Hoe een man de pleaser van zijn vrouw wordt — 02
Over de man die niet plooide uit angst maar uit talent, en die pas ontdekt wat het hem heeft gekost wanneer er niets meer beweegt
Er is een tweede man, en die is veel moeilijker te zien, omdat hij op niemands lijstje staat. Hij loopt niet op eieren. Hij zwijgt niet als hem iets gevraagd wordt. Hij heeft opvattingen, hij weerspreekt, hij kan een gesprek een half uur openhouden dat een ander in drie zinnen zou hebben afgesloten. Hij regelt, verdient, bouwt, houdt overzicht. Van buiten lijkt hij het tegendeel van meegaand, en dat is precies waarom niemand hem als pleaser herkent — hijzelf nog het minst.
Bij hem werd nooit met deuren gesmeten. Zijn vader en moeder hadden hem nodig om het niet te laten escaleren. Hij deed dat zonder dat het opgemerkt werd. Hij was een jongen die aanvoelde wat er nodig was en het leverde, en die daarvoor werd geprezen. Zo iemand leert plooien zonder te weten dat hij plooit, want het heet geen plooien. Het heet verantwoordelijkheidsgevoel. Het heet vroeg volwassen. En lof is een steviger ketting dan angst, omdat je er niet tegenin kunt komen zonder ondankbaar te zijn. Wie is weggeslagen kan later boos worden op wie sloeg. Wie is bewonderd kan alleen boos worden op de bewondering, en dat voelt als verraad aan mensen die het goed bedoelden.
Meningen genoeg, geen voorkeur
Het onderscheidende kenmerk van deze man is niet zijn zwijgen. Hij spreekt volop. Het kenmerk is dat al zijn zinnen over de wereld gaan en geen enkele over hemzelf.
Vraag hem wat hij van iets vindt, en je krijgt drie invalshoeken, een nuancering, een tegenwerping op zijn eigen tegenwerping. Vraag hem wat hij wil, en er valt iets stil. Wat er dan komt is een opsomming van voorwaarden — het moet uitdagend zijn maar niet te zwaar, samen maar niet te veel samen, gewaardeerd maar zonder gedoe — en er is geen mens die daar warm van wordt, hijzelf ook niet. Hij is bezig zijn eigen leven af te bakenen zoals je een functieprofiel opstelt. Nergens staat waar hij voor zou branden, want branden hoorde niet bij de opdracht.
Dit is de reden dat hij zo lang onopgemerkt blijft. Wij herkennen de pleaser aan het ontbreken van tegenspraak, en bij hem is tegenspraak juist het huisdier. Wat ontbreekt is iets anders. Hij heeft alles behalve een voorkeur.
Het orgaan dat nooit is afgesteld
Hier ligt geen alarm dat al veertig jaar afgaat. Hier is iets nooit aangelegd.
Antonio Damasio beschreef in 1994 wat er gebeurt met mensen bij wie de verbinding tussen redeneren en lichamelijk signaal is beschadigd: hun intelligentie blijft intact, hun geheugen blijft intact, en ze kunnen geen enkele beslissing meer nemen. Ze kunnen eindeloos afwegen. Twee restaurants blijven gelijkwaardig tot in de nacht. Wat er ontbreekt is het zetje dat vooraf komt aan de redenering — een lichamelijke voorkeur die de opties ongelijk maakt en waardoor er iets te kiezen valt in plaats van te berekenen.
Een kind dat leert beslissen op grond van wat verstandig is, wat overzicht geeft, wat op de lange termijn het beste uitpakt, traint precies één systeem en laat het andere onbenut. Niet omdat het beschadigd raakt, maar omdat het nooit hoeft. Er wordt nooit gevraagd wat hij lekker vindt, er wordt gevraagd wat handig is. Er wordt nooit gevraagd of hij zin heeft, er wordt gevraagd of hij kan. En wat niet wordt geoefend, wordt niet fijner afgesteld. Zo groeit er iemand op die uitstekend kan bepalen wat goed is en die geen instrument heeft om te weten wat hij wil, omdat de sensor daarvoor nooit een ijkpunt heeft gekregen.
Dat maakt de standaardraad aan zo’n man onbruikbaar. Luister eens naar je gevoel, zeggen de mensen om hem heen, je weet het zelf wel. Hij zal het proberen. Hij zal er iets over zeggen, en het zal opnieuw een gedachte zijn, want hij leest zijn binnenkant af met het enige apparaat dat hij bezit, en dat apparaat denkt. Hij is niet onwillig. Hij is aan het tasten in een ruimte waarvan hij de plattegrond nooit heeft gekregen.
