Van de weg leven
Hij zit al jaren naast zijn eigen leven. Zo zegt hij het niet, maar zo klinkt het. Zijn vrouw heeft een baan gevonden die ze mooi vindt, zijn kinderen zijn de deur uit, zijn broer runt de zaak waar hij ooit ook in zat. En hij zit. Hij zit op de bank, hij zit in de tuin, hij zit bij mij, en hij vertelt wat er allemaal voorbijgaat. Hij vertelt het goed, met oog voor detail; hij ziet alles wat er langs komt. Hij is er alleen niet bij.
Ik vraag wat hij wil. En hij zegt: rust.
Hoe kan dat nu? Is dat wat hij echt wil?
Dat is niet wat hij wil. Dat is wat hij gewend is te krijgen.
De blinde in Jericho, Lukas 18:
35 Het gebeurde nu toen Hij dicht bij Jericho kwam, dat een zekere blinde aan de weg zat te bedelen.
36 En toen hij de menigte voorbij hoorde gaan, vroeg hij wat er aan de hand was.
37 En zij vertelden hem dat Jezus de Nazarener voorbijging.
38 En hij riep en zei: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!
39 En zij die vooraan liepen, bestraften hem, opdat hij zou zwijgen. Hij echter riep des te meer: Zoon van David, ontferm U over mij!
40 Jezus nu bleef staan en beval dat men hem naar Hem toe zou brengen en toen hij dichtbij gekomen was, vroeg Hij hem:
41 Wat wilt u dat Ik voor u doen zal? En hij zei: Heere, dat ik ziende mag worden.
42 En Jezus zei tegen hem: Word ziende. Uw geloof heeft u behouden.
43 En onmiddellijk werd hij ziende, en hij volgde Hem, terwijl hij God verheerlijkte. En al het volk gaf God de eer, toen het dat zag.
Naast de weg
Toen hij Jericho naderde, zat een blinde langs de weg te bedelen.
Langs de weg, naast de weg, aan de weg. Het is een voorzetsel van positie, en het is precies naast. Niet op. Hij zit op de plek waar de weg ophoudt weg te zijn en berm wordt, en daar heeft hij een leven. Epaitōn. Bedelend. Hij leeft van de weg: van wat er langs komt, van wie er voorbijgaat, van de munten die uit de bewegende stroom vallen. De weg is zijn inkomen en zijn buurman. Hij hoort hem elke dag, hij kent hem beter dan wie erop loopt, en hij is er nooit op geweest.
Dat is een levenspositie, en Lucas beschrijft haar in vier woorden: hij zat langs de weg. Zitten, naast, van wat voorbijkomt. Ik ken die positie, en ze is niet altijd zichtbaar als armoede. Ze is de positie van wie het leven van anderen goed kan beschrijven, en er niet in staat. Van wie de zaak van de broer tot in detail kent en haar nooit heeft geleid. Van wie de partner ziet bloeien en erlangs kijkt. Naast de weg is een plek waar je kunt wonen. Je hoort alles. Je ziet niets. En er valt genoeg om van te leven.
Marcus geeft de man een naam, Bartimeüs, en een mantel die hij afwerpt. Lucas laat het weg. Bij Lucas heeft hij alleen een positie en een stem, en dat is wat het verhaal nodig heeft.
En dat woord is bij Lukas niet willekeurig gekozen. Hij is de enige schrijver in het Nieuwe Testament die de beweging zelf de Weg noemt. In Handelingen staat het zes keer als eigennaam: mensen van de Weg, de Weg die gesmaad wordt, wie van de Weg zijn worden tot de dood vervolgd. Voordat er een woord was voor christenen, was er een weg met een hoofdletter, en dat is Lukas’ woord.
Wie bij hem naast de weg zit, zit dus naast meer dan een strook zand. Hij zit naast wat later de naam van het geheel zal zijn. Hij hoort het langskomen, hij leeft ervan, en hij staat er niet in.
Wat is dit?
Toen hij een menigte hoorde voorbijtrekken, vroeg hij wat dit was.
Hij hoorde. Het eerste wat een mens naast de weg heeft, is zijn oor. De menigte trekt voorbij, diaporeuomenou, gaat door, poreia, de stroom van mensen die ergens heen gaat. En hij vraagt: ti eiē touto. Wat dit was. Wat is dit.
