Hoe een man de pleaser van zijn vrouw wordt
Over de verzorgende rol die niet uit zijn aard komt maar uit zijn geschiedenis — en wat hij kost aan verlangen en gelijkwaardigheid
Er is een man die je niet meteen als een probleem herkent, omdat hij zo gemakkelijk is. Hij vraagt weinig. Hij geeft mee. Hij voelt de bui van zijn vrouw aankomen nog voor zij haar jas heeft uitgedaan en heeft de scherpe randen van de dag al weggehaald voordat zij thuiskomt. Hij weet wat ze lekker vindt, wat haar irriteert, wat hij beter niet kan zeggen. Hij zorgt, hij pleast, hij plooit zich. En van buitenaf lijkt dat op toewijding — op een man die zijn vrouw op handen draagt.
Maar er is een verschil tussen een vrouw op handen dragen en haar bedienen, en dat verschil is de hele zaak. Op handen dragen komt uit overvloed, uit een man die stevig genoeg in zichzelf staat om te kunnen geven zonder zichzelf te verliezen. Bedienen komt uit angst. Het is niet mild waar het mild lijkt; het is waakzaam. En om te begrijpen waarom een man zichzelf zo kan wegcijferen, moet je niet naar zijn karakter kijken maar naar iets wat hem lang geleden is overkomen. Want dit is geen zachtheid die bij hem hoort. Het is een baan die hij als kind heeft gekregen en nooit heeft neergelegd.
Geen aard maar geschiedenis
Hier ligt meteen het belangrijkste onderscheid, en het is het tegenovergestelde van wat een brede, voelende aandacht bij een vrouw kan zijn. Zulk aanvoelen kán iemands natuur zijn, iets wat gegeven is. Het pleasen van deze man is dat niet. Het komt niet uit zijn wezen maar uit zijn omstandigheden, en dat verschil is belangrijk — het bepaalt waar de wortel ligt en dus wat je ermee kunt.
In de therapie heet wat hem is overkomen parentificatie: het kind dat te vroeg de rol van een ouder op zich moest nemen. Gregory Jurkovic en Salvador Minuchin beschreven hoe een kind het ouderlijk gewicht gaat dragen wanneer de volwassenen hun plek niet innemen, en Iván Böszörményi-Nagy liet zien hoe verwoestend dat wordt wanneer het kind structureel meer geeft dan het ooit terugkrijgt. Bij jongens neemt die rol vaak een beschermende, praktische vorm aan. De jongen zonder vader die te horen krijgt dat hij nu de man in huis is. De jongen die zijn moeder en zijn kleinere broers en zussen moet afschermen tegen een vader die uithaalt, die leert luisteren naar voetstappen op de trap, die leert wanneer hij zich groot moet maken en wanneer klein. Dat is geen temperament. Dat is een wond. En dat het een wond is en geen aard, blijkt uit twee dingen: ze valt toe aan wie het gevaar toevallig trof, jongen of meisje, en ze kan — anders dan een natuur — worden geheeld.
De jongen die de vrede bewaakte
Wat er in zo’n jongen wordt aangelegd, is een reflex die de psychotherapeut Pete Walker heeft benoemd als de vierde overlevingsreactie, naast vechten, vluchten en verstijven: fawn, het sussen. Waar een kind niet kan winnen van de dreiging en er ook niet van weg kan, blijft er één weg over — de dreiging tevredenstellen. Klein worden, aardig zijn, geven wat gevraagd wordt voordat het gevraagd wordt, jezelf onzichtbaar maken door precies te zijn wat de ander nodig heeft. Judith Herman had in haar werk over langdurig trauma al beschreven hoe wie gevangen zit bij een gevaarlijke ander een fijne antenne ontwikkelt voor diens stemming, niet uit genegenheid maar uit lijfsbehoud.
