Wat de mond niet aankan – vers 12
Efeziërs 5:12 :
11 En neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmasker ze veeleer.
12 Want wat heimelijk door hen gedaan wordt, is te schandelijk om zelfs maar te vertellen.
13 Maar al deze dingen komen openbaar als ze door het licht ontmaskerd worden; want al wat openbaar maakt, is licht.
14 Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.
Er staat een klein woordje in dit vers dat alles draagt, en het is het woordje ook.
Er staat niet dat het schandelijk is wat er gebeurt. Er staat dat het schandelijk is om het ook maar te zéggen. De schande verplaatst zich van de daad naar de mond die haar noemt. Dat is een merkwaardige beweging, want gewoonlijk denken we dat het benoemen van iets vuils de spreker schoonwast — hij is immers degene die het aan de kaak stelt.
Dit vers zegt iets anders: er zijn dingen die de spreker aankleven zodra hij ze uitspreekt. Niet omdat hij ze goedkeurt. Omdat het uitspreken ze opnieuw laat gebeuren, in de ruimte tussen zijn mond en het oor van de ander.
Vier verzen eerder is dat al aangeraakt. Daar staan drie woorden voor spraak bij elkaar: vuilheid, dwaas gepraat, en een derde dat gevatheid betekent — letterlijk het vermogen om je makkelijk te keren, het talent van de goede verteller die een smerig verhaal zo brengt dat iedereen erom lacht. Het derde is het gevaarlijkste, en het is het enige dat in het Grieks een compliment was. Aristoteles noemde het een deugd.

Twee verborgenheden
Deze brief gebruikt het woord geheim vaker dan enige andere. Het geheim van zijn wil, het geheim dat eeuwenlang verborgen was in God, het geheim dat nu bekendgemaakt moet worden, en aan het slot de bede om het te mogen verkondigen met vrijmoedigheid. Er is in deze brief een verborgenheid die alleen bestaat om open te gaan.
En dan, in vers 12, een andere: wat in het verborgene gebeurt. Het woordje dat daar staat, komt in het hele Nieuwe Testament alleen op deze plek voor.
Beide zijn verborgen. Het verschil zit niet in de hoeveelheid duisternis maar in de richting waarin die duisternis beweegt. De ene verborgenheid ligt te wachten tot ze gezegd wordt en is niets zonder het zeggen. De andere houdt zichzelf in stand door niet gezegd te worden en zou ophouden te bestaan als ze in het volle licht moest doorgaan.
Wie in Efeze woonde, hoorde dat verschil scherper dan wij. De stad was vol mysteriën, en het technische woord voor wat daarin gebeurde betekende: het onuitsprekelijke, dat waarover je een eed had gezworen te zwijgen. De ingewijde ging ’s nachts naar binnen, onderging iets waarvan wij tot op vandaag niet precies weten wat het was — juist omdat het werkte, eeuwenlang, dat zwijgen — en kwam eruit als iemand die iets wist dat hij niet kon delen. De onmededeelbaarheid was niet het gevolg van de inwijding. Zij wás de inwijding. Wat je met niemand kunt delen, bindt je aan de enige mensen die het ook weten.
En dan schrijft iemand aan die stad een brief waarin het kernwoord van die cultuur, geheim, wordt overgenomen en omgedraaid: dit geheim wordt geschreeuwd. Dit geheim is er juist voor de buitenstaanders, voor de volkeren, voor wie er niet bij hoorde. In hoofdstuk 3 staat het onbeschaamd — het geheim is dat de heidenen mede-erfgenaam zijn. Er is een inwijding die geen deur heeft.

Het noemen van het onnoembare
De zin doet ondertussen zelf wat hij verbiedt. Hij zegt dat het schandelijk is erover te spreken, en spreekt daarmee. In de retorica heet die figuur: ik zal niet ingaan op — waarna men ingaat op.
Alleen gaat het hier nergens op in. Er komt geen enkel detail. Er komt geen enkele daad, geen enkele plaats, geen enkele naam. Wat er staat is uitsluitend: er is iets, het gebeurt, het is van hen, en het gaat hier niet worden verteld.