Het is de vraag van het manna. Man hu, wat is het. De vraag die het volk stelde bij het brood dat op de grond lag en dat ze niet kenden. Het is de vraag van wie merkt dat er iets voorbijgaat wat hij niet kan plaatsen. Wie naast de weg zit, hoort elke dag de weg; deze keer hoort hij iets anders en vraagt hij wat het is. Dat is het begin. Niet zien, dat kan hij niet. Horen dat er iets anders langs komt dan wat er altijd langs komt, en het vragen.
Ze vertelden hem dat Jezus de Nazoreeër voorbijging. Parerchetai. Gaat voorbij. Ik hoor het werkwoord uit het stuk over de priester en de leviet, antiparēlthen, aan de overkant voorbijgaan. Nu is het Jezus die voorbijgaat. En de man naast de weg is degene aan wie voorbijgegaan wordt, zoals Lazarus in de poort. Het verschil met Lazarus is wat hij dan doet.
De stem
En hij riep: Jezus, zoon van David, ontferm u over mij.
Hij schreeuwde. Niet riep, niet zei; boaō is het werkwoord van het brullen, van de noodkreet, van de stem die de hele omgeving hoort. Wie naast de weg zit en de weg wil laten stoppen, heeft niets anders dan zijn stem. Hij kan niet opstaan en de weg op lopen; hij ziet hem niet. Hij kan alleen zoveel geluid maken dat de weg hem hoort.
En kijk wat hij roept. Zoon van David. Hij is de eerste in het hele evangelie van Lucas die Jezus zo noemt. De blinde ziet de koninklijke lijn die de zienden niet zien. Jesaja had het gezegd, in het hoofdstuk dat elke Jood kende: dan zullen de ogen van de blinden geopend worden, en een paar verzen verder, in datzelfde hoofdstuk: en daar zal een gebaande weg zijn, een weg, en zij zal de heilige weg genoemd worden. Derech ha-kodesh. Jesaja 35 zet de geopende ogen en de weg in één adem. Wie ziet, krijgt een weg. De man aan de berm roept het hoofdstuk dat over hemzelf gaat.
De mensen vooraan
En die vooropgingen, bestraften hem dat hij zwijgen zou.
De mensen vooraan. Niet de vijanden, niet de Farizeeën; de mensen die met Jezus meelopen, die de stoet leiden, die de weg gaande houden. Zij zeggen: stil. De weg moet door. Een schreeuw uit de berm is een storing.
Dat is de laag die ik het langst heb gemist en die het verhaal tot een verhaal over een systeem maakt. Wie naast de weg zit en begint te roepen, wordt niet door de tegenstanders tot zwijgen gebracht maar door de mensen die de beweging beheren. De familie die zegt: begin daar nu niet over. De collega’s die zeggen: dat is nu niet het moment. Het bedrijf dat zegt: we zijn net op gang. Wie vooraan loopt, heeft belang bij een weg zonder onderbreking, en de stem uit de berm is een onderbreking.
Maar hij riep des te meer. Veel meer. Harder. Dat is de tweede beweging, en ze is de moeilijkste van het hele verhaal: als ze je tot zwijgen brengen, harder. Niet uit koppigheid. Omdat de stem het enige is wat je hebt, en wie haar inslikt, blijft zitten waar hij zit, met nog een reden erbij.
De weg stopt
Jezus bleef staan en beval dat hij tot hem gebracht zou worden.
Hij ging staan. Stond stil. De hele stoet, de mensen vooraan, de beweging naar Jeruzalem die sinds hoofdstuk 9 gaande is: stil, voor een schreeuw uit de berm. Dat is wat de stem doet als ze hard genoeg is. De weg houdt op weg te zijn en wordt een plek.
En dan: beval dat hij gebracht zou worden. Achthēnai. Geleid, gebracht. De man kan de weg niet op lopen. Hij ziet hem niet. Iemand moet hem bij de hand nemen en van de berm naar het midden brengen. De overgang van naast de weg naar op de weg is geen stap die je zelf zet; ze wordt gemaakt door wie je brengt. Dat is een detail dat mij troost, want de mensen die naast hun leven zitten, kunnen er niet zelf op stappen. Ze hebben iemand nodig die hen leidt tot ze voor iets staan. Dat is geen zwakte. Het is de aard van de berm.
