Er is geen derde plaats – vers 11
Efeziërs 5:11 :
11 En neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmasker ze veeleer.
12 Want wat heimelijk door hen gedaan wordt, is te schandelijk om zelfs maar te vertellen.
13 Maar al deze dingen komen openbaar als ze door het licht ontmaskerd worden; want al wat openbaar maakt, is licht.
14 Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.
De brief zonder adres
In de oudste handschriften die we van deze brief hebben, staat Efeze er niet in.
De papyrus die het dichtst bij het origineel komt, en de twee grote vierde-eeuwse codices die daarna volgen, lezen in het openingsvers alleen: aan de heiligen die zijn, en gelovig in Christus Jezus. Er valt een gat waar een plaatsnaam hoort. Latere kopiisten hebben dat gat gevuld met de naam van de stad, en Marcion kende blijkbaar een versie die aan Laodicea was gericht.
Dat is meer dan een voetnoot. Het verklaart iets wat je bij lezing meteen opvalt en zelden hardop wordt gezegd: er staat in deze brief geen enkel conflict. Geen ruzie over besnijdenis, geen partijen, geen namen, geen adressen, geen groeten aan mensen die de schrijver kent — terwijl Handelingen vertelt dat hij daar drie jaar heeft gewoond, langer dan waar ook. Iemand die drie jaar in een stad heeft gewerkt en er dan aan schrijft, noemt mensen. Hier gebeurt dat niet.
De meest waarschijnlijke verklaring is dat dit een rondzendbrief was, bestemd voor een reeks gemeenten in de provincie Asia, waarbij de bode de plaatsnaam invulde waar hij aankwam. Wat we lezen is dus niet een gesprek met één gemeente over hun probleem, maar iets algemeners: een tekst die geschreven is om in verschillende steden te passen. Dat maakt de vermaningen in hoofdstuk vier tot zes minder toevallig dan ze lijken. Wat hier aan de orde komt, kwam overal aan de orde.
Over de schrijver wordt al twee eeuwen gediscussieerd — de zinnen zijn langer, plechtiger en liturgischer dan in de onbetwiste brieven, en het verwante Kolossenzen loopt er op honderden plaatsen parallel mee. Voor het lezen van hoofdstuk vijf verandert dat weinig. Wat wél telt is de plaats van waaruit geschreven wordt: driemaal noemt de tekst gevangenschap, en aan het slot staat het als een grap die geen grap is — gezant in ketenen.
Wat voor stad
Efeze was de havenstad van de provincie, met een tempel die tot de zeven wereldwonderen werd gerekend en die tegelijk functioneerde als bank: er lag geld van de hele regio, en de Artemis van Efeze was daarmee ook een economie. Toen Paulus daar volgens Handelingen 19 te lang succes had, kwam het oproer niet van priesters maar van zilversmeden, die zagen dat hun omzet in miniatuurtempeltjes terugliep.
Diezelfde stad stond bekend om haar magie. De Efezische letters waren een stel formulewoorden die je op amuletten droeg, en het is in Efeze dat volgens Handelingen mensen hun toverboeken verbrandden voor een bedrag waar iedereen even van moest bijkomen. Het is de wereld van bezwering: van pogingen om met verborgen woorden greep te krijgen op wat je overkomt.
Dat is de achtergrond waartegen deze brief het over machten heeft, over overheden en krachten in de lucht, en waartegen hij eindigt met een wapenrusting. En dat is de stad waarin je ’s nachts dingen deed die je overdag niet had gedaan, omdat de nacht in een antieke stad zonder verlichting een andere plaats was dan dezelfde straat bij daglicht.
De naad in de brief
De brief valt in twee helften uiteen, en de naad is scherper dan bij enige andere brief in het Nieuwe Testament. In hoofdstuk één tot drie staat geen enkel gebod. Er wordt alleen gezegd wat er gebeurd is. Vanaf hoofdstuk vier staat vrijwel niets anders dan geboden.
Het scharnier is één werkwoord: rondlopen, je gang gaan — wandelen, in de oudere vertalingen. Het staat er zeven keer. In hoofdstuk twee wandelden ze eertijds naar de eeuw van deze wereld; even verderop zijn er werken bereid om in te wandelen. Hoofdstuk vier opent met de oproep waardig te wandelen, en zegt kort daarna dat ze niet langer moeten wandelen zoals de heidenen. In hoofdstuk vijf staat het driemaal: wandelt in liefde, wandelt als kinderen van het licht, ziet dus nauwkeurig hoe u wandelt.
