Twee en twee
De blinden van Jericho, Mattheüs 20:
29 En toen zij Jericho uit gingen, volgde een grote menigte Hem.
30 En zie, twee blinden, die aan de weg zaten, riepen, toen zij hoorden dat Jezus voorbijging: Heere, Zoon van David, ontferm U over ons!
31 De menigte bestrafte hen, opdat zij zouden zwijgen; maar zij riepen des te meer: Ontferm U over ons, Heere, Zoon van David!
32 En Jezus stond stil, riep hen en zei: Wat wilt u dat Ik voor u doen zal?
33 Zij zeiden tegen Hem: Heere, dat onze ogen geopend worden.
34 En Jezus, Die innerlijk met ontferming bewogen was, raakte hun ogen aan; en meteen werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.
Mattheüs maakt er twee van.
Dat is bij hem geen uitzondering — waar Markus één bezetene heeft, heeft hij er twee — maar hier doet het iets wat ik eerst voor een stijlgewoonte hield. Twee is in de Torah het aantal waarbij een zaak vaststaat. Op het woord van twee getuigen wordt iets rechtsgeldig; één mens die zegt dat het zo is gebeurd, heeft geen zaak. Mattheüs geeft deze mannen geen naam, geen vader en geen mantel. Hij geeft ze iemand naast zich.
En hij doet het in dit hoofdstuk twee keer. Er zijn twee zonen van Zebedeüs en er zijn twee blinden, en tussen die twee paren staat één en dezelfde vraag.
Het hoofdstuk is één vraag
Mattheüs 20 begint met arbeiders in een wijngaard. Wie het eerst kwam, krijgt hetzelfde als wie het laatst kwam, en de eersten gaan morren omdat ze zich hebben vergeleken. De heer vraagt of hun oog kwaad is omdat hij goed is. Dat is bij Mattheüs geen beeldspraak die hij hier verzint. Uw oog is kwaad — staat bij hem ook in de Bergrede, en het betekent daar wat het hier betekent: het oog dat rekent, dat naast zich kijkt, dat meet wat een ander kreeg. Het kwade oog is bij Mattheüs het vergelijkende oog.
Dit hoofdstuk begint dus met een oog dat niet goed is en eindigt met twee mannen die vragen of hun ogen geopend worden. En wat daartussen ligt, gaat allemaal over gezien worden. Het hoofdstuk eindigt met de regel die alles in dit hoofdstuk aanraakt: de laatsten zullen de eersten zijn.
Dan komt de moeder van de twee zonen van Zebedeüs. En hier staat iets wat ik bij Markus niet aantref: bij Markus vragen de zonen het zelf, bij Mattheüs vraagt hun moeder het voor hen. Zij komt met hen mee en zij doet het woord.
Jezus vraagt haar: wat wil je. Ze vraagt de twee plaatsen, rechts en links. En het antwoord gaat niet naar haar maar over haar heen naar de zonen: jullie weten niet wat jullie vragen.
Een paar verzen later zitten er twee mannen langs de weg en stelt hij hun dezelfde vraag, nu in het meervoud: wat wilt u dat ik voor u doe. Dat is de scharnier van het hele hoofdstuk, want de vraag is hetzelfde en de verhouding is omgekeerd.
Twee zonen die zien, laten hun moeder vragen, en weten niet wat er gevraagd wordt. Twee mannen die niet zien, schreeuwen het zelf, en weten precies wat ze nodig hebben.
Het woord dat Mattheüs vaker gebruikt dan alle andere evangelisten bij elkaar, is hypokritēs. Dertien keer bij hem, één keer bij Markus, drie keer bij Lukas. Het is zijn woord, en bij hem is het altijd een ziekte van het oog: de huichelaars bidden om gezien te worden, geven om gezien te worden, vasten met een gezicht dat gezien moet worden. En de graven zijn van buiten gewit en van binnen vol beenderen.
Hypokritēs is in het Grieks de toneelspeler. Letterlijk: iemand die antwoordt van onder iets vandaan.
Dat staat hier niet, en ik schrijf het ook niet over deze moeder. Maar de vorm is er wel: het verlangen is van de zonen en de stem is van haar. Wat gevraagd wordt, komt van onder een ander gezicht vandaan. En een paar verzen later zijn er twee mannen die niets voor zich hebben om onder te staan en het zelf schreeuwen.
Daartussenin staat de uitspraak dat wie groot wil zijn een dienaar moet zijn, en dat de Mensenzoon is gekomen om te dienen. Mattheüs zet die zin tussen een vraag om de beste plaats en een vraag om ogen. Drie keer in één hoofdstuk gaat het over wie waar staat: in de rij bij de uitbetaling, aan de rechterhand, en aan de kant van de weg.