Het staat er dus wel, en het staat er leeg. Zwijgen zou de plek helemaal hebben weggelaten; hier wordt de plek opengehouden en niet ingevuld. Het gebeurde is daarmee erkend zonder dat het opnieuw wordt verteld.
Iedereen die met verhalen van mensen werkt, kent het verschil tussen die twee. Er is een vertellen dat het gebeurde neerzet, en er is een vertellen dat het gebeurde opnieuw laat draaien, in detail, met de spanning erin, tot de verteller en de luisteraar allebei ergens zijn waar ze niet horen. Het eerste heeft twee zinnen nodig. Het tweede kan een uur duren en is te herkennen aan het feit dat het niet ophoudt.
Hun kring
Door hen, staat er. Een derde persoon meervoud zonder duidelijk antecedent in de buurt — je moet terug naar vers 6, waar het over de zonen van de ongehoorzaamheid gaat.
Maar de vorm zelf zegt al genoeg. Wat in het verborgene gebeurt, gebeurt niet door iemand. Het gebeurt door hén (een groep). Het heeft een meervoud nodig.
Het Hebreeuws heeft daar een woord voor dat wij niet hebben. Eén en hetzelfde woord betekent geheim — en tegelijk: kring, raad, het besloten gezelschap waarin overlegd wordt. De psalm zegt dat de vertrouwelijke omgang van de Eeuwige is voor wie hem vrezen, en Job kijkt terug op de tijd dat die kring van God over zijn tent was. Waar wij “geheim” lezen, staat geen verborgen ding. Er staat een verborgen tafel waar je aan zit.
En daarom kan er ook een verkeerde aan zijn. Jakob zegt op zijn sterfbed over Simeon en Levi: laat mijn ziel niet in hun kring komen — en dat is exact hetzelfde woord. Er is een kring van bloed en er is een kring van God, en de taal maakt geen onderscheid.
Zo gelezen gaat vers 12 niet over de zonden van individuen die zich per ongeluk in het donker begeven. Het gaat over lidmaatschap. Er wordt aan een tafel gezeten. Dat het niet verteld mag worden, is niet de omstandigheid waarin die tafel bestaat; het is de maaltijd zelf. Wie meeweet zonder mee te doen, zit er al.
En dat is de reden dat het benoemen zo zwaar weegt. Wie navertelt, zet de tafel opnieuw, en nodigt de luisteraar uit.
Zeventig
De rabbijnen hebben voor dat woord een uitdrukking die iedereen kent en waarvan zelden wordt opgemerkt waar hij vandaan komt: de wijn gaat naar binnen, het geheim komt naar buiten.
De rekensom eronder is dit. In het Hebreeuws heeft elke letter een getalswaarde, en de letters van het woord voor geheim tellen op tot zeventig. De letters van het woord voor wijn ook. Wijn en geheim wegen precies hetzelfde. Vandaar dat gezegde, en het is geen woordspeling maar een vaststelling: wat de wijn binnenbrengt, drukt het geheim er in gelijke hoeveelheid uit.
Zes verzen na deze staat: word niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar word vervuld met de Geest — en spreek elkaar toe in psalmen en lofzangen, en zing.
Er staat dus tweemaal iets dat het geheim naar buiten haalt, en het onderscheid loopt niet tussen zwijgen en spreken. Het loopt tussen twee manieren waarop wat binnen zat eruit komt. De ene maakt de mond los en de mens onbeheerd, en wat eruit komt is precies het materiaal van vers 12. De andere vult tot er gezongen wordt, en wat er dan uitkomt is gericht — tot elkaar, staat er, niet over elkaar.
De brief verbiedt het uitkomen van het verborgene niet. Hij wijst een ander vat aan.

De schande die de dader beschermt
Dit vers is eeuwenlang gebruikt om precies het omgekeerde te doen van wat het zegt.
Het is te schandelijk om over te praten is de zin waarmee misbruik in gezinnen, gemeentes en instituten van generatie op generatie is dichtgehouden. De zin klinkt kies. Hij beroept zich op fatsoen, op de bescherming van de onschuldige oren, op het niet vuilmaken van de gemeenschap. En hij levert altijd hetzelfde resultaat: degene die het is aangedaan mag niet spreken, degene die het deed hoeft niets uit te leggen.
