Wie heeft je verteld dat je naakt bent?
Wat was er vóór de zondeval in Genesis, dat er daarna niet meer is? En wat was er vóór de val niet, dat er daarna wel is?
Op de eerste vraag heeft de traditie lang geantwoord met onschuld, onsterfelijkheid, het wandelen met God.
De tweede lijkt haar antwoord al te hebben: zonde, dood, moeite, pijn.
In de eerste drie hoofdstukken van Genesis staan de antwoorden op beide vragen vaak in hetzelfde woord, en daar zijn verlies en winst niet meer uit elkaar te halen.
Twee keer naakt
Ze waren beiden naakt, de mens en zijn vrouw, en ze schaamden zich niet (Genesis 2:25).
Eén vers verder, nog voordat er iets is gebeurd, komt de slang binnen, en die is listig.
In het Hebreeuws staat er twee keer hetzelfde woord.
Naakt is ‘arummim. Listig is ‘arum.
Dezelfde letters, ע-ר-ו-ם, en wie het hardop leest, hoort het verschil nauwelijks.
Ik blijf hangen bij die herhaling. Het woord dat de onschuld van de mens beschrijft, is ook het woord voor de slimheid van de slang.
Naaktheid en berekening liggen een klinker van elkaar.
Wie niets verbergt en wie alles doorziet, delen een woord, alsof het om één vermogen gaat dat twee kanten op kan vallen: open zijn voor wat er is, of open liggen voor wat ontbreekt.
De volgende keer dat het woord terugkomt, na het eten, is te zien welke kant het opviel.
Daar staat niet meer ‘arummim. Er staat ‘eirummim (3:7), en even later ‘eirom: ik was naakt (3:10).
Een andere vorm, met een letter erbij.
Elders in de Thora staat precies die vorm in een rij die geen twijfel laat: in honger, in dorst, in naaktheid en in gebrek aan alles (Deuteronomium 28:48).
Aan het lichaam van de mens is niets veranderd. Het woord draagt nu iets mee wat het eerst niet droeg: het tekort.
De ene grens
De hof was niet grenzeloos. Dat zie ik pas als ik teruglees hoe hij gegeven werd: van elke boom van de hof mag je eten, eten (2:16).
Het Hebreeuws verdubbelt het werkwoord, akhol tokhel, zoals het doet wanneer iets met nadruk en zonder voorbehoud bedoeld is.
Daarna komt de ene uitzondering. Overvloed, uitgesproken met een dubbel woord, en één grens.
Die grens is de manier waarop de schepping vanaf het eerste vers werkt.
In het begin is de aarde tohoe wavohoe, woest en ledig, en wat er dan gebeurt is telkens hetzelfde werkwoord: God scheidt.
God scheidt licht van duisternis. Water boven van water onder. Dag van nacht.
Vijf keer staat er hivdil, scheiden, een rand trekken.
Pas waar een rand is, kan iets vol worden: de zee met vissen, de lucht met vogels, het land met wat leeft.
De leegte van het begin kwam voort uit het ontbreken van randen.
Het woord hof, gan, is verwant aan een werkwoord dat beschermen en omheinen betekent. Ook ons woord paradijs komt van een Perzisch woord voor een ommuurde tuin. En de mens wordt erin gezet om hem te bewerken en te bewaren (2:15).
Bewaren, sjamar, is wat je doet met een grens. De eerste opdracht aan de mens is het hoeden van een rand.
Het genoeg van de hof bestond dus dankzij die ene boom. Zonder rand was er geen hof geweest, alleen ruimte.
De vraag van de slang
De slang zegt niets onwaars.
Hij stelt een vraag: heeft God werkelijk gezegd dat jullie van geen enkele boom van de hof mogen eten? (3:1).
Het Hebreeuws laat open of hij bedoelt ‘niet van alle’ of ‘van geen enkele’, en in die openheid gebeurt het.
Het dubbele eten van God valt weg.
Wat overblijft is het verbod, opgerekt tot het alles bedekt.
Een hof vol bomen wordt in één zin een hof waar je niets mag.
