacht niet af wat er gebeurt. Het voorspelt. Op basis van wat het eerder meemaakte, rekent het steeds uit wat er komt, en het lichaam bereidt zich daar al op voor voordat er iets gebeurd is. Een zenuwstelsel dat vroeg heeft geleerd dat het nodige niet vanzelf komt, voorspelt tekort. Het zet het lichaam alvast op spanning, telt wat er ontbreekt en mist wat er wél is.
Daar komt bij dat het brein van nature scheef weegt. Wat dreigt, krijgt voorrang op wat voedt. Een verwijt blijft langer hangen dan een compliment, en één verlies weegt zwaarder dan een even grote winst. Voor een dier dat moest overleven was dat verstandig. Voor een mens die al overleeft, betekent het dat het tekort altijd een stap voorloopt op het genoeg.
Er is ook een netwerk in de hersenen dat vooral actief wordt als we niets hoeven te doen: als we wachten, piekeren, terugdenken, onszelf vergelijken. Het draait om onszelf, om hoe we ervoor staan en wat anderen van ons denken. Daar woont de toeschouwer. Bij mensen die lang mediteren of contemplatief bidden, wordt dat netwerk stiller. Bij mensen die somber of angstig zijn, draait het harder en blijft het in dezelfde groeven lopen.
Zo is het oordeel een gewoonte van het brein geworden, en daardoor herkennen we het niet meer als oordeel. Wie denkt dat hij niet goed genoeg is, ervaart dat van binnen als een waarneming, zo vanzelfsprekend als het weer.
Hoe de cirkel draait
Het oordeel stelt een tekort vast. Het tekort maakt bang. En de angst, die gericht is op wat ontbreekt, vindt steeds meer wat ontbreekt, en voedt zo het oordeel opnieuw. Wie in die cirkel zit, ziet de cirkel zelf niet. Hij merkt alleen de gevolgen: moeheid, prikkelbaarheid, het gevoel nooit klaar te zijn.
Op het tekort zijn twee antwoorden mogelijk, en ze lijken elkaars tegendeel. Het ene is controle: de teugels strakker, de eisen hoger, jezelf minder toestaan dan je nodig hebt. Het andere is chaos: de grens loslaten, meer nemen, meer doen, meer willen dan het lichaam kan dragen. Op het werk is de een de medewerker die zich onder zijn niveau houdt omdat zichtbaar worden te riskant voelt, en de ander de medewerker die op zijn tenen loopt tot zijn lichaam stopt. Aan tafel is het wie zich alles ontzegt en wie niet kan ophouden. In de spiegel is het het slechte zelfbeeld en de hoogmoed.
In één mens wisselen die twee elkaar vaak af. Wie zich wekenlang inhoudt, schiet op een avond door; wie doorschiet, trekt daarna de teugels nog strakker aan. Het lijkt alsof iemand tussen twee problemen heen en weer gaat, terwijl beide bewegingen hetzelfde proberen: een tekort oplossen met de bril waarmee het werd vastgesteld.

Een tekort dat niet van jou is
Niet elk tekort begint in je eigen kindertijd. Soms is het geërfd. Een kind hoort bij zijn gezin, en dat erbij horen gaat dieper dan elk verlangen naar geluk. Wie opgroeit bij een moeder die zichzelf nooit genoeg vond, kan het eigen genoeg ervaren als ontrouw. Meer hebben dan zij, rustiger zijn dan zij, gelukkiger dan zij: het voelt als weggaan. Het tekort wordt dan een vorm van liefde, een stille trouw die zegt: ik deel je gebrek, zodat je er niet alleen in staat.\
Daarom helpt het zo weinig om zo iemand te vertellen dat hij genoeg is. Het tekort vraagt om erkend te worden als iets wat bij een ander hoort, en daar zijn plek mag krijgen. Pas wie zijn moeder haar eigen lot kan laten, mag zijn eigen genoeg nemen.
Het tekort grijpt ook in op de balans van geven en nemen. Wie zich van binnen leeg voelt, kan moeilijk nemen, want elk geschenk bevestigt dat hij het nodig had. Hij gaat geven, meer dan gevraagd wordt, en voelt zich daar op den duur te weinig voor gezien. Of hij gaat eisen, en kan niet meer ontvangen wat er wel is. In beide gevallen raakt de balans scheef, en een relatie met een scheve balans blijft niet lang gelijkwaardig.