Wat wil je dat ik voor je doe?
Toen hij dichtbij gekomen was, vroeg hij hem: wat wil je dat ik voor je doe?
Ik lees die vraag nu, na de man op de bank, als de gevaarlijkste vraag van het hele evangelie. Een blinde bedelaar staat voor hem. Iedereen weet wat hij wil. Munten. Dat is wat hij elke dag wil, dat is wat hij elke dag vraagt, dat is waar hij van leeft. En Jezus vraagt het toch. Hij vult het niet in. Hij laat de man zeggen wat hij wil, en daarmee dwingt hij hem te kiezen tussen wat hij gewend is te krijgen en wat hij werkelijk wil.
Want als de man zegt: dat ik weer zie, verliest hij zijn berm. Zijn inkomen, zijn plek, zijn hele manier van bestaan. Een ziende bedelt niet bij Jericho. Wie om zicht vraagt, vraagt om het einde van het leven dat hij heeft. Dat is de prijs van de vraag, en de vraag wordt gesteld opdat hij die prijs zelf noemt.
Heer, dat ik weer zie. Dat ik opkijk. Het werkwoord betekent beide: opnieuw zien en omhoog kijken. Hij vraagt om het einde van de berm.
Dat is wat de man op de bank niet kan. Ik vraag hem wat hij wil en hij zegt rust, want rust is de munt die hem elke dag toegeworpen wordt: laat hem maar, hij heeft het zwaar gehad, hij mag zitten. Als hij zou zeggen wat hij wil, zou hij moeten zeggen: dat ik weer meedoe. En dan is de bank voorbij. Dan moet hij de zaak in, het gesprek met zijn broer aan, de plek naast zijn vrouw innemen in plaats van erlangs kijken. Wie om zicht vraagt, vraagt om het verlies van de berm. De meeste mensen die naast de weg zitten, vragen daarom om munten.
Je geloof heeft je behouden
Zie weer. Je geloof heeft je behouden.
Voor de vierde keer in dit evangelie deze zin, en voor de vierde keer tegen iemand van de rand: de vrouw die zijn voeten zalfde, de vrouw met de bloedvloeiing, de Samaritaan, en nu een blinde bedelaar. Lucas geeft de zin nooit aan wie op de weg loopt. Hij geeft haar aan wie ernaast zat en heeft geroepen.
En terstond zag hij weer, en hij volgde hem, God verheerlijkend.
Hij volgde. Van para tēn hodon naar achter hem aan. Van naast naar op. Het is de enige beweging in dit verhaal die de man zelf maakt; alles ervoor was horen, vragen, roepen, gebracht worden. Nu loopt hij. Marcus schrijft erbij: op de weg, en tē hodō. Lucas hoeft dat niet te zeggen; zijn hele evangelie is de weg, en de man die volgt is erop.
En dan het laatste: en al het volk, dat het zag, gaf God lof. Het volk. De mensen vooraan, die hem tot zwijgen brachten. Zij geven nu lof. De stoet die geen onderbreking wilde, is door de onderbreking groter geworden. Dat is wat een stem uit de berm doet als ze niet zwijgt: ze brengt niet alleen zichzelf op de weg, ze verandert wie er al op liep.
Waarom mensen naast de weg blijven zitten
Omdat de berm een plek is. Dat is het eerste, en het is niet klein. Wie langs de weg zit, heeft een positie: hij hoort erbij als degene die ernaast zit. Het gezin kent hem als de stille, de zaak kent hem als de broer die het niet doet, de vriendenkring als degene die altijd luistert. Die positie is bekend en zij levert op. Munten. Rust. Medelijden. Het recht om niet mee te hoeven doen.
Omdat de weg niet te zien is. Wie blind is, kan niet zien waar de weg loopt, dus kan hij er niet op stappen. Dat is geen beeldspraak; de mensen naast hun leven zien hun leven werkelijk niet. Ze zien wat voorbijgaat. Ze zien niet dat er een weg is waar zij op zouden kunnen lopen. Het is voor hen de stroom van de anderen.
