Hoe een vrouw de moeder van haar partner wordt
Over de ouderrol die zo makkelijk openstaat — en wat hij kost aan verlangen en gelijkwaardigheid
In bijna elke lange relatie staat een rol open die niemand heeft geschapen en die toch klaarligt, en het opvallende is hoe weinig het een vrouw kost om erin te stappen. Er wordt niet over vergaderd. Er valt geen besluit. Op een ochtend herinnert zij zich de tandartsafspraak die hij vergat, de volgende week weet zij als enige nog wanneer zijn moeder jarig is en welke maat de kinderen dragen en dat de auto naar de garage moet, en langzaam draagt zij de hele onzichtbare plattegrond van twee levens in haar hoofd. Ze koos die plattegrond niet. Ze gleed erin. En de vraag die me bezighoudt is niet waarom sommige vrouwen de moeder van hun partner worden — dat is het fenomeen, en het fenomeen is het minst interessant — maar waarom de deur naar die rol juist voor hen zo wijd openstaat, en waarom hij, eenmaal binnen, achter hen in het slot valt.
Want het gemak is verdacht — niet omdat het onecht is, maar omdat het rust op iets wat werkelijk van haar is. En juist een echte gave laat zich het makkelijkst te ver trekken.
Zij ziet het hele veld
Het brede zien is haar natuur, niet iets wat haar is ingeprent. John Gray beschrijft de man als iemand die zich richt op de ene zaak waar hij mee bezig is en zich daarvoor terugtrekt in zijn grot, terwijl de vrouw een wijdere, verbindende aandacht heeft waarin de dingen met elkaar samenhangen. David Deida gaat dieper: het vrouwelijke wezen is open, stromend, voelend, een aandacht die het hele veld tegelijk binnenlaat, waar het mannelijke gericht is en op één punt. Zij voelt wat er nodig is nog voordat iemand het uitspreekt — niet omdat ze het heeft geleerd, maar omdat ze zo waarneemt.
Het blijft ook niet bij een intuïtie van relatiedenkers. Er loopt een niet-mainstream lijn in de neurowetenschap die eronder ligt: Simon Baron-Cohens onderscheid tussen het invoelende en het systematiserende brein, het veelbesproken connectoom-onderzoek uit 2014 dat vond dat vrouwenhersenen meer tússen de hemisferen verbinden en mannenhersenen meer bínnen één hemisfeer, het werk van Louann Brizendine over het vrouwelijke brein. De gangbare wetenschap betwist de omvang van die verschillen en wijst op de grote overlap, en als waarschuwing tegen karikatuur is dat terecht. Maar wat nog niet algemeen is aanvaard, zit vaak dichter bij de wortel, en de ervaring van talloze vrouwen bevestigt wat die lijn beschrijft: dat zij het geheel ziet terwijl hij het detail bewoont.
Dit is een gave, geen last. In Deida’s eigen taal is het juist deze open, voelende ruimte waar een man zich naartoe keert. En hier ligt het scharnier dat alles bepaalt: zien is nog geen doen. Het hele veld waarnemen is haar aard. Het zegt nog niets over wie dat veld moet dragen. De val ligt één stap verder.
Waar zien overgaat in besturen
Die ene stap is de stap van waarnemen naar uitvoeren: van voelen wat er nodig is naar degene worden die het allemaal doet, beslist en regisseert. Die stap schrijft haar natuur niet voor. Daar verhardt de gave tot een rol. Want tussen het zien van wat er moet gebeuren en het zelf op zich nemen ervan ligt een ruimte, en het is precies in die ruimte dat een vrouw de moeder van haar man wordt — niet doordat ze meer voelt dan hij, maar doordat ze het gevoelde ook meteen zelf gaat dragen.
Het lichaam maakt die stap makkelijk en de terugweg moeilijk. Onder druk reageert niet iedereen met vechten of vluchten; de psychologe Shelley Taylor beschreef een derde antwoord dat bij vrouwen vaker naar voren komt en dat zij tend-and-befriend noemde — onder spanning niet weggaan maar dichterbij komen, verzorgen, verbinden. Waar een man zich kan terugtrekken, komt zij juist in beweging. En het zorgen zelf kalmeert: de hechtingschemie die bij verzorgen vrijkomt, waarin oxytocine een rol speelt, maakt van het dragen iets wat niet alleen uitput maar ook geruststelt, zodat ophouden niet voelt als rust maar als onrust.