Alles wat in deze brief gevraagd wordt, gaat over lopen. Niet over overtuiging, niet over ervaring, niet over binnenkant. Over de manier waarop iemand zich door zijn dagen beweegt.
Het gedeelte waarin ons vers staat, begint bij 5:3 en gaat over de mond — over wat er gezegd en gelachen wordt. Halverwege komt een waarschuwing die verraadt dat er iets in omloop was: laat niemand u misleiden met lege woorden. Er werd dus iets bewéérd, door iemand, en het lijkt erop dat het geruststellend klonk. Wat volgt is het antwoord daarop, en dat antwoord loopt via het licht in vers 8 naar de drie verzen 11, 12 en 13, en eindigt in een lied.
Daarna gaat het hoofdstuk over de tijd, over de wijn, over het zingen, en dan over man en vrouw en het geheim dat groot genoemd wordt. De brief eindigt in de wapenrusting.
Vers 11 is de eerste keer in dit hoofdstuk dat er iets van de lezer wordt gevraagd wat hem iets kost.
Hou op
Het Grieks kent twee manieren om iets te verbieden. De ene waarschuwt vooraf: begin er niet aan, laat het niet gebeuren. De andere onderbreekt iets wat al loopt: hou op, stop ermee. Hier staat de tweede.
De mensen aan wie dit geschreven wordt, doen dus mee. Niet in gedachten, niet als risico dat op de loer ligt — op het moment dat de brief wordt voorgelezen, in de kamer waar hij wordt voorgelezen.
En het werkwoord dat gebruikt wordt, kennen we van de andere kant. Het is gevormd uit het woord voor gemeenschap: precies het woord waarmee wordt beschreven wat de gelovigen met elkaar delen. Daar is nog eens een voorvoegsel voor gezet dat samen betekent, zodat er iets staat als mede-gemeenschap hebben. Aan de gemeente in Filippi wordt datzelfde werkwoord gebruikt om te zeggen dat zij er goed aan deden mee te delen in zijn verdrukking. Er is niets in dit woord dat op zichzelf donker is. Het beschrijft alleen dat er iets samen wordt gedragen.
Dat is de eerste laag: de werken van de duisternis hebben een eigen gemeenschap. Ze worden niet alleen gedaan. Ze worden gedeeld, en het delen is wat ze draagbaar maakt.
Werken en vrucht
Twee verzen eerder staat het woord waar alles om draait, en de tegenstelling loopt niet waar we haar verwachten. Vers 9 spreekt over de vrúcht van het licht, in alle goedheid en gerechtigheid en waarheid. Vers 11 over de wérken van de duisternis, en die werken heten vruchteloos.
Het donker maakt werken. Het licht draagt vrucht. Aan de ene kant iets wat gemaakt wordt en dus een maker vraagt, inspanning, herhaling, onderhoud. Aan de andere kant iets wat groeit uit wat er al staat en waar niemand aan trekt.
En dan dat onbarmhartige woord: die werken leveren niets op. Dat is een zwaardere aanklacht dan dat ze slecht zouden zijn, want slechte dingen kunnen tenminste iets opbrengen — dat is meestal de reden dat ze gedaan worden. Hier staat dat er hard wordt gewerkt aan iets wat nergens in uitkomt.
Deze brief heeft eerder over werken gesproken, in hoofdstuk 2: niet uit werken, opdat niemand roeme. En direct daarna: wij zijn zijn maaksel, geschapen tot goede werken, die God tevoren bereid heeft opdat wij daarin zouden wandelen. Werken die van tevoren klaarliggen en waarin je alleen nog moet gaan lopen. Er is dus een soort doen dat niet gemaakt hoeft te worden. Wat in het donker gebeurt, moet elke keer opnieuw worden opgebouwd.

Het hart dat dichtging
Waar dat verschil vandaan komt, staat zeven verzen eerder. In 4:18 wordt de duisternis omschreven als verduisterd zijn in het verstand en vervreemd van het leven van God, en dan volgt de oorzaak: door de verharding van hun hart.
Het woord dat daar voor verharding staat, is in het Grieks een medische term. Het duidt de harde laag aan die over een breuk heen groeit terwijl het bot heelt, en de verkalking die een gewricht stijf en onbeweeglijk maakt. Het is niet het woord voor kwaadaardigheid, maar voor wat een lichaam aanmaakt om een beschadigde plek af te dekken.
