Twee keer dezelfde man
De blinde in Jericho, Markus 10:
46 En zij kwamen in Jericho. En toen Hij en Zijn discipelen en een grote menigte Jericho uitgingen, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, de blinde, aan de weg te bedelen.
47 En toen hij hoorde dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!
48 En velen bestraften hem opdat hij zwijgen zou; maar hij riep des te meer: Zoon van David, ontferm U over mij!,
49 En Jezus stond stil en zei dat men hem roepen moest. Toen riepen ze de blinde en zeiden tegen hem: Heb goede moed, sta op, Hij roept u.
50 En hij wierp zijn bovenkleed af, stond op en kwam bij Jezus.
51 En Jezus antwoordde hem en zei: Wat wilt u dat Ik voor u doen zal? En de blinde zei tegen Hem: Rabboni, dat ik ziende mag worden.
52 En Jezus zei tegen hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En meteen werd hij ziende en volgde Jezus op de weg.
Markus 10 en Lukas 18 bij Jericho
Er is één ding waarover Markus en Lukas het precies eens zijn, en het staat er bij beiden in dezelfde vier woorden: hij zat naast de weg. Niet lag, niet strandde, niet wachtte. Zat. Beide evangelisten hebben de rest van dit verhaal anders onthouden, en dit hebben ze onaangeroerd gelaten.
Alles wat daarna komt, gaat uit elkaar. En het gaat zo ver uit elkaar dat ik het niet meer tot één verhaal kan maken, hoe vaak ik het ook probeer.
Waar het gebeurt
Markus laat Jezus Jericho uitgaan. Lukas laat hem Jericho naderen.
Dat is geen slordigheid in de overlevering, dat is een keuze over waar een mens staat die niet ziet. Bij Markus zit hij bij de uitgang: alles is al gebeurd in die stad, de stoet is onderweg naar Jeruzalem, en hij is het laatste wat er nog ligt. Bij Lukas zit hij bij de ingang, en wat er na hem komt is Zacheüs, die in een boom klimt omdat hij over de hoofden niet heen kan zien.
Twee mannen die niet zien, aan weerszijden van dezelfde poort. De een vraagt wat er langskomt. De ander klimt in een vijgenboom. En Lukas zet ze bewust zo, want wie bij hem Jericho binnengaat, komt eerst een man tegen die niets kan zien en daarna een man die niemand ziet staan.
En dan de stad zelf. Een joods oor heeft bij Jericho één ding paraat: dat is de stad die viel door een geschreeuw. Zeven dagen rondlopen, zwijgen, en dan één keer schreeuwen, en de muur gaat om. Op precies die plek zit een man wiens enige instrument een schreeuw is. Ik weet niet of de evangelisten dat bedoeld hebben. Ik weet wel dat ze het beide op Jericho hebben gezet.
Wat Markus hem geeft
Markus geeft hem drie dingen die Lukas niet geeft: een naam, een vader en een mantel.
De naam eerst, want die is dubbel. Bartimeüs, Bar-Timaios: zoon van Timaios. En in dat Griekse Timaios zit: eer, aanzien, waarde — en ook, heel gewoon, prijs. Wat iets kost. De man die zijn hand ophoudt voor een munt heet zoon-van-de-waarde. Er is daarnaast een oud voorstel dat er een Aramees woord achter schuilt, onrein: zoon van de onreine. Dat blijft een voorstel, geen vaststaand feit, maar het is opvallend dat juist bij deze naam die twee mogelijkheden naast elkaar liggen. Eer en onreinheid, in één naam, bij een man die buiten de stad op de grond zit.
Markus voegt er iets aan toe dat bijna niemand opvalt: de zoon van Timaios, Bartimeüs. Hij zegt het twee keer, eerst in het Grieks en dan in het Aramees. Alsof hij wil dat je het niet mist. Deze man heeft een vader. Dat is in het evangelie niet niks: wie een vader heeft, heeft een plaats, een herkomst, een systeem waar hij in hoort. Hij is geen losse figuur langs de weg, hij is iemands zoon.
