De slaper – vers 14
Efeziërs 5:14 :
11 En neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmasker ze veeleer.
12 Want wat heimelijk door hen gedaan wordt, is te schandelijk om zelfs maar te vertellen.
13 Maar al deze dingen komen openbaar als ze door het licht ontmaskerd worden; want al wat openbaar maakt, is licht.
14 Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.
Het vers begint met een aanhalingsteken dat nergens naartoe wijst. Daarom zegt Hij — al staat er in de grondtekst geen onderwerp bij, zodat het net zo goed kan zijn: daarom zegt het. In deze brief is die formule eerder gebruikt, in 4:8, en daar opende ze een citaat uit Psalm 68. Wie 5:14 hoort, verwacht dus Schrift. En dan komt er een zin die in geen enkele rol te vinden is. Niet in Jesaja, niet in Daniël, niet in de Psalmen. De schrijver citeert iets wat niet geschreven staat.
Dat is het eerste wat er ligt, nog voor de inhoud: een tekst die zichzelf presenteert als ouder dan zichzelf. Er wordt aangehaald wat de gemeente al zong. Enkele verzen verderop, in 5:19, staat dat ze elkaar toespreken in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen — en het lied dat daar wordt aanbevolen, is in 5:14 al geciteerd. De brief bevat zijn eigen voorbeeld. Wat in de nacht gezongen werd door een handjevol mensen in een havenstad, wordt hier ingevoegd met de formule die voor de Wet gereserveerd was. Iemand heeft besloten dat het spreken van God ook door de keel van de gemeente gaat, en dat dat dezelfde status heeft.
Er is verzet mogelijk tegen die gedachte, en het is oud verzet. Openbaring, zo luidt het, ligt vast. Maar deze zin ligt niet vast; hij zingt. En hij wordt geciteerd zoals je een steen citeert.
Sta op
Er staan twee gebiedende wijzen, en de tweede is grammaticaal fout. De correcte vorm in het Grieks is langer; wat er staat is een verkorte, spreektalige variant, het soort vorm dat je hoort en niet schrijft. Ze komt in het hele Nieuwe Testament nauwelijks voor. In Handelingen 12, waar een engel Petrus in de dodencel wakker maakt, staat ze. En in de Griekse vertaling van Jona 1.
Die tweede is het spoor.
Jona ligt in het ruim van het schip. Hij is naar beneden gegaan — de tekst herhaalt dat werkwoord obsessief: hij daalde af naar Jafo, daalde af in het schip, daalde af in het achterschip, en viel in een verdoving. Boven hem breekt de storm, beneden hem slaapt hij. En dan komt de kapitein, een heiden, een man die de God van Israël niet kent, en die zegt tegen de profeet: sta op, roep tot je God. Precies dezelfde afwijkende vorm.
De profeet slaapt en de vreemdeling wekt hem. Niet God wekt hem, niet de engel, niet de vis. De man die zijn naam niet weet.
In Handelingen 12 ligt Petrus geketend tussen twee soldaten, de nacht voor zijn executie, en hij slaapt. Er valt licht in de cel, iemand stoot hem in de zij, sta op, snel, en de ketenen vallen van zijn handen. Ook daar: slaper, licht, dat ene rare werkwoord, en iets wat losraakt.
Wie in Efeziërs 5:14 zingt, zingt in die vorm. Niet in de vorm van de Schrift, maar in de vorm waarin je iemand ’s nachts wakker schudt.
Twee bevelen die niets te doen geven
Er staat niet “slaper” maar “de slapende”, met lidwoord — een aanspreking van een categorie. Wie het ook is die slaapt.
En het gebruikte woord voor slapen is het gewone. Het Grieks had daarnaast een eufemisme voor doodgaan dat letterlijk insluimeren betekent; daar komt ons woord voor begraafplaats vandaan, de slaapplaats. Dat woord staat hier niet. Er staat het gewone woord voor wat je ’s nachts doet. De aangesprokene ligt niet symbolisch in het graf; hij ligt in bed. En tegen die man wordt gezegd: sta op uit de doden.
In Marcus 5 gebeurt precies het omgekeerde. Daar ligt een meisje dat dood is, en er wordt gezegd: ze is niet gestorven, ze slaapt — met datzelfde gewone woord. De ene beweging maakt van een dode een slaper. De andere maakt van een slaper een dode. Beide keren volgt de opdracht om op te staan; bij Marcus zelfs in de oorspronkelijke taal bewaard, talitha koem.