Zitten, terwijl er iemand voorbijgaat
Nu de twee woorden waar ik bleef hangen.
Vers 30: zittend langs de weg. En wat ze horen is dat Jezus voorbijgaat. Zitten en voorbijgaan, naast elkaar in één vers.
Elf hoofdstukken eerder staan die twee woorden ook naast elkaar, in hoofdstuk 9: en Jezus, paragōn vandaar, zag een mens kathēmenon bij het tolhuis. En de naam van die mens is in dit evangelie Mattheüs.
Dat is dus de combinatie waarmee dit boek zijn eigen roeping beschrijft. Iemand zit op zijn post, er gaat iemand voorbij, en wat volgt is: volg mij.
En wie bij een tolhuis zit, zit daar niet omdat hij nergens anders heen kan. Hij zit daar omdat het zijn plaats is en omdat het opbrengt. Dat is precies de plek langs de weg: een post waar iets binnenkomt van wat er voorbijtrekt. De tollenaar neemt een deel van wat er langsgaat; de bedelaar krijgt een deel van wat er langsgaat. Twee manieren om te leven van verkeer dat niet van jou is.
Degene die van zo’n plek is opgestaan, schrijft hier over twee mannen die er nog zitten. En hij geeft ze zijn eigen twee woorden mee.
De menigte die al volgt
En dan iets wat Mattheüs in een lijst van drie verzen opsluit.
Vers 29: en toen zij Jericho uitgingen, volgde hem een grote menigte.
Vers 31: en de menigte bestrafte hen, dat zij zouden zwijgen.
Vers 34: en terstond zagen zij, en zij volgden hem.
Hetzelfde werkwoord staat aan het begin en aan het eind, en in het midden staat wat de volgers doen met wie wil gaan volgen. De menigte die al achter hem aan loopt, legt het zwijgen op aan twee mannen die nog niets zijn. En het laatste wat van die twee gezegd wordt, is het woord waarmee de menigte in vers 29 werd omschreven.
Wat Mattheüs daarmee doet, is de groep niet buitensluiten en ook niet sparen. Hij noemt ze met hetzelfde werkwoord aan beide kanten. Volgen is in dit verhaal geen bewijs van iets. Je kunt het al doen en nog steeds degene zijn die een stem het zwijgen oplegt.
Niemand ertussen
Markus laat Jezus tegen de omstanders zeggen: roep hem. Lukas laat hem bevelen dat de man gebracht wordt. Mattheüs laat hem stilstaan en hen zelf roepen.
Geen boodschapper, geen arm die je bij de weg brengt. Hij staat stil en hij verheft zijn stem naar twee mannen die hem niet kunnen zien naderen.
Dat is de kaalste van de drie wegen. Bij Markus moest er iets uit de handen; bij Lukas moest iemand je halen. Hier is er niets om af te leggen en niemand die je brengt. Er is twee keer een stem, en die van de zijkant kwam eerst.
Wat ze vragen
Markus en Lukas hebben hier één werkwoord: dat ik weer zie, dat ik opkijk.
Mattheüs heeft iets anders. Zij zeggen: dat onze ogen geopend worden. Passief, en zij zijn niet degenen die het doen.
En dat is woordelijk een profetie. Jesaja 35: dan zullen de ogen van de blinden geopend worden. Ze vragen niet om genezing van een gebrek. Ze vragen of het nu gebeurt.
In datzelfde hoofdstuk van Jesaja, een paar verzen verder, staat het andere deel van de belofte: en daar zal een gebaande weg zijn, en die zal de heilige weg heten. Twee mannen die naast een weg zitten, citeren de helft van een profetie die over ogen gaat, terwijl de andere helft over de weg gaat waar ze naast zitten. Ze vragen om het ene stuk en zitten in het andere.
En er is nog een plek waar dat openen staat. In de ochtendzegen van elke dag wordt God geprezen als degene die de ogen van blinden opent, naar Psalm 146. Dat zegt een mens die ziet, elke ochtend, zonder erbij na te denken, voordat hij opstaat. Deze twee vragen om precies het ding waarvoor iedereen om hen heen dagelijks dankt zonder het nodig te hebben gehad.
Wat ze dan terugkrijgen in vers 34 is niet het woord van de profetie. Er staat: en terstond zagen zij weer, het gewone woord van Markus en Lukas. Ze vroegen in de taal van Jesaja en het werd hun gegeven in de taal van de straat.
Twee soorten barmhartigheid
Ze schreeuwen: heb erbarmen met ons, Heer, zoon van David.
