Het willen dat nooit eigendom werd
Er zijn twee dingen die in bed op elkaar lijken en niets met elkaar te maken hebben. Iemand kan willen, en iemand kan instemmen. Van buitenaf is het verschil vrijwel onzichtbaar: er wordt in beide gevallen meegedaan, gereageerd, aangeraakt. Van binnenuit scheelt het alles, want in het ene geval is er iemand aanwezig die iets van de ander wil hebben, en in het andere geval is er iemand die geen bezwaar maakt.
Willen is een handeling. Het Latijnse aggredi, waar ons woord agressie vandaan komt, betekent letterlijk toegaan — ergens op af stappen. Verlangen heeft dat randje nodig: het reikt, het neemt iets, het loopt het risico afgewezen te worden. Zonder die beweging blijft er welwillendheid over, en welwillendheid wordt door geen enkel lichaam als begeerte herkend, ook niet door het lichaam dat haar uitzendt.
Bij een grote groep mensen — vaak de meest bekwame, meest meelevende, meest inschikkelijke — is dat randje er vroeg uitgehaald. Zelden met geweld. Meestal met iets veel effectievers.
Een wil wordt niet gegeven, hij wordt overleefd
Een kind van twee ontdekt zijn eigen wil door nee te zeggen tegen iemand die dat overleeft en blijft. Wat er in die fase getest wordt, is niet of hij zijn zin krijgt. Het is of hij mag bestaan als iemand die iets anders wil dan de mensen van wie hij volledig afhankelijk is. Blijft de ouder overeind — niet toegevend, ook niet vernietigend — dan wordt de wil eigendom. Bezwijkt hij zichtbaar, wordt hij kleiner, verdrietig, gekwetst, dan leert het kind iets wat het nooit meer vergeet: mijn willen beschadigt.
Dat is de eerste route, en ze is bekend. De tweede route is minder zichtbaar en komt in welvarende, liefdevolle gezinnen minstens zo vaak voor. Daar wordt gegeven vóórdat er gevraagd is. De ouder ziet het aankomen, vult aan, ruimt op, regelt. Zo’n kind wordt nergens gefrustreerd, en juist daardoor komt er iets niet op gang, want verlangen ontstaat in het interval — in de ruimte tussen de impuls en de vervulling. Wie dat interval nooit heeft doorstaan, ontwikkelt geen wensen, alleen behoeften die vanzelf worden opgelost.
Neurobiologisch zijn dat twee verschillende systemen, en ze worden constant door elkaar gehaald. Het zoeken — het naar iets toe bewegen, de opwinding vóóraf — draait op een ander circuit dan het genieten van wat er is. Zoeken heeft onzekerheid nodig; het wordt aangedreven door het verschil tussen wat verwacht wordt en wat er komt. In een omgeving waar alles voorspelbaar wordt geleverd, vlakt het uit, ook als er niets ontbreekt. Dat is de reden dat mensen kunnen samenwonen in volledige harmonie en volledige overvloed, met een lichaam dat nergens meer naartoe wil.
Waar een wil heen gaat die niet naar buiten mocht
Een wil verdwijnt niet. Hij verlegt zich.
De eerste richting is naar binnen. De beweging die niet naar de ander mocht, keert zich tegen de eigen persoon: strengheid, zelfkritiek, een innerlijke stem die presteert wat er buiten niet mocht worden geëist. De tweede richting is naar het kleine. Waar iemand niet mag willen, gaat hij regelen. De agenda, het huishouden, het eten, het lichaam, de kinderen — alles wat beheersbaar is, wordt beheerst met een precisie die van buiten wordt gelezen als zorgvuldigheid en van binnen de enige plek is waar er nog iets van hem uitgaat. Zulke mensen worden geprezen om hun organisatievermogen. Wat er in werkelijkheid wordt bewonderd, is een wil op een omleiding.
Bij mannen loopt de omleiding meestal via prestatie. Een jongen wiens willen ongemakkelijk was — te veel, te luid, te dwingend — leert dat er één vorm is die wél wordt beloond: presteren en dan mogen. Hij wil niet rechtstreeks; hij verdient. Dat werkt jarenlang en het loopt vast in een slaapkamer, want daar valt niets te verdienen en helpt geen enkele prestatie. Wat er dan als eisen naar buiten komt, is zelden een teveel aan wil. Het is een wil die nooit een geoorloofd adres heeft gehad en daarom als aanspraak verschijnt in plaats van als uitnodiging.
Gewild worden is geen willen
Er bestaat een vorm van begeerte die zo veilig is dat ze nauwelijks als vermijding wordt herkend: het verlangen om gewild te worden. Er hoeft niets opgeëist te worden, er kan niets worden afgewezen, en de opwinding komt volledig van de andere kant. Voor iemand die nooit heeft mogen reiken is dit de enige haalbare positie.