Hier verschijnt het eerste tekort van de Schrift, en er is niets weggenomen. Het zit in de blik.
De vrouw corrigeert hem, en terecht: van de vruchten mogen we eten.
Dan zegt ze over de ene boom: God heeft gezegd, jullie mogen er niet van eten en hem niet aanraken (3:3).
Dat aanraken had God niet gezegd.
Ze legt een grens bovenop de grens en geeft zichzelf minder dan haar gegeven was.
Het is de beweging van de controle: wie bang is iets kwijt te raken, maakt de regel strenger dan hij is, en hoopt zo veilig te blijven.
Twee verzen later neemt ze van de boom.
Daar is de andere beweging: nemen wat niet gegeven is, over de rand heen.
De slang had het beloofd: jullie zullen zijn als God (3:5), en wie als God is, kent geen rand.
Haar man staat erbij.
Vers 6 zegt het terloops, ‘ook aan haar man, die bij haar was’, en hij zegt niets.
In een paar verzen staan ze naast elkaar: te weinig en te veel, controle en chaos. Ik had tegenpolen verwacht. Ze komen uit dezelfde vraag.
Zodra de overvloed binnen de grens niet meer gezien wordt, wordt de grens te strak of verdwijnt hij.
Geopende ogen
Toen werden de ogen van hen beiden geopend, en ze wisten dat ze naakt waren (3:7).
Ik las dit altijd als verlies. Er staat dat er iets bijkomt. Ze weten.
Het werkwoord is jada, kennen. Het zit in de naam van de boom, ets hada’at, en het staat een hoofdstuk later opnieuw: de mens kende Eva, zijn vrouw (4:1). Eén werkwoord voor twee soorten kennen.
Het ene kent van binnenuit, in verbinding, zo dicht dat er een kind uit voortkomt.
Het andere weet óver: jezelf van buitenaf bekijken en vaststellen wat je ziet. Naakt.
Vóór die ogen opengingen was er ook naaktheid, en geen schaamte.
Ze waren er, zonder zichzelf te bekijken.
Dat noem ik bewust-zijn: aanwezig zijn in wat je bent.
Na het eten ontstaat zelf-bewustzijn, een tweede blik naast de eerste, een toeschouwer in jezelf die meekijkt en weegt.
Die toeschouwer weegt met de maat van de boom: goed en kwaad, tov en ra’. Het woord ra’ is verwant aan ra’a’, breken, verbrijzelen.
Kennis van goed en kwaad is dan kennis in termen van heel en gebroken.
Wie zo kijkt, ziet bij alles eerst wat eraan ontbreekt.
Het oordeel is geboren, en het eerste wat het beoordeelt, is de eigen huid.
Het eerste hoofdstuk eindigt met een andere blik.
God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed (1:31).
Ook daar wordt gekeken, en er wordt niets naast een maatstaf gelegd. Het zien bevestigt.
Zeer goed is tov me’od, en de letters van me’od, מאד, zijn de letters van adam, אדם.
In de bevestiging zit de mens al, voordat hij zichzelf gaat beoordelen.
Ik werd bang
God wandelt in de hof bij de wind van de dag, en de mens verstopt zich tussen de bomen.
God roept: ajekka, waar ben je? (3:9).
De mens antwoordt: ik hoorde uw stem in de hof, en ik werd bang, want ik was naakt, en ik verborg mij (3:10).
Ik werd bang. Hier staat het werkwoord voor vrezen, jare, voor het eerst in de Schrift.
Er is geen dier, geen vijand, geen uitgesproken straf.
De angst heeft één reden, en de mens noemt haar zelf: want ik was naakt.
Eerst het oordeel, dan het tekort dat het oplevert, dan de angst, dan het verstoppen.
De hele keten staat in één zin.
God stelt een tweede vraag, en die is vreemder dan de eerste.
Wie heeft je verteld dat je naakt bent? (3:11)
Mi higgid lecha: wie heeft het je doen weten.
God vraagt niet of het klopt.
Hij vraagt naar de herkomst.
Het oordeel over de eigen naaktheid komt ergens vandaan, en van Hem kwam het niet; Hij had de mens gezien en zeer goed genoemd.
