De blinden van Jericho
over de naam van de stad van de blinden:
1) Lucas 18: 35-43 Van de weg leven
2) Marcus 10: 46-52 Twee keer dezelfde man
3) Mattheüs 20: 29-34 Twee en twee
Er is één ding dat geen van de drie evangelisten heeft aangeraakt: de plaats.
Markus verplaatst de genezing naar de uitgang.
Lukas zet hem bij de ingang.
Mattheüs maakt er twee mannen van.
Ieder van hen verandert de richting, het aantal, de naam, de mantel, de aanraking en wie het zwijgen oplegt. En geen van de drie haalt Jericho weg.
De naam
Jericho is in het Hebreeuws יְרִיחוֹ. Haal de laatste letter eraf en wat er staat is jariach: hij zal ruiken.
Het is de werkwoordsvorm van het ruiken, en in de naam van de stad staat hij in de toekomst. Hij zal ruiken. Dat is de ene oude lezing, en ze past bij wat Jericho was: een oase in een dal waar niets groeit, de stad van de palmen, het centrum van de balsemhandel. Een plek die je rook voordat je haar zag.
De andere lezing is jareach, maan. Jericho als maanstad, met de maan als de godheid van het dal. Dat is in de oudheid zo gelezen en het staat naast de eerste zonder haar te verdringen.
Twee namen dus: ruiken, en maan.
De maan is het lichaam dat niets van zichzelf heeft. Ze geeft alleen terug wat ze krijgt, ze gaat elke maand helemaal weg, en van wat ze dan is kan niemand iets zien. Aan de poort van de stad die naar dat lichaam heet, zitten mensen die niets van zichzelf hebben en leven van wat er langskomt.
Niet naar het aanzien van zijn ogen
Die drie letters, resj-jod-chet, staan ook in Jesaja.
Jesaja 11 begint met de uitspruitsel uit de tronk van Isaï — de belofte waar de titel zoon van David aan hangt. In vers 2 daalt de geest op hem neer. En in vers 3 staat: vaharicho be-jir’at JHWH. Onze vertalingen maken daar iets van als: zijn vreugde zal zijn in de vreze des HEREN. Wat er letterlijk staat is: en zijn ruiken zal zijn in de vreze des HEREN.
En dan komt de rest van het vers, en die zegt precies wat hij niet zal doen.
Hij zal niet richten naar het aanzien van zijn ogen, en niet rechtspreken naar het gehoor van zijn oren.
Dat is de man die ze bij de poort aanroepen. Beide keren, in alle drie de evangeliën, met dezelfde titel: zoon van David. En in de grote zoon-van-David-profetie staat dat hij niet gaat op wat zijn ogen zien en niet op wat zijn oren horen, en wat er in de plaats van die twee komt, heeft de letters van de stad waar ze zitten.
De joodse uitleg heeft dat gelezen zoals het er staat. In de Talmoed wordt uit dit vers opgemaakt dat de Messias oordeelt met zijn ruiken, en dat is daar geen beeldspraak maar een toets: ze hebben Bar Kochba ermee getest, hij kon het niet, en ze hebben hem gedood.
De evangelisten halen Jesaja 11 niet aan. Ze halen hoofdstuk 35 aan, waar de ogen van de blinden geopend worden.
De verbinding die ik hier leg, gaat via de naam van de stad en via de titel die de mannen gebruiken, en niet via een citaat.
Wat er overblijft
Kijk naar welke twee zintuigen Jesaja 11 uitsluit. De ogen en de oren.
Dat zijn de twee die over afstand werken. Om te zien moet er ruimte zijn tussen jou en het ding; als het tegen je gezicht aan ligt, zie je niets. Om te horen moet er lucht tussen zitten die kan bewegen. Beide zintuigen hebben een tussenruimte nodig, en ze geven je een wereld die je op afstand kunt houden en overzien.
Wat overblijft als je die twee wegneemt, zijn ruiken en aanraken.
En die twee werken precies andersom. Ruiken kan alleen als er iets van het ding zelf losgekomen is en bij jou in je neus is aangekomen; je ruikt geen beeld van de roos, je ruikt de roos, een stukje ervan, binnen in je. En aanraken kan alleen als de afstand nul is.
Dat zijn de zintuigen van wat aankomt. Je kunt ze niet richten en je kunt er niet mee overzien. Je kunt je ogen sluiten en je oren dichtstoppen; je kunt niet besluiten iets niet te ruiken dat er is.
Blind en huid
En nu iets wat ik bij het natellen van de letters vond en wat me sindsdien niet loslaat.
Het Hebreeuwse woord voor blind is iwwer: ajin-waw-resj.
Het woord voor huid is or: ajin-waw-resj. Dezelfde drie letters.
Wie blind is, heet in deze taal met het woord voor het oppervlak waarmee een lichaam de wereld raakt. Alsof blindheid niet het ontbreken van iets is, maar de toestand waarin alles huid is geworden — waarin er niets meer op afstand gebeurt en wat tot je komt, tot je komt doordat het je aanraakt.