De Talmoed zegt dat slaap een zestigste van de dood is. Een zestigste — een verhouding waarin iets nog niet werkzaam is, waarin de smaak nog niet doorkomt. Efeziërs 5:14 rekent die verhouding niet uit maar heft haar op. Wie ligt te slapen, ligt bij de doden. Niet als vergelijking; als plaatsbepaling.
En dan: er wordt niets opgedragen. Beide werkwoorden zijn onovergankelijk. Er is geen object, geen handeling, geen prestatie. Wakker worden en opstaan uit de dood zijn de twee dingen die een mens per definitie niet zelf kan doen — je kunt jezelf niet wekken, want om het besluit te nemen zou je al wakker moeten zijn. Het bevel is onuitvoerbaar, en dat is geen zwakte van de tekst.
Drewermann heeft levenslang volgehouden dat de kerk haar teksten heeft omgebogen tot eisen, en dat de eis precies datgene is wat de mens in zijn angst vastzet. Wie tegen een verlamde zegt: loop, voegt aan de verlamming schuld toe. Zo is dit vers eeuwenlang gelezen, als morele aansporing binnen een hoofdstuk vol vermaningen: wees geen dronkaard, wees geen ontuchtige, word wakker. Maar de zin is grammaticaal ontworpen om dat te weigeren. Twee bevelen zonder inhoud, en dan, als derde, het enige werkwoord dat geen gebod is: Christus zal over u lichten — toekomende tijd, mededelend. Er wordt niets meer gevraagd. Er wordt iets aangekondigd.
De twee onmogelijke bevelen zijn er dus niet om gehoorzaamd te worden. Ze doen wat ze zeggen, zoals “Lazarus, kom naar buiten” geen verzoek was aan een lijk. Het woord maakt de wakkerheid waar het om vraagt. Wie het hoort, is al aan het opstaan — het horen is het opstaan.
De maan die niet schijnt
Dat laatste werkwoord, lichten over, komt in het hele Nieuwe Testament alleen hier voor. Een enkele westerse getuige leest zelfs een ander werkwoord dat maar één letter scheelt: je zult Christus aanraken. Kopiisten konden het blijkbaar niet thuisbrengen.
Waar het wél voorkomt, is de Griekse vertaling van Job. Op de ene plaats gaat het over de zon die opgaat. Op de andere staat: als hij de maan bevel geeft, dán schijnt zij niet. Precies dit werkwoord, gebruikt voor het lichaam aan de hemel dat geen eigen licht heeft en dat het zijne kan verliezen.
Het is bovendien verwant aan het werkwoord voor het aanbreken van de dag — het woord dat gebruikt wordt in de zin waarmee de vrouwen bij het graf aankomen, toen het licht begon te worden op de eerste dag.
Er wordt dus niet gezegd dat Christus je beschijnt zoals een lamp een kamer. Er wordt gezegd dat hij over je heen dag wordt. En het voorzetsel dat erin zit betekent: óver, bovenop. Het licht komt niet in je maar op je.
Nog iets. Het hele hoofdstuk staat in het meervoud — jullie waren duisternis, wandelt als kinderen van het licht. Bij dit ene woord versmalt de aanspraak tot enkelvoud: over jóu. Eén persoon tegelijk.
Wie de vroege gemeente kent, weet waar dat gebeurde. De dopeling stond in het water bij het aanbreken van de paasnacht, met het gezicht naar het oosten, en de doop heette verlichting. Justinus noemt het zo, en de Hebreeënbrief spreekt van hen die eenmaal verlicht zijn.
Wat gebeurt er met iemand die ’s nachts uit het water komt en over wie een groep mensen zingt dat hij dood was? Hij hoort zijn eigen toestand voor het eerst benoemd door anderen. Niet zijn zonden — zijn dood. Dat een mens jarenlang kan bestaan in een toestand die van binnenuit voelt als leven en van buitenaf te zien is als slaap, is het eigenlijke schandaal van dit vers. De slaper weet niet dat hij slaapt. Dat is de definitie. En daarom kan de wekroep alleen van buiten komen, uit een keel die niet de zijne is — van een heidense kapitein, van een engel in een cel, van een gemeente die staat te zingen in het donker.
Licht en huid
Onder het Grieks ligt Hebreeuws, en daar wordt het krap.
Het Hebreeuwse woord voor licht en het Hebreeuwse woord voor ontwaken klinken vrijwel gelijk. Ze delen twee van hun drie letters, en het verschil zit hem in de eerste — die in beide gevallen een letter is die je niet uitspreekt.