Zo ontstaat de lus. Ze ziet, dus ze doet; het doen stelt haar gerust; de gerustheid vraagt om meer doen. Maar let op de naad die daarin verborgen zit: het is het dragen dat zichzelf versterkt, niet het zien. Haar aandacht voor het geheel blijft een gave; het is het gewoonte worden van het overnemen dat haar langzaam vastzet. Ze kan het hele veld voelen zonder er de uitvoerend bestuurder van te zijn — maar haar lichaam beloont haar telkens wanneer ze die afstand zelf overbrugt, tot het waarnemen en het overnemen niet meer uit elkaar te halen zijn en het lijkt alsof haar natuur haar de moederrol heeft toebedeeld, terwijl het de gewoonte was.
Het slot zit aan twee kanten
Tot hier lijkt het een verhaal over één mens die te veel op zich neemt. Maar over-verzorgen is nooit een eigenschap van één persoon; het is de ene helft van een patroon dat twee mensen samen in stand houden. Murray Bowen zag het in gezinnen en Harriet Lerner heeft het voor vrouwen uitgeschreven: waar de een overfunctioneert, onderfunctioneert de ander, en ze roepen elkaar op. Hoe meer zij regelt, hoe minder hij hoeft te regelen; hoe minder hij regelt, hoe onmisbaarder haar regelen wordt. Haar competentie produceert zijn onhandigheid, en zijn onhandigheid bevestigt dat zij het maar beter kan doen. Geen van beiden is de oorzaak. Het patroon voedt zichzelf.
Lerner gaf aan wat de vrouw in dit patroon langzaam kwijtraakt een naam: de-selfing, het beetje bij beetje wegdoen van je eigen wensen, meningen en grenzen om de relatie draaiende te houden en de ander niet te belasten. En het wreedste eraan is dat het werkt. Het huishouden loopt, de kinderen komen op tijd, de crises worden bezworen. Juist omdat het functioneert, dwingt niets het patroon om te veranderen. Een relatie die niet functioneert loopt vast en vraagt om ingrijpen; een relatie waarin één iemand alles draagt, loopt uitstekend — tot de drager het niet meer trekt, en dan verschijnt het probleem alsof het uit het niets komt, terwijl het er jaren zat.
De plek die ze al eerder innam
Waarom deze vrouw, en waarom met deze vanzelfsprekendheid? Vaak omdat de deur al in haar kindertijd openging. Een meisje dat vroeg voor iemand moest zorgen — een moeder die het niet meer trok, een afwezige vader, een huis waarin de volwassenen hun plek niet konden innemen — leerde dat liefde betekent: managen. Dat haar plaats boven haar leeftijd lag, dat zorgen omhoog gericht was, naar de mensen die eigenlijk voor háár hadden moeten zorgen. In de gezinstherapie heet dat parentificatie, het kind dat ouder wordt van zijn eigen ouder, en het is bekend dat meisjes vaker in de verzorgende, emotioneel dragende variant ervan terechtkomen. Ze verliet die plek niet toen ze volwassen werd. Ze nam hem mee, de relatie in, omdat het de enige plek is waar ze weet hoe liefhebben voelt.
Bert Hellinger keek naar zulke verschuivingen als naar een verstoring van de ordening. Elke plek in een systeem heeft een rang, en een partner die boven de ander gaat staan — die de rol van ouder inneemt tegenover een volwassen man — brengt die ordening in de war, want je kunt niet tegelijk iemands gelijke en iemands kind zijn. Wat eruitziet als toewijding is dan trouw aan een oude positie: ze herhaalt in haar huwelijk de plaats die ze als meisje al innam, en ze bemoedert haar man omdat ze al bemoederde voordat ze zelf groot was. De rol staat niet alleen open door alles wat de cultuur haar aanreikte. Hij staat open omdat ze hem herkent.
Waarom je niet kunt verlangen naar wie je bestuurt
En dan komt de rekening die met geen enkele goede wil is te vermijden, en die haar het hardst treft, omdat het haar eigen verlangen is dat als eerste dooft. Je kunt niet begeren wie je bestuurt. Zorg en verlangen zijn niet dezelfde beweging; de een zoekt nabijheid en overzicht, de ander leeft van afstand en van een ander die ander genoeg blijft om naar te kunnen kijken. Esther Perel heeft dat vanuit haar spreekkamer beschreven, en David Schnarch maakte er zijn levenswerk van: verlangen heeft een zelf nodig dat tegenover een ander zelf staat, twee mensen die niet in elkaar zijn opgegaan. De vrouw die de manager van het gezamenlijke leven is geworden, kijkt niet meer naar haar partner als naar een ander tegenover wie ze staat, maar als naar nog iemand die onder haar hoede valt. En naar wat onder je hoede valt, verlang je niet.