En dit is waar het misleidend wordt, want die antenne lijkt van buiten op gevoeligheid. De pleasende man wordt vaak geprezen om hoe goed hij vrouwen aanvoelt, hoe attent hij is, hoe hij weet wat een ander nodig heeft. Maar zijn aanvoelen heeft een andere oorsprong dan het brede kijken van iemand die van nature het hele veld binnenlaat, zoals bij een vrouw. Het is hypervigilantie, waakzaamheid geboren uit gevaar. Hij leest de kamer niet om zich te verbinden maar om een uitbarsting voor te zijn. Zijn afstemming staat niet in dienst van de liefde maar van de veiligheid. Voor hem zijn die twee als kind hetzelfde geworden: liefhebben werd bewaken, en zorgen werd de vrede niet laten kantelen.
Van beschermer tot pleaser
Er zit iets zuivers onder, en juist dat maakt het zo taai. De drang om te beschermen is echt, en er is een lezing — die van David Deida bijvoorbeeld — waarin het beschermen en verschaffen tot de kern van het mannelijke behoort. Maar een jongen van acht kan een gewelddadige vader niet beschermend tegemoet treden. Hij kan hem niet tegenhouden, niet aan, niet wegsturen. De enige bescherming die hem rest is het beheersen van de stemming: de vader kalm houden, de moeder niet laten provoceren, de boel sussen voordat hij ontploft. Zijn beschermingsdrang, die op zich gezond is, kan in die omstandigheid maar één vorm aannemen, en dat is de vorm van het plooien. Beschermen wordt behagen.
En dat sjabloon zet zich vast, omdat het werkte. Het huis bleef heel, of heler dan het zonder hem was geweest. De prijs was dat hij leerde dat hij er zelf niet toe deed — dat zijn eigen behoeften, zijn woede, zijn honger, zijn wil, gevaarlijke luxe waren die de vrede in gevaar brachten en dus moesten worden weggestopt. Hij hield anderen overeind door zichzelf weg te laten. Dat is geen keuze die hij ooit heeft gemaakt. Het is de enige manier van liefhebben die hem is voorgedaan.
Hij maakt van haar de gevaarlijke ouder
Dan wordt hij volwassen, en hij kiest een vrouw, en zonder dat hij het merkt zet hij haar op de plek van de figuur die hij vroeger moest bewaken. Ook als zij die plek niet vraagt. Ook als zij helemaal niet gevaarlijk is. Hij anticipeert op haar ongenoegen alsof het een dreiging is die hij moet bezweren, geeft toe voordat er iets van hem wordt gevraagd, verbergt wat hij zelf wil om haar bui niet op te roepen. Robert Glover heeft dit type de nice guy genoemd, en hij wees op de verborgen contracten die zo’n man sluit zonder ze uit te spreken: ik doe dit alles voor jou, en in ruil daarvoor zul jij mij niet verlaten, niet boos worden, van mij houden. Het is nooit hardop afgesproken, en juist daarom kan het nooit worden nagekomen.
Dezelfde beweging is vanuit meerdere hoeken te zien, en het is goed ze niet door elkaar te halen, want ze komen uit verschillende tradities. In de taal van de hechting heet hij angstig gehecht: iemand die zichzelf tot zwijgen brengt en onophoudelijk bevestiging zoekt om verlating te voorkomen. In de systeemtaal van Murray Bowen en Harriet Lerner overfunctioneert hij emotioneel — hij beheert haar stemmingen, loopt op eieren, draagt het klimaat van de relatie in zijn eentje — terwijl zij in de onderfunctionerende plek wordt geduwd, die van degene om wie heen wordt gemanoeuvreerd. En hij ontdoet zich stukje bij beetje van zichzelf, van zijn mening, zijn voorkeur, zijn tegenspraak, tot er een man overblijft die op elke vraag naar wat hij wil eerlijk moet antwoorden dat hij het niet weet.
Waarom zij hem niet meer begeert
En dan komt bij hem dezelfde rekening als bij de bemoederende vrouw, van de andere kant. Je kunt niet verlangen naar iemand die volledig om jouw goedkeuring heen is gebouwd. Er staat niemand tegenover haar; er staat een verzorger die op haar bui let. Deida heeft scherp beschreven wat er gebeurt met de man die zich verliest in het behagen van zijn vrouw, die zijn eigen richting en doel heeft weggegeven om haar maar niet tegen te komen: hij wordt niet meer begeerd, en soms gaat zij hem onbewust uitdagen, harder duwen, provoceren — niet uit wreedheid, maar om te voelen of er nog een man is die terugduwt, of er achter al dat meegeven nog iemand staat.