Het tegoed dat niemand kent
Alice Miller schreef over het begaafde kind: niet het slimme kind, maar het kind dat feilloos registreerde wat de ouder nodig had en zich daarnaar vormde. Het kreeg daarvoor geen straf. Het kreeg bewondering, en het betaalde met zijn eigen gevoelsleven, dat te onhandig, te luidruchtig, te lastig was om naast die vaardigheid te laten bestaan.
Iván Böszörményi-Nagy legde daaronder de laag die het pijnlijkst is. Een kind dat structureel meer geeft dan het terugkrijgt, bouwt een tegoed op. Het staat nergens genoteerd, er is niemand die het erkent, en het verdwijnt niet. Het wacht. En het wordt geïnd bij mensen die de schuld nooit hebben gemaakt.
Zo komt een vrouw jaren later in een huwelijk terecht waarin zij iets terugbetaalt waarvan zij het bestaan niet kent. Niet omdat hij haar iets verwijt — hij verwijt haar zelden iets, hij is de laatste die zou klagen. Het gaat ondergronds. Het uit zich in een stille voorsprong, in het gevoel dat hij toch degene is die draagt, en in een verbazing die na twintig jaar bitter begint te worden: dat er zoveel is gegeven en zo weinig is teruggekomen. Ook dat spreekt hij niet uit. Hij weet dat het niet klopt om het uit te spreken, en dat weten is opnieuw een prestatie.
Waarom zij steeds stelliger wordt
Een verhouding waarin de een structureel geeft en de ander ontvangt, gaat niet dood aan ruzie. Ze gaat dood aan de onmogelijkheid van wederkerigheid.
Hellinger noemde de balans van geven en nemen een van de wetten waaraan liefde gehoorzaamt, en de schending ervan wordt meestal begrepen als een tekort bij degene die neemt. Hier ligt het omgekeerd. De schending komt van degene die geeft en niets vraagt, want daarmee ontneemt hij de ander de mogelijkheid iets terug te doen dat ertoe doet. Zij kan hem niet dragen; hij zakt niet door. Zij kan hem niet troosten; hij heeft niets nodig. Zij kan hem niet verrassen; hij heeft het al geregeld. Wat zij te geven heeft vindt geen bestemming, en dan gebeurt er iets wat allebei de partners later verkeerd zullen uitleggen: haar kracht zoekt de enige plek die nog vrij is.
Ze wordt degene die weet hoe het zit. Zij neemt stelling, zij heeft opvattingen over hoe iets gezien moet worden, zij corrigeert. Van binnenuit voelt dat als vitaliteit, en het ís ook vitaliteit — het is haar levendigheid die zich een uitweg zoekt in een systeem waarin geven niet aankomt. Van zijn kant voelt het als beknelling, en hij begint zijn eigen vragen zorgvuldiger te formuleren om haar oordeel voor te zijn. Vanaf dat moment houden ze elkaar in stand. Hoe onaanraakbaarder hij, hoe steviger zij; hoe steviger zij, hoe voorzichtiger hij.
Hier verdampt de gelijkwaardigheid, en niet doordat een van beiden te veel neemt. Ze verdampt doordat een van beiden zich onbereikbaar heeft gemaakt voor wat de ander te bieden heeft.
Hij ontploft niet, hij dooft
Bij de eerste man doofde de begeerte doordat hij oploste in de stemming van zijn vrouw. Bij deze man verloopt het anders en langzamer, en het treft eerst hemzelf.
Wie nooit iets vraagt, oefent nooit verlangen. Verlangen is een spier, geen eigenschap, en een man die veertig jaar heeft geleefd op doorzettingsvermogen en het grotere geheel, komt op enig moment tot de ontdekking dat hij alles kan behalve iets willen. Dan zit hij op een avond aan tafel en somt op wat er goed is aan zijn huwelijk — de gezelligheid, het samen organiseren, dat ze elkaar aanvullen — en er beweegt niets. Geen weerzin. Geen verdriet. Hij schrikt van die vlakheid meer dan van welke ruzie ook, want ruzie kent hij, en dit niet.
Dit is het punt waarop mannen als hij weggaan. En dan gebeurt het laatste, en het meest verraderlijke.