Het tekort is een stem die er later bij kwam, en God wil weten van wie die stem is.
De mens beantwoordt die vraag niet. Hij wijst: de vrouw die U mij gegeven hebt. De vrouw wijst de slang aan.
Het oordeel dat op de eigen huid begon, gaat naar buiten, naar de ander, en via de ander naar God zelf: die U mij gegeven hebt.
Wie zichzelf tekort vindt, leest de wereld daarna met diezelfde ogen.

Te veel en te weinig
Sindsdien heeft het tekort twee antwoorden, en ze lijken elkaars tegendeel.
Het ene is controle: de grens strakker trekken dan hij is, jezelf minder geven dan gegeven is, zoals de vrouw met haar ‘niet aanraken’.
Het andere is chaos: de grens niet meer erkennen, nemen wat niet gegeven is, zijn als God.
Ik zie ze terug in alle drie de lagen van een mens.
In het lichaam staat de behoeftigheid van wie zich ontzegt en nooit verzadigd raakt tegenover het over-eten van wie geen rand meer voelt.
De oudste scène gaat over eten, en het tekort laat zich nog altijd het eerst zien in de mond.
In de ziel staat de moedeloosheid van wie zichzelf klein houdt tegenover de overmoed van wie geen maat meer kent.
In de geest staat het slechte zelfbeeld tegenover de hoogmoed.
Allebei zijn het oordelen over jezelf, allebei vergelijken ze.
De een valt onder de maat, de ander stijgt erboven uit, en geen van beide kan nog gewoon zijn.
De joodse mystiek heeft hier een taal voor die ouder is dan onze psychologie.
Aan de ene kant staat chesed, de overvloed, de genade die stroomt zonder op te houden.
Aan de andere kant staat gevoera, de kracht die begrenst, en die ook din heet: oordeel.
Chesed zonder gevoera stroomt over en verdrinkt wat het wil voeden.
Gevoera zonder chesed snoert af en oordeelt tot er niets meer leeft.
Daartussen ligt tiferet, schoonheid, ook rachamim genoemd, barmhartigheid: de plek waar overvloed en grens elkaar vasthouden.
In de joodse mystiek van Safed wordt verteld over een wereld vóór deze wereld, de wereld van de chaos.
Daar was licht in overvloed, en de vaten die het moesten dragen, konden het niet houden. Ze braken: het breken van de vaten.
De scherven raakten verstrooid in alles wat daarna kwam. Chaos is in dat beeld te veel licht voor te weinig vorm. En kwaad, ra’, had de klank van breken.
Misschien is de mens na de val zo’n vat. Dan zijn te veel en te weinig twee manieren om met een breuk te leven: de scherven bijeenhouden door alles dicht te knijpen, of ze laten liggen en het licht laten weglopen.
Wat erbij kwam
Na de val komt er meer dan schaamte en angst.
Er komt een vraag. In de eerste twee hoofdstukken stelt God de mens geen enkele vraag. Hij spreekt, zegent, geeft, verbiedt.
Het eerste vraagteken in de Schrift staat in de mond van de slang: heeft God werkelijk gezegd?
Het tweede staat in de mond van God: waar ben je?
Twee vragen, en ze gaan in tegengestelde richting.
De vraag van de slang maakt van overvloed tekort.
De vraag van God zoekt een mens die zich verstopt.
Een vraag veronderstelt afstand; wie samenvalt met de ander, hoeft niet te vragen waar hij is.
De vraag is wat er overblijft van de nabijheid wanneer de nabijheid weg is, en tegelijk de weg ernaartoe.
Adam geeft het antwoord niet dat erbij hoort.
Dat komt pas veel later, bij Abraham, in één woord: hineni, hier ben ik (22:1).
Er komen ook kleren. Eerst de schorten van vijgenbladeren die de mens zelf naait (3:7): bedekken wat beoordeeld wordt, met wat voorhanden is.
Dan maakt God hun kleren van huid en trekt ze hun zelf aan (3:21).
Kleren van huid is kotnot ‘or. De midrasj vertelt dat in de Thorarol van rabbi Meïr iets anders stond: kotnot or, kleren van licht (Bereshit Rabba 20:12).