Eleos is het woord dat je naar boven richt, naar iemand met macht. Je vraagt het aan een koning. En de titel die ze gebruiken is een koningstitel: zoon van David. Dit is een smeekschrift, in de juiste vorm, aan de juiste instantie.
Wat er staat dat hij doet, is iets anders. Splanchnistheis: bewogen in de ingewanden. Dat woord geeft in het Grieks van de joodse bijbel het Hebreeuwse rachamim weer, en in rachamim zit rechem, moederschoot.
Ze dienen een verzoek in bij de koning en wat zich beweegt is een moederlichaam. De barmhartigheid die ze vragen hoort bij een troon; de barmhartigheid die komt is ouder dan koningschap, en ze is niet iets wat iemand besluit.
Dat Mattheüs dit woord hier zet en Markus en Lukas niet, verandert wie er in dit verhaal beweegt. Bij de andere twee wordt er een uitspraak gedaan. Hier gaat er iets om in een lichaam voordat er iets gebeurt.
De hand op de ogen
En dan het verschil waar ik het langst over heb gedaan.
Markus geeft hem een woord: ga.
Lukas geeft hem een bevel: zie op.
Mattheüs schrijft: hij raakte hun ogen aan.
Geen van de andere twee heeft een aanraking. Hier is het het enige wat er gebeurt.
Een oog is het deel van een lichaam dat zich het heftigst verdedigt. Een hand die naar je gezicht komt, laat je ogen dichtgaan voordat je het hebt besloten; dat is geen angst, dat is een reflex die onder alles zit. En wie niet ziet, ziet die hand niet aankomen. Er is geen moment waarin je je kunt voorbereiden, geen inschatting van hoe ver hij nog is. Hij is er pas als hij er is.
Dat is wat deze twee overkomt. Ze hebben geroepen, ze zijn bestraft, ze hebben harder geroepen, ze zijn geroepen, ze hebben gevraagd — en wat er dan komt, komt aan op de ene plek die ze niet kunnen beschermen en niet kunnen zien naderen.
Van alle plekken waar een hand kan landen, kiest hij de plek die het niet wil.
Het geloof dat hij eruit heeft gehaald
Hier moet ik terug naar hoofdstuk 9, want Mattheüs heeft dit verhaal al eens verteld.
In 9:27-31 volgen hem twee blinden. Ze roepen: heb medelijden met ons, zoon van David. Hij raakt hun ogen aan. En wat hij dan zegt is: naar uw geloof zal het u gebeuren. Daarna verbiedt hij hun het te vertellen, en ze vertellen het in heel dat land.
Dezelfde evangelist. Twee blinden, dezelfde schreeuw, dezelfde titel, dezelfde aanraking.
En in hoofdstuk 20 is het woord geloof eruit. Er staat niets over hun vertrouwen, niets over wat zij hebben meegebracht. Markus en Lukas hebben op die plek allebei: je geloof heeft je behouden. Mattheüs, die het de eerste keer wél zo schreef, zet er de tweede keer de ingewanden en de hand.
Tussen hoofdstuk 9 en hoofdstuk 20 ligt de hele weg naar Jeruzalem. Drie keer is er onderweg gezegd wat daar gaat gebeuren. En aan het eind van die weg schrijft hij hetzelfde verhaal nog een keer, en haalt de zin eruit waarin de mens nog iets inbrengt.
Er staat ook geen verbod meer. In hoofdstuk 9 moesten ze zwijgen en spraken ze; in hoofdstuk 20 wordt hun niets opgelegd en volgen ze.
Wat open blijft
Ik weet niet waarom hij het heeft weggelaten.
Het kan zijn dat hij onderweg tot de slotsom is gekomen dat het hun geloof niet was. Dat deze twee niets hadden om in te brengen, dat ze alleen een plek hadden waar ze zaten en een stem, en dat het woord geloof daar te veel van maakt.
Het kan ook zijn dat hij het aan het eind van die weg niet meer kon opschrijven. Dat de zin die in hoofdstuk 9 nog kon staan, niet meer paste zo kort voor Jeruzalem, waar niemands geloof iets heeft tegengehouden.
Wat er staat, laat die twee lezingen naast elkaar bestaan, en er is in de tekst niets wat de ene boven de andere uittilt.
Wat er wel staat, is een hand.
De blinden voor Jericho – serie:
1) Lucas 18: 35-43 Van de weg leven
2) Marcus 10: 46-52 Twee keer dezelfde man
3) Mattheüs 20: 29-34 Twee en twee
4) De blinden van Jericho
5) Die vooropgaan

