Die vooropgaan
Markus 10, Lukas 18, Mattheüs 20 — wie het zwijgen oplegt
Er is in dit verhaal één werkwoord dat alle drie de evangelisten onaangeroerd hebben gelaten, en het is niet het roepen en niet het zien. Het is het stilleggen.
Markus heeft het, Lukas heeft het, Mattheüs heeft het. Hetzelfde woord, dezelfde vorm, dezelfde functie in de zin.
En achter dat werkwoord staat bij alle drie iemand anders.
Markus: polloi, velen.
Lukas: hoi proagontes, die vooropgingen.
Mattheüs: ho ochlos, de menigte — en dat is de menigte waarvan hij twee verzen eerder heeft gezegd dat ze hem volgde.
Drie evangelisten die het eens zijn over wat er gedaan wordt en van mening verschillen over wie het doet. Dat is geen onzekerheid in de overlevering. Ieder van hen heeft op die plek het woord gezet dat bij zijn eigen boek hoort.
Velen
Markus noemt geen rol en geen positie. Velen. Een aantal zonder gezicht.
Dat is bij hem de vorm waarin mensen meestal voorkomen. Zijn evangelie staat vol scharen die duwen, die zo dicht om hem heen staan dat hij niet kan eten, die hem tot in een boot achteruit dringen. En zijn eerste openbare daad in de synagoge van Kafarnaüm is het uitdrijven van een onreine geest, en dat woord ‘onrein’ gebruikt hij vaker dan de anderen bij elkaar. Hij is ook de enige die er een redactionele zin aan waagt: dat Jezus daarmee alle voedsel rein verklaarde.
Reinigen, uitdrijven, het ongewenste eruit. Dat is het register waarin Markus denkt. En in dat register is een stem die niet mag klinken geen onbeschoftheid maar iets wat eruit moet.
Markus is de enige van de drie die de man een naam geeft: Bartimeüs, zoon van Timeüs. En hij is de enige van de drie die degenen die hem het zwijgen opleggen géén naam geeft. Eén mens met een naam en een vader, tegenover velen.
De verhouding die wij verwachten, staat precies omgekeerd in de tekst. Niet de massa heeft een gezicht en de bedelaar niet. De bedelaar heeft een gezicht en de massa is een aantal.
Die vooropgingen
Lukas doet iets anders. Hij geeft geen aantal, hij geeft een plaats in de stoet.
En dat woord is in de evangeliën niet neutraal. Proagō, vooropgaan, is wat de herder doet: hij loopt voor de kudde uit en de kudde volgt zijn rug. Het is het woord dat Markus in zijn wegsectie gebruikt voor Jezus zelf, die hen voorop gaat naar Jeruzalem, en het is na de opstanding het woord van de bode bij het graf: hij gaat jullie voorop naar Galilea.
Bij Lukas, op deze plek, zijn het de mensen die vooropgaan die iemand het zwijgen opleggen. Ze hebben de plaats van de herder en ze gebruiken die om een geluid te laten ophouden.
Dat is in Lukas’ boek niet toevallig de gekozen formulering, want zijn hele evangelie is een reis en zijn tweede boek noemt de beweging de Weg. Wie bij Lukas vooraan loopt, loopt vooraan in iets wat een naam heeft. Hij zet de kwestie dus niet in aantallen en niet in gezindheid, maar in positie: wie staat waar in de beweging, en wat doet die plaats met een mens.
En wie vooropgaat, bepaalt het tempo.
De menigte die volgde
Mattheüs doet het derde. Hij legt het werkwoord in de mond van mensen van wie hij net heeft vastgesteld dat ze achter Jezus aan lopen.
Dat is het register waarin hij zijn hele evangelie heeft geschreven. Zijn woord is hypokritēs, de toneelspeler, en zijn klacht is altijd dezelfde: van buiten gewit, van binnen beenderen. Het gaat bij hem nooit over mensen die niets doen. Het gaat over mensen die het juiste doen en het niet zijn.
Daarom kan hij hier niet “velen” schrijven en niet “die vooropgingen”. Hij moet de volgers hebben. Een menigte die hem volgt en die een smekende man het zwijgen oplegt — dat is de huichelarij in haar kortste vorm, en er is geen woord voor nodig.
Drie keer dus hetzelfde werkwoord. Bij Markus iets wat eruit moet. Bij Lukas een positie die misbruikt wordt. Bij Mattheüs een vroomheid die niet klopt.
Wat ze net gehoord hebben
Nu terug naar Lukas, want hij zet er iets vóór wat de anderen niet zo zetten.