En dan de mantel. Jezus laat hem roepen, en de mensen zeggen: heb goede moed, sta op, hij roept je. En wat hij dan doet, staat er vóór zijn opstaan: hij wierp zijn mantel af.
Een bedelaarsmantel is geen kleding alleen. Het is het vlak waarop de munten vallen. Je legt hem uit, je zit erop of ernaast, en wat erin ligt is wat je die dag hebt. Wie hem van zich afgooit terwijl hij nog niets ziet, gooit zijn inkomen weg vóórdat hij weet of er iets voor in de plaats komt. Hij doet het in het donker.
Dat is bij Markus de hele beweging: hij wordt geroepen, en hij komt zelf. Er staat niet dat iemand hem heeft geleid. Er staat dat hij opsprong en naar Jezus toe ging.
Wat Lukas weglaat
Bij Lukas is al dat bezit verdwenen. Geen naam. Geen vader. Geen mantel.
Wat er overblijft is een positie en een vraag. Hij hoort een menigte voorbijgaan en hij vraagt aan de omstanders wat dit is. En dat is precies de vraag die in de woestijn gestéld werd toen er ’s ochtends iets op de grond lag dat niemand kende: man hu, wat is het. Van die vraag is het woord manna overgebleven. Een volk dat niet weet wat het ziet, noemt het brood naar zijn eigen onwetendheid.
Wie niet ziet, moet eerst vragen wat er langsgaat. Dat is bij Lukas het begin, en het is nog geen geloof.
En dan het woord dat alles beslist. Lukas schrijft: Jezus beval dat hij bij hem gebracht zou worden. Passief. Hij wordt gebracht. Hij komt niet zelf.
Daar gaan de twee verhalen definitief uiteen. Bij Markus roept Jezus hem en hij komt, uit zichzelf, zonder mantel. Bij Lukas wordt hij gehaald. Iemand pakt hem bij de arm en zet hem op de weg, en wie dat was wordt niet gezegd.
Wat hij zegt als hij er staat
Bij Markus noemt hij hem Rabbouni. Dat woord staat nog één keer in het hele Nieuwe Testament, en wel in de tuin bij het graf, als Maria zich omdraait en het tegen de man zegt die ze voor de tuinman had gehouden.
Twee keer Rabbouni, en beide keren uit de mond van iemand die niet kan zien wie er staat. De een omdat hij blind is, de ander omdat ze het niet verwacht had.
Bij Lukas zegt hij kurie. Heer. Het gewone woord, het woord dat iedereen gebruikt.
En dan komt bij beiden dezelfde vraag, woord voor woord gelijk: wat wil je dat ik voor je doe. De enige plek in het hele verhaal waar de twee evangelisten weer op elkaar liggen. Alsof ze allebei wisten dat je aan die zin niets mag veranderen.
Het antwoord is in beide gevallen één werkwoord: anablepsō. En dat woord betekent twee dingen tegelijk die wij in het Nederlands moeten kiezen: opnieuw zien, en omhoog kijken. De ana kan ‘weer’ zijn en ‘naar boven’. Wie vraagt om te zien, vraagt in hetzelfde woord om zijn hoofd op te tillen. Iemand die zit, zit met zijn gezicht op de hoogte van de voeten die langslopen.
Twee blinden om de weg heen
Nu terug in Markus, want het slot van dit verhaal is bij hem het slot van iets veel groters.
In 8:22 wordt er een blinde bij hem gebracht in Bethsaïda, en wat daar gebeurt, gebeurt nergens anders in de evangeliën: de genezing lukt in één keer niet. Hij spuwt op zijn ogen, legt zijn handen op hem en vraagt of hij iets ziet. En de man zegt: ik zie de mensen, als bomen, lopend. Hij ziet beweging en geen vorm. Pas na een tweede handoplegging ziet hij scherp.