In de liefde
Nergens draait de cirkel harder dan in een liefdesrelatie. Wie verliefd wordt, voelt even iets van de oude bevestiging terug: iemand kijkt naar je en ziet je, zonder voorwaarden. Dichter bij de eerste blik kan een volwassene nauwelijks komen. Daarom wordt de partner ongemerkt degene die het tekort moet vullen, en wie die opdracht krijgt, kan haar alleen maar verliezen. Op de dag dat hij tekortschiet, wordt hij de rechter.
Hoe dat verloopt, verschilt tussen man en vrouw, en dat verschil doet ertoe. Het mannelijke tekort zit vaak in het doen: niet genoeg kunnen, niet genoeg dragen, falen. Zijn angst is tekort te schieten in wat hem is toevertrouwd. Het vrouwelijke tekort zit vaker in het zijn: niet genoeg gezien worden, niet geliefd zijn om wie ze is. Haar angst is dat ze er niet toe doet. Genesis legt de moeite na de val ook op die twee plekken: bij de man in de akker en zijn werk, bij de vrouw in de relatie en het baren.
Zo raken ze elkaar precies op de pijnlijke plek. Zij vraagt aandacht, hij hoort dat hij tekortschiet en trekt zich terug in zijn werk. Zij voelt zich in die terugtrekking niet gezien en vraagt harder. De cirkel van de een zet de cirkel van de ander in beweging. Het verschil tussen hen, dat de spanning en de kracht van hun liefde zou kunnen zijn, wordt het terrein waarop ze elkaar beoordelen.
Wat in de schaduw verdwijnt
Wat het oordeel afkeurt, verdwijnt niet. Het zakt weg, uit het zicht, en leeft daar verder. Wie zijn eigen behoeftigheid niet verdraagt, gaat haar zien in anderen en keurt haar daar af. Wie zijn eigen angst wegdrukt, ergert zich aan de angst van zijn kind. Het oordeel over jezelf wordt zo een oordeel over de ander, en de ander draagt dan wat van jou was. Adam deed het al: de vrouw die U mij gegeven hebt.
Toch is niet elk oordeel hetzelfde. Er is een oordeel dat opzij kijkt en vergelijkt: ik ben minder dan hij, meer dan zij. Dat houdt de cirkel draaiende. En er is een onrust die omhoog kijkt: de pijn van iemand die voelt dat er in hem meer mogelijk is dan hij leeft. Die onrust kan even verscheurend zijn als het vergelijkende oordeel. Ze wordt vaak voor ziekte gehouden, en ze kan het begin zijn van ontwikkeling: een oude ordening die uiteenvalt omdat er in iemand een hogere is gaan trekken.
Van buiten zijn die twee nauwelijks te onderscheiden. Van binnen wel. Het vergelijkende oordeel maakt kleiner, of groter dan je bent. De onrust die omhoog kijkt, maakt ruimer.
Zien waar je bent
Uit de cirkel stappen begint bij zien dat je erin zit. Dat is het moment van bewust onbekwaam: ik zie wat ik doe, en ik kan het nog niet anders. Het is het ongemakkelijkste moment van iedere verandering, en precies daar ligt de valkuil. Wie ziet dat hij in de cirkel zit, kan dat meteen weer beoordelen. Zie je wel, ik doe het weer fout. Dan is de toeschouwer terug, en gaat de cirkel nog een ronde.
Wat helpt, is een ander soort kijken: zien wat er is zonder het te wegen. Ik ben bang. Ik grijp weer naar controle. Ik wil weer meer. Vaststellen, zoals je vaststelt dat het regent. Alleen lukt dat moeilijk, omdat de toeschouwer in je hoofd die taak steeds overneemt. Daarom is er vaak een ander nodig: iemand die vraagt waar je bent, en het antwoord niet beoordeelt. In zo’n blik kan een volwassene iets terugvinden van wat hij als kind nodig had.
De cirkel verdwijnt daarmee niet. Het brein blijft vooruit lezen, het zenuwstelsel blijft zijn oude voorspellingen doen, en op een slechte dag draait alles weer. Wat verandert, is dat je hem herkent terwijl hij draait. Soms een tel eerder dan vroeger, soms een tel later. Wat er in die tel kan gebeuren, weet niemand vooraf.
LEES VERDER: https://www.dinekevankooten.nl/archief/geliefd-als-maatstaf/
Serie zondeval:
1) wie-heeft-je-verteld-dat-je-naakt-bent
2) het-tekort-dat-ons-leven-regelt
3) geliefd-als-maatstaf