Ze houdt alleen niet. Gewild worden valt niet vast te stellen. Wie een ander nodig heeft om te bewijzen dat hij begeerd is, moet dat bewijs herhalen, en elke herhaling slijt sneller dan de vorige — want een bewijs dat op verzoek wordt geleverd, bewijst niets. Zo ontstaat de onrust die in relaties zo verwarrend is: iemand die alles krijgt wat hij vroeg en toch niet gerustgesteld raakt. Er is geen hoeveelheid begeerte van de ander die het ontbreken van eigen begeerte kan opvullen.
En het is stiller machtig dan het lijkt. Wie zich laat willen, houdt de regie zonder zich bloot te geven. De ander doet het werk, de ander loopt het risico, de ander kan afgewezen worden. Er wordt niets geriskeerd, dus er wordt niets geraakt.
Overgave veronderstelt bezit
Hier ligt de reden dat overgave niet lukt met goede wil, hoe graag iemand ook zou willen. Ik kan alleen weggeven wat van mij is. Wie zichzelf nooit heeft opgeëist, heeft niets in handen om over te geven, en wat er in de plaats van komt is beschikbaarstelling. Uiterlijk zijn ze verwarrend identiek. Van binnen zijn ze elkaars tegendeel, want overgave is een daad en beschikbaarheid is de afwezigheid van een daad.
Grenzen werken hetzelfde. Een nee die voortkomt uit het ontbreken van een ja is geen grens maar een terugtrekking, en een terugtrekking valt niet te bespreken. Dat verklaart waarom gesprekken over seks in zulke relaties nergens landen: er is één iemand die iets wil en één iemand die er niet is. Elke vraag komt aan als druk, hoe zacht ze ook wordt gesteld, omdat er niemand is die haar kan wegen. De ander wordt daarmee onherroepelijk de drukker, ook wanneer hij niets doet wat druk verdient.

Wiens verlangen ligt hier eigenlijk
Waar een eigen wil zich niet heeft gevormd, is de ruimte niet leeg gebleven. Er is iets anders binnengekomen.
Bijna iedereen draagt in zijn seksualiteit iets mee dat niet van hem is. De minachting van een vader voor vrouwen. De angst van een moeder voor het lichaam, of haar walging, of haar zwijgen. Een kerkelijk oordeel dat drie generaties terug is uitgesproken en nooit is ingetrokken. Iemand die is misbruikt en van wie de loyaliteit maakt dat een dochter niet mag genieten waar zij niet mocht genieten. Loyaliteit kijkt niet naar inhoud; ze neemt over wat er te dragen was, en ze doet dat het trouwst bij degenen die het meest van hun ouders hielden.
Ook een ja kan overgenomen zijn. Een lichaam dat zich schikt omdat de vrouwen vóór haar zich schikten, doet dat met een vanzelfsprekendheid die van binnen niet als keuze voelt en van buiten volledig doorgaat voor bereidwilligheid. Wat er in dat bed ligt, is dan een geschiedenis, en de partner heeft er niets over te zeggen — hij ligt ernaast en denkt dat het over hem gaat.
Waar het opnieuw begint
Het herstel van een eigen wil begint niet in de slaapkamer, en het eerste dat zo iemand ontdekt is bijna nooit seksueel. Het is dat ze dit niet wil eten. Dat ze niet meegaat dit weekend. Dat ze zich realiseert nooit voor dit huis te hebben gekozen. Kleine, onaanzienlijke voorkeuren, met dit gemeen: ze zijn van haar, en er is niemand die ze heeft goedgekeurd.
Dat is ongemakkelijk werk, en het is riskant voor de relatie. Wie voor het eerst begint te willen, wil in het begin vooral níét — een wil komt nu eenmaal eerder als weigering ter wereld dan als verlangen, bij een tweejarige en bij een vrouw van vijftig. Een huis waarin dat gebeurt wordt onrustiger voordat het warmer wordt, en niet elk huis houdt dat uit. Soms blijkt dat de man die om meer verlangen vroeg, niet zat te wachten op iemand met een wil; hij vroeg om beschikbaarheid en gebruikte daar het woord verlangen voor.
Maar er is geen andere volgorde. Zolang er geen ja bestaat dat had kunnen ontbreken, is elk ja betekenisloos — voor degene die het geeft, en voor degene die het krijgt.
Lees ook:
* voordat-het-verschil-een-rangorde-wordt
* wanneer-kennen-het-kijken-vervangt
* het-willen-dat-nooit-eigendom-werd
* waar-hij-tot-rust-komt-begint-voor-haar-het-werk
* het-laatste-woord-dat-nog-aankomt
* de-behoefte-die-zichzelf-bewaakt