Direct voorafgaand aan dit verhaal, in 18:31-34, neemt Jezus de twaalf apart en zegt wat er in Jeruzalem gaat gebeuren: overgeleverd, bespot, bespuwd, gedood, en op de derde dag opgestaan. En dan staat er, in drie wendingen boven op elkaar: zij begrepen niets van deze dingen, en dit woord was voor hen verborgen, en zij wisten niet wat er gezegd werd.
Drie keer hetzelfde, want één keer was niet genoeg.
En in het volgende vers loopt die groep vooraan in een stoet naar Jeruzalem, en komt er iemand van de zijkant die roept: zoon van David, heb medelijden met mij. Hij roept precies de titel die hoort bij waar ze heen gaan en die zij niet hebben begrepen.
Hier komt iets omhoog waar ik niet omheen kan. Bij hen was het woord verborgen, staat er. Bij hem is het zien verborgen, in zijn lichaam. De verborgenheid van de een zit in zijn hoofd en die van de ander in zijn ogen, en het is het gebrek dat roept.
Het werkwoord zelf
En nu dat woord epitimaō, want ik heb te lang gedacht dat het bestraffen betekende zoals wij een kind bestraffen.
Bij Lukas bestraft Jezus met dat woord een onreine geest, en die gaat eruit.
Hij bestraft met dat woord de koorts, en die wijkt.
Hij bestraft met dat woord de wind op het meer, en het wordt stil.
Het is het werkwoord voor het tot zwijgen brengen van iets wat niet spreken mag: een demon, een ziekte, een storm.
Dat is het woord dat op deze man wordt toegepast.
Zijn stem wordt behandeld als een geest die eruit moet. Niet als overlast, niet als onbeschoftheid — als iets dat niet thuishoort in de orde van de dingen. En het is dezelfde handeling als bij een uitdrijving: iemand met gezag gaat tegenover een geluid staan en zegt dat het ophoudt.
En dat werkwoord weegt het zwaarst in het evangelie waar de uitdrijving de hoofdhandeling is. Bij Markus is het Jezus’ kernwerk, en bij Markus zijn het velen die het hier doen. Zij doen aan de kant van de weg wat hij in de synagoge doet, en op een mens.
Alleen gaat het niet uit.
Wat hij doet
In Lukas 18:38 roept hij, en het woord is: brullen, de noodkreet, het geluid van iemand die in gevaar is. Het is niet het woord voor zeggen en niet voor vragen.
En in vers 39, ná de bestraffing, schakelt Lukas over: veel meer schreeuwde hij. Krazō is het hardere woord, het woord voor krijsen, voor het geluid van een raaf.
Hij wordt dus niet stiller, en hij wordt ook niet luider op dezelfde toon. Hij gaat over op een ander register. Het eerste geluid was een noodkreet die ergens naartoe gericht was; het tweede is rauwer en verder van spraak af.
Dat lijkt me waar het bij een mens op uitdraait wanneer hem het zwijgen wordt opgelegd op het moment dat hij voor het eerst iets vraagt. Je vraagt het netjes, je wordt tot de orde geroepen, en wat er dan uitkomt is niet meer netjes. En degenen vooraan zullen zeggen: zie je wel.
Dan staat de stoet stil
Jezus bleef staan.
Dat is één woord en het heeft gevolgen voor iedereen. Een stoet die vooraan stilvalt, loopt achteraan op elkaar. De mensen die vooropgingen staan nu stil en wachten. Ze wachten op het geluid dat ze net nog hadden willen uitdrijven.
En wat hij vervolgens doet, doet hij bij Lukas niet zelf. Hij beveelt dat de man bij hem gebracht wordt — achthēnai, passief, en er staat niet door wie. Iemand uit die stoet moet naar de berm lopen, een blinde man overeind helpen en hem naar voren leiden. Lukas geeft geen naam en geen gezicht. Maar het kan niemand anders geweest zijn dan iemand uit de groep die hem net nog bestrafte, want er is niemand anders.
Degene die hem het zwijgen oplegde, is degene die hem bij de arm naar de weg brengt. Dat staat er niet. Dat volgt eruit.
Wie er verandert
Markus eindigt met de man die volgt op de weg. Mattheüs eindigt met twee mannen die volgen. Lukas eindigt anders: en hij volgde hem, God verheerlijkend, en al het volk dat het zag, gaf God lof.
Al het volk. Dus ook die vooraan.
Het is niet de man aan de kant die door de stoet is bijgetrokken. Het is de stoet die door de man aan de kant van richting is veranderd. Ze liepen naar Jeruzalem zonder te weten waar ze heen gingen, en wat hen aan het loven brengt is niet het onderricht dat ze drie keer niet konden horen. Het is een schreeuw uit de berm.