Maar met die drie letters van ontwaken is meer aan de hand. Exact dezelfde drie letters vormen ook het woord voor huid. En ook het woord voor blind. Huid, blind en ontwaken zijn in het Hebreeuws één en dezelfde spelling.
En dan Genesis 3:21, waar God na de val voor de mens kleren van huid maakt. De midrasj vertelt dat in de Torarol van rabbi Meïr op die plek iets anders stond: kleren van lícht — één letter verschil, precies die stille beginletter. De val is dan de verwisseling van de ene stille letter voor de andere: van de letter die één betekent, naar de letter die oog betekent en de waarde zeventig draagt, het getal van de volkeren, van de veelheid, van de verstrooiing.
Wat de mens sindsdien aanheeft, is een omhulsel dat tegelijk blind heet. En in datzelfde omhulsel, in exact dezelfde letters, ligt het woord ontwaken te wachten.
Efeziërs is de brief van de kleding. Uittrekken van de oude mens, aantrekken van de nieuwe in 4:22-24; het aandoen van de wapenrusting in hoofdstuk 6. Daartussenin staat 5:14, met dat voorzetsel: het licht komt óver je. Op de huid. Het gewaad van licht komt over het gewaad van huid te liggen, zonder dat de huid verdwijnt.
Slaap en jaar
Het Hebreeuwse woord voor slaap en het Hebreeuwse woord voor jaar zijn met dezelfde letters geschreven. En dezelfde wortel betekent daarnaast: herhalen, nog eens doen, veranderen. Het woord voor twee komt er ook vandaan.
Weinreb bleef zijn leven lang bij dit soort samenvallen staan, omdat hij ze niet als toeval kon lezen. Slaap, jaar, herhaling en tweeheid dragen in het Hebreeuws één lichaam. En de getalswaarde van die letters is 355. Het maanjaar telt 354 of 355 dagen.
De slaap is dus de maantijd. Het rond gaan van iets wat geen eigen licht heeft, het jaar dat terugkeert waar het begon, de herhaling waarin niets nieuws gebeurt en die van binnenuit voelt als leven omdat er beweging in zit. Een mens kan decennia in zo’n jaar leven: hetzelfde conflict in een nieuwe relatie, hetzelfde vastlopen in een nieuwe baan, dezelfde zin in andere woorden. Beweging genoeg. Geen richting.
En het werkwoord dat over die maan gaat schijnen, is het werkwoord uit Job dat zegt dat de maan níet schijnt.
Ik slaap maar mijn hart waakt
Hooglied 5:2. De bruid slaapt, en van binnen is iets in haar wakker, en buiten staat de geliefde te kloppen: doe open, mijn zuster, mijn hoofd is vol dauw, mijn haren vol druppels van de nacht. Ze staat niet op. Ze heeft haar kleed al uitgetrokken, ze heeft haar voeten al gewassen. Tegen de tijd dat ze opendoet, is hij weg.
Het is de meest precieze beschrijving van halfslaap in de Schrift, en de joodse mystiek heeft haar altijd gelezen als de toestand van de ballingschap: het wachtende, het afgesnedene, dat wel weet en niet opstaat. Mijn hart waakt — en dat woord voor waken is hetzelfde woord dat in ontwaken zit, en in huid, en in blind.
En in Efeziërs 5 staat direct na de wekroep de bruiloft. Vanaf vers 22 gaat het over man en vrouw, over het hoofd en het lichaam, over de bruidegom die zijn bruid wast met het waterbad, over het mysterie van de twee die één vlees worden. De wekroep en het bruiloftslied staan in één hoofdstuk, in die volgorde, en de tussenverzen — wees niet dronken van wijn, zing, dank, wees elkaar onderdanig — zijn wat er tussen ontwaken en verenigen ligt.
De diepe slaap
Dan doet het hoofdstuk iets waar ik pas na lang kijken bij ben blijven staan.
In 5:31 wordt Genesis 2:24 geciteerd: daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn. Het hoofdstuk dat opent met “ontwaak, slaper” eindigt in het vers dat direct volgt op de diepe slaap van Adam.
Want daar komt de tweeheid vandaan. God liet een verdoving vallen over de mens, en uit die verdoving kwam de gescheidenheid. Het is hetzelfde woord als de verdoving die over Abram viel toen het donker werd bij het verbond tussen de stukken, en dezelfde waarin Jona lag in het ruim.