Het is dezelfde wet als altijd: verlangen heeft een ander nodig die ander genoeg blijft om naar te kunnen kijken, een zelf dat tegenover een zelf staat. Esther Perel en David Schnarch hebben er allebei op gewezen dat begeerte een afstand nodig heeft die de pleasende man juist opheft — hij is in haar stemming opgelost, er is geen tweede oever meer. En zo ontstaat de wreedste lus van allemaal: hoe meer hij pleast om haar vast te houden, hoe minder zij hem begeert; en hoe minder zij hem begeert, hoe meer hij in paniek raakt en pleast. Ook zijn eigen verlangen dooft daarbij, want vanuit een gebukte houding valt niet te willen. Wie de hele dag bezig is niet af te gaan, heeft ’s nachts geen begeerte over.
Waarom hij niet zomaar kan stoppen
De voor de hand liggende raad aan zo’n man is dat hij een ruggengraat moet krijgen. Sta op, zeg wat je vindt, laat je niet zo kennen. Maar die raad begrijpt niet waar hij vandaan komt. Ophouden met sussen betekent voor hem recht op de dreiging aflopen die zijn hele zenuwstelsel is ingericht om te vermijden — de boosheid van de ander, het onttrekken van liefde, de uitbarsting waar hij als kind alles voor overhad om die te voorkomen. Zijn plooien is geen slapte maar een alarm dat al veertig jaar afgaat, en je zet een alarm niet uit door het te bevelen.
De uitweg die de cultuur aanbiedt is bovendien vaak een valse. Word eens wat harder, neem de leiding, wees weer een echte kerel — maar dominantie spelen is slechts een masker over dezelfde angst, geen zelf dat eronder is gegroeid. De werkelijke weg is trager en onspectaculair. Het is leren dat zijn vrouw zijn vader niet is; dat haar ongenoegen te overleven valt; dat hij een eigen wil mag hebben en die kan uitspreken zonder dat het huis instort. Dat vraagt van hem dat hij, voor het eerst, het risico neemt een probleem te zijn. En het vraagt van haar dat zij zijn eerste, houterige pogingen om een zelf te tonen niet afstraft — dat zij verdraagt dat de man die alles voor haar deed nu ineens ook eens iets voor zichzelf wil. Of dat lukt, staat niet vast. Het hangt van twee mensen af, niet van één.
Wat er van hem wordt gevraagd
Wat hij moet opgeven, is niet het zorgen. Zorgen is niet het probleem; een man die zijn vrouw draagt wanneer zij het zwaar heeft, doet iets goeds. Wat hij moet opgeven is de veiligheid van het onbedreigend zijn — het nooit een last, nooit een sta-in-de-weg, nooit een reden tot boosheid willen zijn. Zijn hele leven heeft geleerd dat liefde iets is wat je verdient door geen probleem te veroorzaken, door de ander nooit te provoceren, door jezelf zo klein en zo bruikbaar te maken dat niemand een reden heeft je weg te sturen. En precies dat kleinmaken is wat het verlangen doet verdampen, want naar iemand die zich onzichtbaar heeft gemaakt om te blijven, valt niet te verlangen; die wordt geduld, niet gewild.
De moeilijkste stap voor deze man is dus de omgekeerde van wat hij als kind heeft geleerd. Niet nog behulpzamer worden, niet nog fijner aanvoelen, niet nog beter bedienen — maar een zelf innemen dat geweigerd kan worden. Een man die nee kan zeggen, die iets nodig heeft, die af en toe in de weg staat, is een man met wie je ruzie kunt krijgen — en het is precies dat, iemand tegenover je die terug bestaat, waar begeerte weer een oever aan heeft. Voor wie heeft geleerd dat hij pas veilig is als hij geen probleem is, is dat geen bevrijdend vooruitzicht maar een beangstigend. En toch ligt daar, en nergens anders, de deur uit de kinderkamer waarin hij nog altijd de vrede staat te bewaken.
Lees ook:
* Hoe een vrouw de moeder van haar partner wordt
* Hoe een man de pleaser van zijn vrouw wordt
* De onzichtbare restschuld van de liefde