Huid, עור, en licht, אור, verschillen één letter.
Licht begint met de alef, de stille letter die één betekent.
Huid begint met de ajin, en ajin betekent oog.
Waar eerst de stille één stond, staat na de val het oog dat kijkt en weegt.
En toch is het God die de kleren maakt.
Het tekort blijft, en het wordt bekleed door dezelfde handen die de mens uit stof vormden.
Twee keer wordt er in dit hoofdstuk bedekt, en de volgorde is alles. De mens bedekt zichzelf vóór er iets is uitgesproken; God bekleedt hem pas nadat alles is gevraagd en benoemd. Later in de Schrift krijgt dat verschil een werkwoord, kasa, bedekken. Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; wie ze belijdt en laat, vindt barmhartigheid (Spreuken 28:13). Welzalig wiens zonde bedekt is (Psalm 32:1), en vier verzen verder: mijn ongerechtigheid bedekte ik niet, en Gij vergaaft (32:5). Hetzelfde woord, met een andere hand eraan. Waar de mens bedekt, verstopt hij. Waar hij ophoudt met bedekken, dekt God toe. De vijgenbladeren kwamen vóór de vraag. De kleren van huid kwamen erna.

En het leven krijgt een naam.
Vlak nadat de mens heeft gehoord dat hij tot stof zal terugkeren, noemt hij zijn vrouw Chava, want zij is de moeder van al wat leeft (3:19–20).
Het leven wordt benoemd op het moment dat het sterfelijk wordt. Daarvoor hoefde het geen naam: het was er gewoon.
Genoeg
In de Talmud (Chagiga 12a) staat een uitleg van de godsnaam Sjaddai, die meestal met Almachtige wordt vertaald.
De rabbijnen lezen er twee woorden in: Hij die zei: genoeg.
Toen de wereld geschapen werd, dijde ze uit, verder en verder, als een kluwen dat zich afwikkelt, tot God haar aansprak. Genoeg. En ze bleef staan.
De naam van God is daar de grens die de wereld heel houdt, zodat ze niet wegvloeit in haar eigen overvloed.
Wie ‘genoeg’ zegt, spreekt in die uitleg een godsnaam uit.
Er ligt nog een laag onder. De joodse mystiek noemt God in Zijn diepste wezen Ein Sof, zonder einde, zonder grens.
Het eerste wat het grenzeloze doet, in de leer van Safed, is zichzelf terugtrekken, tsimtsoem, om ruimte te maken waarin iets anders kan bestaan.
De schepping begint met een grens die het oneindige zichzelf oplegt. Uit liefde, want zonder die terugtrekking was er niemand om lief te hebben.
Dat zet de grenzeloosheid in een ander licht. Ook mystici spreken over grenzeloosheid, over eenheid, over opgaan in God.
Die grenzeloosheid komt ná de grens: je moet eerst iemand zijn om jezelf te kunnen geven.
De grenzeloosheid van de chaos komt ervoor, en ze wil nooit een grens gehad hebben.
Van buiten lijken ze op elkaar. Ze lopen in tegengestelde richting.
Wat ik niet weet, is hoe de weg terug naar bewust-zijn loopt. Via het afleggen van het oordeel, of via een ander oordeel, dat bevestigt zoals het eerste zien deed.
De tekst sluit de hof af met cherubs en een vlammend zwaard dat zich omkeert, om de weg naar de boom van het leven te bewaren (3:24).
Lisjmor, bewaren: hetzelfde woord als de eerste opdracht aan de mens. De weg is er nog. Wie hem bewaakt, is een grens.
Wie heeft je verteld dat je naakt bent? De vraag hangt nog in de hof. Misschien hoeft ze geen antwoord. Misschien is het genoeg om de stem te leren herkennen die het zei.
LEES VERDER: het-tekort-dat-ons-leven-regelt
Serie zondeval:
1) wie-heeft-je-verteld-dat-je-naakt-bent
2) het-tekort-dat-ons-leven-regelt
3) geliefd-als-maatstaf