De mens is in slaap gevallen en werd twee. En het hoofdstuk zegt: word wakker — en zet daar de vereniging van de twee achteraan. Niet als moraal over het huwelijk, en zelfs niet in de eerste plaats als beeld van Christus en de gemeente, hoewel het dat óók wordt genoemd. Als beweging. De slaap is waar de twee uit voortkwam. Het ontwaken is waar de twee naartoe gaat.
Wat in de praktijk betekent dat het huwelijk in dit hoofdstuk geen afspraak is tussen twee wakkere individuen die besluiten hun leven te delen. Het is de plaats waar de scheiding die in die verdoving ontstond weer aan het licht komt, met alles wat daaraan vastzit. Twee slapers die met elkaar trouwen bouwen hun maanjaar samen verder. Dat gaat jaren goed, in de zin dat er beweging is.
En dan staat er, in 5:32, dat dit mysterie groot is.
Van onderen
De joodse mystiek heeft voor de beweging in dit vers een technische term, en die term is dit woord.
Zij spreekt van het ontwaken van beneden en het ontwaken van boven — met precies het werkwoord uit onze tekst. Het is de vaste omschrijving van hoe eenwording tot stand komt: er is een beweging van beneden nodig, hoe klein ook, en die trekt de beweging van boven aan. Zonder de eerste komt de tweede niet. Zonder de tweede blijft de eerste een oprisping.
Efeziërs 5:14 heeft exact die bouw. Twee bewegingen van beneden — word wakker, sta op — en dan, als gevolg en in de toekomende tijd: en Christus zal over je dagen. Het is niet zo dat de mens zijn verlichting verdient. Het is ook niet zo dat het licht komt zonder dat er iemand overeind komt. De ontroerende onmogelijkheid van dit vers is dat het van de slaper het enige vraagt wat hij niet kan, en dat het vragen zelf de beweging van beneden ís.
Degene die wordt aangesproken is in deze taal de ontvangende kant. De maan. Het koninkrijk dat geen eigen licht heeft en alles doorgeeft, dat in ballingschap slaapt, en van wie Jesaja 60 zegt: sta op, word licht, want uw licht komt. Waarbij het Hebreeuwse word licht niet te onderscheiden is van mijn licht. De gebiedende wijs en het bezittelijk voornaamwoord vallen samen. Je wordt bevolen te zijn wat al van hem is.
Licht en geheim
Nog één getal. In het Hebreeuws heeft elke letter een getalswaarde. De letters van het woord voor licht tellen op tot 207. De letters van het woord voor geheim ook.
Licht en geheim wegen hetzelfde. Wat oplicht wordt niet doorzichtig; het wordt geheim in de betekenis van: het is er, en het is niet te bezitten. Dat is precies het verschil met de opvatting waarin verlichting inhoudt dat je iets begrijpt.
Efeziërs gebruikt het woord geheim zes keer, meer dan enige andere brief. In 1:9 gaat het over het geheim van zijn wil, in 3:3 over wat hem bekend is gemaakt, in 3:9 over wat eeuwen verborgen was, in 6:19 over wat verkondigd moet worden, en in 5:32, veertien verzen na de wekroep, over de twee die één vlees zijn. Het licht in vers 14 en het geheim in vers 32 dragen hetzelfde gewicht.
En het Hebreeuwse woord waarmee je iemand overeind roept — sta op — telt op tot 146. Net als het woord voor wereld, dat tegelijk eeuw betekent en van dezelfde wortel komt als het verborgene. De wereld heet naar wat er niet uitkomt. En het woord waarmee je iemand overeind roept, weegt hetzelfde als de wereld waarin hij ligt.
Het vers meldt niet dat de slaper opstond. Er staat een aansporing en een belofte, en daar houdt het op. In Handelingen 20 zit in Troas een jongen in het venster terwijl Paulus doorpraat tot na middernacht, en hij zakt weg in een diepe slaap en valt drie hoog naar beneden, en ze rapen hem dood op, en hij wordt teruggegeven, en dan praten ze door tot het licht wordt. Zelfs in dat verhaal, waar het wél gebeurt, wordt over de jongen daarna geen woord meer gezegd.
De gemeente zong dit over mensen die uit het water kwamen, in het donker, met het gezicht naar het oosten, op het uur dat je nog niet kunt zien of het al begint.
Lees verder:
Efeziërs 5:11-14 : SERIE
11 En neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmasker ze veeleer.
12 Want wat heimelijk door hen gedaan wordt, is te schandelijk om zelfs maar te vertellen.
13 Maar al deze dingen komen openbaar als ze door het licht ontmaskerd worden; want al wat openbaar maakt, is licht.
14 Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.