Een hart verhardt dus niet omdat iemand slecht is. Het verhardt omdat er iets gebroken is en er iets overheen moest. En wat daarna gebeurt, is precies wat vers 11 beschrijft: er wordt nog steeds gewerkt, hard zelfs, maar er komt niets meer uit. Een dichtgegroeid hart kan wel maken. Laten groeien kan het niet meer.
Daarom staat er bij het licht geen werken maar vrucht. Vrucht komt uit een wortel, en de brief noemt die wortel bij naam: geworteld en gegrond in de liefde, staat er in 3:17, vlak voor de bede om te kennen wat alle kennen te boven gaat. Wat in het licht gebeurt, komt uit iets wat openstaat — uit een hart waar de laag eroverheen is weggehaald en dat daardoor weer ontvangen kan.
Het onderscheid in vers 11 loopt dan niet tussen goede en slechte daden. Twee mensen kunnen hetzelfde doen, in hetzelfde bedrijf, met dezelfde handen. De een werkt vanuit wat dicht moest blijven, en houdt daarmee in stand wat hem ooit heeft beschadigd. De ander werkt vanuit wat is opengegaan, en er groeit iets waar anderen van kunnen eten. (lees hierover ook: stromen-open-en-gesloten-hart

Wat er verwekt wordt
Het Hebreeuws heeft één woord dat inspanning en onrecht tegelijk betekent. Het is het woord voor zwoegen, voor de moeite van het werk — en het is het woord voor kwaad, voor onheil, voor wat je iemand aandoet. Prediker gebruikt het voor het levenswerk waar niets van overblijft. De psalm gebruikt het voor wat een mens uitbroedt.
Psalm 7 zegt het in de taal van de zwangerschap: hij gaat zwanger van dat zwoegen, hij is bevrucht met onheil, en hij baart bedrog. Jesaja 59 herhaalt het en gaat verder: zij verwekken diezelfde moeite en baren ongerechtigheid, zij broeden eieren van een adder uit — wie ervan eet sterft, en wat wordt stukgedrukt breekt open tot een slang.
Er is dus wél een vrucht. Er komt iets uit. Maar wat eruit komt, kan niet gegeten worden en plant zich uitsluitend voort als bedreiging. Vruchteloos betekent hier niet leeg. Het betekent: er groeit iets waar niemand van kan leven.
Dat hoofdstuk in Jesaja is trouwens dezelfde plek waar staat dat wij tasten langs de muur als blinden, dat wij struikelen op de middag als in de schemering, dat wij onder de sterken zijn als doden. Alles wat in Efeziërs 5 aan de orde komt, ligt daar bij elkaar — het donker, het tasten, de doden, het zwoegen dat niets voortbrengt. En het hoofdstuk erna opent met de opdracht om op te staan.
De bode zonder boodschap
Het gewone Hebreeuwse woord voor werk is met exact dezelfde letters geschreven als het woord voor bode, voor engel. De wortel eronder betekent: zenden.
Werk is in deze taal een zending. Iets wordt gemaakt en er gaat een boodschap mee de wereld in; het gemaakte staat ergens voor en komt ergens vandaan. Dat is ook wat op sjabbat wordt neergelegd — niet inspanning als zodanig, maar dit soort werk, de negenendertig handelingen waarmee de tabernakel werd gebouwd. Het scheppende werk stopt, één dag, en wat overblijft is de bode zonder boodschap in zijn handen.
Werken die niets zenden, zijn dan een tegenstrijdigheid in de taal zelf. Er wordt beweging gemaakt en niets afgeleverd. Dat is de precieze beschrijving van waar mensen hun leven aan besteden zonder het te weten: aan bezigheid die niets overbrengt, aan gesprekken die niets neerleggen, aan conflicten die elk jaar terugkomen omdat ze nergens aankomen.
Waarom niemand er zomaar mee ophoudt
Hier ligt de kern, en zij is systemisch, niet moreel.
Niemand doet mee aan de werken van de duisternis omdat hij ze mooi vindt. Mensen doen mee omdat wij ergens bij willen horen. We zijn bang om alleen te komen te staan. Het meedoen is de prijs van het lidmaatschap, en het lidmaatschap is ouder dan hun oordeel erover. Meestal veel ouder. Een gezin waarin over bepaalde dingen wordt gezwegen, een bedrijf waarin op een bepaalde manier over klanten wordt gepraat, een gemeente waarin een bepaald soort macht niet ter discussie staat — wie daar binnenkomt, doet mee voordat hij heeft nagedacht, en wat hij doet is loyaliteit.