Daarna begint het middenstuk. Drie keer zegt Jezus wat er in Jeruzalem met hem gaat gebeuren. De eerste keer neemt Petrus hem apart en bestraft hem. De tweede keer zwijgen ze en blijkt dat ze onderweg hebben geruzied over wie de grootste is. De derde keer komen de twee zonen van Zebedeüs om de plaatsen rechts en links. Drie aankondigingen, drie keer iets anders dan verstaan.
En dat hele gedeelte heeft bij Markus een eigen uitdrukking die er als een refrein door loopt: op de weg. Onderweg vroeg hij hun. Onderweg hadden ze geredetwist. Onderweg gingen ze op naar Jeruzalem en hij ging hen voorop en zij waren bevreesd.
En dan, als laatste woorden van dat hele middenstuk, staat het nog een keer: en hij volgde hem op de weg.
Markus heeft zijn wegsectie dus tussen twee blinden gezet. Aan het begin een man die in twee etappes gaat zien en eerst bomen ziet lopen. Aan het eind een man die in één keer ziet en meegaat. En daartussen een groep die driemaal hoort waar het heen gaat en het driemaal niet verstaat.
Daarmee weet ik eindelijk waarom de mantel bij Markus staat en niet bij de anderen. Aan het eind van drie hoofdstukken waarin niemand iets zag, kan het niet bij een woord blijven. Er moet iets de berm in.
En dan het slot, dat twee verschillende dingen zegt
Markus: ga. Je geloof heeft je behouden.
Lukas: zie op. Je geloof heeft je behouden.
Dezelfde tweede helft, een andere eerste. Bij Markus geeft Jezus hem geen opdracht om te zien; hij stuurt hem weg, en dan ziet hij. Bij Lukas beveelt hij het zien, en het zien gebeurt.
En het is Markus die daarna de ongerijmdheid laat staan: Jezus zegt ga, en de man gaat niet. Hij volgt hem, op de weg. Het woord dat eerst in ‘naast de weg’ stond, staat nu zonder het ‘naast’. De plek is dezelfde, de prepositie is weg.
Bij Lukas volgt hij ook, God verheerlijkend, en dan gebeurt er iets wat Markus niet heeft: heel het volk dat het ziet, gaat God prijzen. De man die aan de kant zat, heeft de stoet veranderd.
Wat ik er niet van kan maken
Ik wilde deze twee bij elkaar brengen en dat gaat niet, en ik denk inmiddels dat het niet moet.
Markus vertelt over een man die iets bezat en het weggooide. Een naam, een vader, een mantel met munten erin, en dat vloog in één beweging de berm in. Wie dit verhaal leest, wordt gevraagd wat hij in zijn handen heeft dat eerst los moet voordat er iets kan gaan zien.
Lukas vertelt over een man die niets had om weg te gooien. Hij had een plek en een vraag, en hij werd gebracht. Wie dit verhaal leest, wordt niet gevraagd wat hij afstaat. Hij wordt gevraagd of hij zich laat halen.
Het zijn twee verschillende manieren waarop een mens vastzit, en ze vragen iets tegengestelds. De een moet zijn handen openen. De ander moet toestaan dat iemand hem bij de arm neemt. Wie het eerste verhaal nodig heeft en het tweede krijgt, blijft op zijn mantel zitten wachten tot iemand hem komt halen. Wie het tweede nodig heeft en het eerste krijgt, gooit zijn laatste bezit weg en komt nog steeds niet van de grond, want hij kan de weg niet vinden.
Wat blijft staan is het ene woord waar ze het over eens waren. Hij zat. Je kunt naast de weg wonen. Het is er niet koud, je hoort alles, en er komt genoeg langs om van te leven.
Van die zin hebben ze geen van beiden iets afgehaald.
En dan blijft er eigenlijk nog een vraag open: Wat zegt Mattheüs 20?
De blinden voor Jericho – serie:
1) Lucas 18: 35-43 Van de weg leven
2) Marcus 10: 46-52 Twee keer dezelfde man
3) Mattheüs 20: 29-34 Twee en twee
4) De blinden van Jericho
5) Die vooropgaan