Dat zet het hoofdstuk op zijn kop. Het onderwijs werkte niet. De onderbreking van het onderwijs werkte.
Waarom het zo moeilijk is
Hier wil ik niet te snel, want wat ik tot nu toe heb opgegraven laat zich veel te makkelijk vertalen in een moraal over moed hebben en je mond opendoen, en in die vertaling verliest het verhaal zijn kracht.
Kijk waar die mensen stonden. Zij liepen mee. Zij waren erbij toen de dingen gezegd werden die ze niet begrepen. Ze waren niet kwaadwillend. Ze waren bezig met iets wat belangrijk was, en er kwam geluid van de zijkant dat niet paste in waar ze mee bezig waren. Zo gaat het altijd. Niemand legt iemand het zwijgen op omdat hij slecht is; hij doet het omdat hij iets aan het doen is wat niet onderbroken kan worden.
En daar zit de onbarmhartigheid van dit verhaal. De mensen die niet weten waar ze heen lopen, zijn degenen die het hardst doorlopen. Het niet-begrijpen gaat niet samen met twijfel en met langzamer gaan. Het gaat samen met tempo. Wie de weg kent, kan stilstaan.
En wie aan de kant zit, weet dat allemaal. Hij hoorde die voeten al honderd keer eerder langskomen en hij weet welke geluiden er gemaakt worden als hij roept. Dat hij het toch doet, komt niet doordat hij ineens meer moed had. Het komt doordat hij hoorde dat er iets anders langskwam, en het eerste wat hij deed was vragen wat het was.
Dat is de volgorde die niet overgeslagen kan worden. Eerst iets anders horen. Dan vragen wat het is. Dan roepen. Wie roept zonder te weten wat er langskomt, maakt lawaai en wordt terecht bestraft. En wie wacht tot hij het zeker weet, hoort de stoet wegsterven.
De stenen
En dan vond ik iets één hoofdstuk verder, dat ik niet meer kan loskoppelen van dit verhaal.
Lukas 19. Jezus daalt af van de Olijfberg, de hele menigte van leerlingen begint God te loven, en dan staat er: en sommigen van de Farizeeën uit de menigte zeiden tot hem — meester, bestraf uw leerlingen.
Epitimēson. Hetzelfde werkwoord. Opnieuw de vraag om stilte, opnieuw aan iemand met gezag, opnieuw op dezelfde weg naar Jeruzalem, en nu niet voor een bedelaar maar voor de hele groep die net is gaan loven.
En het antwoord is: ik zeg u, als dezen zwijgen, dan zullen de stenen schreeuwen.
Krazousin. Precies het werkwoord waar de blinde man op overschakelde toen ze hem de eerste keer hadden stilgelegd.
Lukas heeft het dus in elkaar geschoven. Eerst leggen die vooropgaan één man het zwijgen op, en hij gaat over op het rauwere woord. Dan loven zij met hem, en wordt er gevraagd of dat loven niet stil kan. En het antwoord zegt dat het geluid niet te stoppen is: het verhuist alleen naar wat er nog over is.
Van een man naar een menigte naar de stenen van de weg.
Dat is bij Lukas trouwens geen beeldspraak die uit de lucht komt. Het was al eerder gezegd, bij Johannes de Doper, dat God uit stenen kinderen voor Abraham kan verwekken. Wie stilgelegd wordt, wordt in dit evangelie vervangen door iets lagers, en dat lagere doet hetzelfde werk.
Wat open blijft
Ik kom niet te weten of die mensen vooraan werkelijk veranderd zijn.
Er staat dat ze God loofden. Dat is meer dan ze een vers eerder deden. Maar het hoofdstuk daarna gaat over Zacheüs, en als Jezus bij hem binnengaat, staat er dat ze allemaal morden: hij is bij een zondig man naar binnen gegaan. Dezelfde mensen, één stad later, hetzelfde patroon, om iemand anders.
Misschien is dat het eerlijkste wat Lukas doet. Het lawaai uit de berm kan een stoet één keer tot stilstand brengen en een lofzang uitlokken, en een halve dag later lopen ze weer vooraan en vinden ze weer dat iemand er niet bij hoort.
Wat dan verandert, is niet de stoet.
Het is de man die nu op de weg loopt en weet hoe het klinkt vanaf de kant.
De blinden voor Jericho – serie:
1) Lucas 18: 35-43 Van de weg leven
2) Marcus 10: 46-52 Twee keer dezelfde man
3) Mattheüs 20: 29-34 Twee en twee
4) De blinden van Jericho
5) Die vooropgaan