Omdat roepen alles kost. Wie roept, wordt gehoord, en wie gehoord wordt, krijgt de vraag: wat wil je. En wie die vraag eerlijk beantwoordt, verliest de berm. De meeste mensen weten dat, ergens, en roepen daarom zacht genoeg om niet gehoord te worden. Of ze zeggen: rust.
En omdat de mensen vooraan het niet willen. Elk systeem heeft belang bij zijn berm. De stille broer, de zittende vader, de vrouw die alleen luistert: ze houden de weg overzichtelijk. Als ze gaan roepen, moet de stoet stoppen, en de stoet wil niet stoppen. Dus: stil.
In de praktijk
Ik vraag de man op de bank niet meer wat hij wil. Ik heb het gevraagd en hij heeft rust gezegd. Ik vraag iets anders. Ik vraag: wat hoor je voorbijgaan?
Dan wordt hij precies. Hij hoort zijn vrouw die ’s ochtends fluitend vertrekt. Hij hoort zijn broer die over de zaak belt. Hij hoort zijn zoon die vraagt of hij meegaat, en hij hoort zichzelf nee zeggen. Hij is een blinde met een uitstekend gehoor; hij kent de weg beter dan wie erop loopt.
En dan vraag ik: wat is dit? Niet: wat wil je. Wat is het, dat daar voorbijgaat? En hij zegt, na een tijd: dat is mijn leven. Dat is het manna-antwoord. Hij heeft gezien wat er lag.
Daarna komt de stem, en die moet hij zelf vinden, en ze moet harder dan de mensen vooraan. In zijn geval was dat één zin tegen zijn broer: ik wil terug in de zaak. De broer zei: dat is nu niet het moment. De mensen vooraan. Hij zei het nog een keer, harder. En de zaak stond stil, één middag, en hij werd binnengebracht.
Wat hij toen wilde, moest hij zeggen. Niet rust. Een plek. Hij verloor de bank. Hij verloor het medelijden. Hij verloor de positie van degene die alles ziet en nergens bij is. Dat was de prijs, en hij heeft hem genoemd voordat hij hem betaalde, en dat is precies de volgorde van het verhaal.
Waarom dit een manier van verdwalen is
De blinde bij Jericho is nergens heen gegaan. Hij is niet omgekeken, niet overgestoken, niet te ver gegaan. Hij zit. Hij zit op de plek waar de weg het dichtst bij is en het minst bereikbaar. En hij kan er jaren zitten, want de berm geeft te eten.
De weg kwijt zijn betekent hier: ernaast wonen. Hem elke dag horen en er nooit op zijn. Het is de meest bewoonbare manier van verdwalen, en daarom de langste. Wat haar beëindigt, is geen inzicht. Het is een stem die harder wordt als ze wordt gesmoord, en een hand die je van de berm naar het midden brengt, en een vraag die je met verlies beantwoordt.
Dat ik opkijk. Het is het woord dat een Jood elke ochtend zegt in de eerste zegen bij het opstaan: gezegend die de ogen van de blinden opent. Elke ochtend, bij het openen van de ogen, wordt dit verhaal gezegd. Wie het zegt, is even niet naast de weg.
Centrale figuren in dit artikel:
de blinde langs de weg,
de mensen vooraan,
de man op de bank en zijn broer
Bijbelgedeelten:
Lukas 18:35-43 (langs de weg, bedelend; hij hoorde een menigte voorbijtrekken; wat is dit; Jezus gaat voorbij; hij schreeuwde, zoon van David; die vooropgingen bestraften hem; hij riep des te meer; Jezus bleef staan; dat hij gebracht zou worden; wat wil je dat ik voor je doe; dat ik weer zie; je geloof heeft je behouden; hij volgde hem; al het volk gaf lof);
Markus 10:46-52 (Bartimeüs, de mantel, op de weg);
Lukas 7:50, 8:48, 17:19 (je geloof heeft je behouden);
Jesaja 35:5-8 (de ogen van de blinden geopend; een gebaande weg, de heilige weg);
Exodus 16:15 (wat is het);
Psalm 146:8 (de Heer opent de ogen van de blinden; de ochtendzegen)
De blinden voor Jericho – serie:
1) Lucas 18: 35-43 Van de weg leven
2) Marcus 10: 46-52 Twee keer dezelfde man
3) Mattheüs 20: 29-34 Twee en twee
4) De blinden van Jericho
5) Die vooropgaan