Ik weet niet of de schrijvers dat zo bedoeld hebben. Ik weet dat deze twee woorden niet van elkaar te onderscheiden zijn zolang er geen klinkers onder staan, en dat de klinkers er eeuwen later bij zijn gezet.
En wie dit leest met de evangeliën erbij, komt bij Mattheüs uit, die de enige van de drie is bij wie er een hand op die ogen gaat.
Mozes heeft Jericho gezien
Nu iets wat er al stond lang voordat er iemand bij die poort zat.
Aan het eind van Deuteronomium gaat Mozes de berg Nebo op en laat God hem het land zien. Er wordt een lijst voorgelezen van wat hij ziet, en in die lijst staat: de stad van de palmbomen. Dat is Jericho.
En dan komt het laatste wat er tegen Mozes gezegd wordt, en het zijn de laatste woorden die hij hoort voordat hij sterft: ik heb het je met je ogen laten zien, en daarheen zul je niet oversteken.
Ik heb het je met je ogen laten zien. En je gaat er niet in.
Zo wordt Jericho voor het eerst gezien: door een man die het ziet en niet binnenkomt. Het zien is daar niet een gave maar een afscheid; het is wat je krijgt in plaats van het binnengaan.
En aan de poort van die stad, veertien eeuwen later, zitten mannen die niet zien, en wat er van hen gezegd wordt is dat ze hem volgden.
Zes dagen waarin niets te zien is
Dan Jozua 6. Zes dagen lopen ze om de stad heen. Eén keer per dag, met de ark en de zeven horens, en er is bevel gegeven dat niemand iets zegt. Zes dagen doen ze iets waar niets van te zien is. Er valt geen steen, er gebeurt niets aan de muur, en wie het van buiten bekijkt ziet een volk rondjes lopen in de hitte.
Van alle wegen om een stad te nemen is dit de enige waarin het oog zes dagen lang niets te melden heeft.
En wat er op de zevende dag staat, als het dan gebeurt: de muur viel onder zichzelf. Niet omver, niet naar buiten, niet naar binnen. Onder zichzelf, op zijn plaats, in zijn eigen grondvlak weg.
Een muur valt onder zichzelf wanneer het niet de duw van buiten is die hem neemt, maar iets wat van onderen weg is gegaan.
Wat er op deze plek gebeurt met wat je afdoet
Er is nog iets dat bij Jericho hoort.
In 2 Koningen 2 gaan Elia en Elisa van Jericho naar de Jordaan, en de profetenzonen van Jericho staan van verre toe te kijken. Dan komt de wagen en gaat Elia omhoog, en wat er achterblijft is zijn mantel. Elisa raapt hem op, slaat met hem op het water en gaat terug.
Op dezelfde plek, eeuwen later, gooit een man zijn mantel in de berm en gaat mee.
Het Grieks gebruikt voor die twee mantels niet hetzelfde woord, dus ik kan er geen woordverband van maken. Maar het gebaar ligt op dezelfde grond. Bij Jericho valt er een mantel van iemand die opgaat, en wordt opgeraapt. Bij Jericho wordt er een mantel afgegooid door iemand die beneden zit, en blijft liggen.
En iets verder in dat hoofdstuk komen de mannen van Jericho naar Elisa met de klacht dat het water slecht is en het land misgeboorte geeft. Hij vraagt om een nieuwe schaal met zout erin en gooit dat in de bron, en zegt dat er van daar geen dood en geen onvruchtbaarheid meer zal komen.
Zout, dat van land niets laat groeien, maakt hier het water goed.
Dat is ook de stad waarover Jozua een eed heeft laten zweren: vervloekt wie haar weer opbouwt. En in het boek Koningen staat wie het toch deed en wat het hem kostte. Jericho is een vervloekte stad die opnieuw is opgebouwd, met een bron die is genezen door het middel dat normaal verwoest.
Wat open blijft
Ik kan niet bewijzen dat de evangelisten dit alles wisten toen ze dit verhaal opschreven. Ik kan wel vaststellen dat ze alle drie, terwijl ze van elkaar afweken op bijna elk punt, de blinden op deze ene plaats hebben laten zitten.
En wat die plaats in zich heeft, is dit: haar naam is een werkwoord in de toekomst dat gaat over het zintuig dat alleen werkt als er iets van buiten bij je binnen is gekomen. Haar eerste ziener keek ernaar met zijn ogen en kwam er niet in. Haar muur viel na zes dagen waarin niets te zien was. Haar water is goedgemaakt met zout.
Wat ik niet weet, is of een stad zoiets kan onthouden. Of het alleen de schrijver is die het weet, of de plek, of niemand, en wij het eruit halen omdat de letters het toelaten.
Wat ik wel weet, is dat ze daar zaten. Buiten de muur die niet door een duw is gevallen, aan de stad van het ruiken, en dat ze riepen naar de enige in de Schrift van wie geschreven staat dat hij niet zal oordelen naar wat zijn ogen zien.
Ze vroegen hem om ogen.
De blinden voor Jericho – serie:
1) Lucas 18: 35-43 Van de weg leven
2) Marcus 10: 46-52 Twee keer dezelfde man
3) Mattheüs 20: 29-34 Twee en twee
4) De blinden van Jericho
5) Die vooropgaan