Er is nog een laag onder die van de nabijheid, en die raakt aan wat David Deida polariteit noemt — bij hem uitdrukkelijk geen wetenschap maar een lezing van de aantrekking die niettemin iets blootlegt. Aantrekking springt over tussen twee polen die van elkaar verschillen. Wanneer zij de hele verantwoordelijkheid draagt, alles beslist en organiseert en vooruitdenkt, verschuift ze naar de leidende, sturende pool, en aan de andere kant blijft niemand over om naar over te springen. Haar eigen ontvankelijkheid, haar vermogen om zich te laten dragen in plaats van te dragen, krijgt geen ruimte zolang zij alles overeind houdt. Het is niet dat haar verlangen verdwenen is. Het heeft geen tegenover meer. Daarbij komt het botste feit van allemaal: uitputting is niet erotisch, en wie de hele dag nodig is, kan ’s avonds moeilijk verdragen ook nog gewild te worden. Gewild worden vraagt om een overgave die zich niet laat oproepen door iemand voor wie je zojuist de dag hebt gered.
Waarom ‘gewoon loslaten’ niet werkt
De voor de hand liggende raad is dat ze minder moet doen. Laat de ballen maar eens vallen, laat hem het zelf uitzoeken, trek je terug en geef hem de ruimte. Maar die raad begrijpt het slot niet. Ze kan niet in haar eentje stoppen, omdat het patroon aan twee kanten vastzit: als zij loslaat, vallen de dingen werkelijk, en zij is degene die is opgevoed — en door de jaren getraind — om de gevallen bal te voelen als haar falen en als een onrust die ze nauwelijks kan uithouden. Loslaten is voor haar geen daad van rust maar van angst, en die angst wint het meestal van het principe.
De spirituele uitwegen die zich aandienen zijn even bedrieglijk. Ontvang meer, geef je over aan je vrouwelijke kant, laat de controle los — het is wat John Welwood spiritual bypassing noemde, spirituele taal gebruiken om een echte, moeizame heronderhandeling over te slaan. Want de werkelijke uitweg is niet dat zij minder gaat zorgen als een oefening in wilskracht. Het is dat het patroon zichtbaar wordt gemaakt en dat de ander de plek inneemt die zij vrijmaakt — dat hij het overneemt, niet als gunst maar als zijn deel. En dat vraagt iets wat niet vanzelf spreekt: dat hij zijn gelijke terug wil hebben liever dan zijn verzorger te houden. Sommige mannen willen dat. Anderen hebben zich te comfortabel gevestigd in het onderfunctioneren om het op te geven. Het is niet gegarandeerd, en doen alsof het alleen aan haar loslaten ligt, legt de last opnieuw volledig bij haar neer.
Wat er werkelijk wordt gevraagd
De ouderrol staat voor vrouwen zo makkelijk open omdat alles samenspant om de deur te openen: de kindertijd waarin zorgen liefde ging betekenen, een lichaam dat het verzorgen beloont, een huishouden dat op haar draait, een cultuur die haar dat aanrekent en aanleert en het vervolgens haar natuur noemt. En de rol is zo moeilijk te verlaten omdat hij werkt, en omdat weggaan van haar vraagt de angst van de gevallen bal te verdragen en van hem vraagt volwassen te worden.
Wat haar uiteindelijk wordt gevraagd, is niet om te stoppen met zorgen. Zorgen is niet het probleem; iedereen draagt de ander soms. Wat haar wordt gevraagd is het onmisbaar-zijn op te geven — en dat is het zwaarste, want onmisbaar zijn heeft haar leven lang gevoeld als de enige betrouwbare manier om niet verlaten te worden. Zolang zij degene is zonder wie het niet loopt, kan hij niet weg. De prijs van die zekerheid is dat ze wordt nodig gehad in plaats van begeerd, en dat verschil is precies waar het verlangen op stukloopt. De vraag die de relatie op een dag aan haar stelt, is of ze het kan verdragen om alleen nog maar gewild te worden. Niet meer onmisbaar. Alleen nog gewenst. Voor wie geleerd heeft dat liefde iets is wat je verdient door te dragen, is dat geen geruststelling maar de moeilijkste vraag die er bestaat.