Hij organiseert zijn vertrek. Hij bedenkt waar hij zal wonen, hij regelt begeleiding voor het gesprek, hij weet al hoe hij het zal brengen, hij heeft alvast vastgesteld dat zij waarschijnlijk beter af is met iemand anders. Hij wil duidelijk zijn voordat hij thuiskomt. Alles aan die aanpak is fatsoenlijk, en alles eraan is de oude beweging: er is nooit een moment waarop hij ruw en onhandig zegt dat hij iets nodig heeft. Hij vertrekt zonder ooit iets gevraagd te hebben.
Doorbraak of verhuizing
Kazimierz Dąbrowski beschreef dat groei door desintegratie gaat: het aangepaste zelf, dat gebouwd is op wat een goede zoon en een goede man en een goed leven heet, begeeft het, en dat voelt niet als groei maar als leegte en ontreddering. Wat deze man overkomt is precies dat. De constructie waarop hij vijftig jaar stond, houdt niet langer.
Zo’n man kan door die leegte heen gaan en er als iemand uitkomen die eindelijk zelf iets wil. Hij kan de leegte ook opvullen met nieuwe omstandigheden — ander werk, ander huis, andere vrouw — die hem opnieuw dwingen, en dan is er niets doorbroken maar alleen verhuisd. Dezelfde man, dezelfde daad, twee tegengestelde bewegingen. Van buitenaf niet te onderscheiden. Alleen hij kan het verschil vaststellen, en wel met het instrument dat hij niet bezit.
Een aanwijzing is er wel, en die zit in de vrouw die hij zich voorstelt voor daarna. Als elk kenmerk van haar bepaald wordt door wat zij niet van hem zal vragen — zij zal hem accepteren zoals hij is, zij zal niets van hem eisen, zij zal hem uitnodigen in plaats van dwingen — dan is zij geen mens maar een klimaat. Hij zoekt geen partner. Hij zoekt een plek waar hij eindelijk niets hoeft.
De genade als schuilplaats
Bij zo’n man groeit vaak een spiritualiteit die opvallend zuiver is. Geen wettisch geloof, geen moeten, maar overgave: alles is al gedragen, er valt niets te verdienen, de enige beweging die van ons gevraagd wordt is aanvaarden. Het is doorleefd, het is theologisch verdedigbaar, en het draagt hem werkelijk.
John Welwood liet zien hoe spiritualiteit tegelijk het meest verfijnde ontwijkingsmiddel kan zijn dat een mens tot zijn beschikking heeft. Wie alles al gedragen weet, hoeft niets meer te dragen. Wie ontvangen wordt zoals hij is, hoeft nooit bij één levend mens te riskeren dat het daar níet zo werkt. De genade wordt de enige plaats waar hij niet hoeft te leveren, en juist doordat die plaats bestaat, hoeft hij nergens anders te leren dat hij ook zonder leveren mag blijven.
Beide dingen zijn tegelijk waar. Zijn geloof is echt en zijn geloof is een schuilplaats, en wie een van die twee wegstreept, begrijpt hem niet.
Wat er van hem gevraagd wordt
Voor de eerste man was de weg dat hij het risico nam een probleem te zijn. Deze man kan die opdracht uitvoeren, en dat is precies wat hem verhindert. Hij maakt er een project van. Hij zal netjes zijn grenzen aangeven, zijn behoeftes formuleren, zijn eigen ruimte innemen, en het zal allemaal kloppen en niets veranderen, want het is opnieuw iets wat hij goed doet.
Wat er van hem gevraagd wordt is iets waarvan hij de vorm niet kent. Iets willen waar geen enkele reden voor bestaat. Niet omdat het verstandig is, niet omdat het goed uitpakt, niet omdat God het lijkt te vragen, niet omdat de omstandigheden hem eindelijk dwingen — en dan verdragen dat niemand hem daarin bevestigt. Dat is voor hem geen bevrijding maar een vrije val, want hij heeft zijn hele bestaansrecht ontleend aan de vraag van buiten.
Of hij dat leert voordat hij vertrekt of daarna, of hij het bij zijn vrouw leert of bij niemand, staat niet vast. Wat wel vaststaat is dat hij het niet aan zijn omstandigheden kan overlaten. Die hebben hem al vijftig jaar gehoorzaam gevonden.
Lees ook:
* Hoe een vrouw de moeder van haar partner wordt
* Hoe een man de pleaser van zijn vrouw wordt
* Hoe een man de pleaser van zijn vrouw wordt 02
* De onzichtbare restschuld van de liefde