Dat is wat het werkwoord zegt en wat “niet meedoen” verzwijgt. Er wordt gevraagd om uit een gemeenschap te stappen! En een mens kan niet uit een gemeenschap stappen door haar af te keuren; afkeuren is de manier waarop je binnenblijft met een schoon geweten.
Wie werkelijk stopt, verliest zijn plaats. Dat is geen risico van de beslissing maar de inhoud ervan. En daarom is dit bevel onmogelijk voor iemand die nergens anders bij hoort. Het is ook precies daarom dat het pas in hoofdstuk vijf staat. De eerste drie hoofdstukken van deze brief doen niets anders dan een ander toebehoren beschrijven: aangenomen, dichtbij gebracht, medeburgers, huisgenoten, samengevoegd, mede-erfgenaam, mede-lichaam, mede-deelgenoot. Datzelfde voorvoegsel dat in vers 11 aan de werken van de duisternis vastzit, staat in hoofdstuk twee en drie vijf keer aan het nieuwe huis vast.
De opdracht om ergens uit te stappen wordt pas uitgesproken als er ergens is om te staan. In die volgorde is zij draagbaar. Andersom is zij wreed.
Het voelt als schuld
Wat er gebeurt in een mens die begint af te haken van de groep waar hij bij hoort, wordt zelden herkend voor wat het is. Het voelt niet als groei. Het voelt als verraad.
Dąbrowski heeft dat beschreven als het uiteenvallen van een niveau dat tot dan toe klopte. Wie is opgegroeid in een omgeving met zijn eigen vanzelfsprekendheden, heeft die vanzelfsprekendheden niet aangenomen maar geërfd; ze vormen de vloer. Op het moment dat er een tweede maatstaf naast komt te liggen, breekt de vloer, en het lichaam meldt dat als angst en schuld — dezelfde signalen die het geeft bij werkelijke overtreding. Er is van binnenuit geen verschil te merken tussen “ik doe iets fout” en “ik hoor hier niet meer”.
Daarom stappen mensen zo vaak terug net op het punt waar het begint te lukken. Ze hebben de schuld gevoeld en die uitgelegd als bewijs dat ze verkeerd bezig waren.
En dan nog
Er staat aan het eind nog een klein woordje dat zich laat vertalen als: bovendien, sterker nog, ook nog. Ontmasker ze ook nog.
Niet meedoen is dus niet genoeg. Dat is de zin die het hele vers laat kantelen, want het overgrote deel van de mensen die dit vers ooit ter harte hebben genomen, is blijven staan bij de eerste helft. Zich afzijdig houden, zich niet inlaten met, zich terugtrekken uit. Een compleet vroom leven is op die halve zin gebouwd, maar de tweede helft haalt hem onderuit.
Er is een boek in het Nieuwe Testament dat de andere kant kiest. In Openbaring 18 staat hetzelfde zeldzame werkwoord over meedoen, en daar luidt de opdracht: gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen mede-deelgenoot wordt van haar zonden. Uittrekken. Weggaan uit de stad.
Efeziërs zegt dat niet. Efeziërs wordt geschreven aan mensen die in Efeze blijven wonen, aan wie geen enkele keer gevraagd wordt te vertrekken, en die te horen krijgen dat ze méér moeten doen dan zich onthouden.
Wat dat meerdere is, blijft in dit vers open. Er staat een werkwoord en geen methode. En de twee verzen die erop volgen laten zien waarom er geen methode kan staan: het ene sluit de mond, het andere haalt het onderwerp bij de mens vandaan. Wat er van hem gevraagd wordt, staat in vers 8, en het is geen handeling.
Er blijft daarmee één plaats over die het vers niet toestaat: de plaats van wie niet meedoet en verder niets. In het donker is dat de enige plek die volstrekt veilig aanvoelt, en het is de enige die hier niet wordt aangeboden.
Lees verder:
Efeziërs 5:11-14 : SERIE
11 En neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmasker ze veeleer.
12 Want wat heimelijk door hen gedaan wordt, is te schandelijk om zelfs maar te vertellen.
13 Maar al deze dingen komen openbaar als ze door het licht ontmaskerd worden; want al wat openbaar maakt, is licht.
14 Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.