Schaamte werkt anders dan schuld. Schuld hecht zich aan wat je hebt gedaan en kan daarom worden opgelost — er is een daad, er is een herstel. Schaamte hecht zich aan wat je bent, en kent geen herstel, alleen bedekking. En omdat schaamte over het zijn gaat, slaat zij neer bij degene die het minst heeft gedaan. Kinderen nemen haar over. Zij weten niet wat er gebeurd is, maar zij weten dat er iets is waar niet over gesproken wordt, en zij concluderen wat elk kind concludeert: dat het aan hen ligt.
Het vers zegt niet dat de dáders onnoembaar zijn. Het vers erkent hun bestaan met zoveel woorden: door hen. En het vers ervoor draagt op wat er gebeurt aan het licht te brengen. Wat hier onuitspreekbaar wordt genoemd is het najagen van de daad in de vertelling, niet het feit dat zij plaatsvond en door wie.
Wat niet gezegd wordt, wordt gedragen
Het gebod om de naaste terecht te wijzen staat in Leviticus 19:17, één vers vóór het gebod hem lief te hebben als jezelf, en het heeft een motivering die zelden wordt meegeciteerd: en draag geen zonde om hem.
Leviticus 19:
16 (Exodus 23:1) U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan, u mag uw naaste niet naar het leven staan. Ik ben de HEERE.
17 (1 Johannes 2:9,11; 3:15) U mag in uw hart uw broeder niet haten. (Mattheüs 18:15; Lukas 17:3) U moet uw naaste zeker terechtwijzen, zodat u geen zonde op hem laadt.
18 (Mattheüs 5:39, 44; Lukas 6:27; Romeinen 12:19; 1 Korinthe 6:7; 1 Thessalonicenzen 5:15; 1 Petrus. 3:9) U mag geen wraak nemen of een wrok koesteren tegen uw volksgenoten, maar (Mattheüs 5:43; 22:39; Romeinen 13:9; Galaten 5:14; Jakobus 2:8) u moet uw naaste liefhebben als uzelf
Wie zwijgt, gaat het meedragen. Dat is geen morele uitspraak maar een beschrijving van wat er gebeurt in een systeem waarin iets een plaats heeft die het niet mag innemen. Het verdwijnt niet. Het verhuist. Het gaat zitten in iemand die er niets mee te maken had — een generatie verder meestal, in een lichaam dat symptomen ontwikkelt waar geen verhaal bij hoort, in een kind dat een last draagt waarvan het de herkomst nooit heeft gehoord.
Dat is de prijs die vers 12 niet noemt en die door vers 11 al is betaald. De opdracht staat er: breng het aan het licht. Vers 12 legt daar geen uitzondering op. Het legt er een grens in: wat aan het licht komt hoeft niet nagespeeld te worden om aan het licht te zijn.
Woorden die rotten
In hoofdstuk 4 staat een woord dat men meestal met “vuil” vertaalt, maar dat bedorven betekent — het is het woord voor vis die te lang heeft gelegen, voor fruit dat is omgeslagen, voor hout dat van binnen weg is. Laat zo’n woord niet uit uw mond komen.
Er zijn woorden die rotten in de mond die ze zegt. Niet doordat ze onwaar zijn. Doordat ze iets in leven houden dat had moeten sterven, en de mond is de plek waar dat leven wordt onderhouden.
Wat er dan wel gezegd moet worden, staat op diezelfde plaats: wat goed is tot opbouw, waar het nodig is, opdat het genade geeft aan wie het horen. Het criterium ligt niet bij de spreker en niet bij de inhoud. Het ligt bij wat het achterlaat in degene die het aanhoort.
En daarmee blijft dit vers zonder regel. Er is geen lijst van wat wel en niet gezegd mag worden, er is geen grens die van tevoren te trekken is. Er is alleen de vraag, telkens opnieuw en telkens ter plekke, of het uitspreken iets neerlegt of iets opnieuw laat rondgaan — en die vraag wordt beantwoord ná het spreken, door wat er in de kamer is veranderd.
Lees verder:
Efeziërs 5:11-14 : SERIE
11 En neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmasker ze veeleer.
12 Want wat heimelijk door hen gedaan wordt, is te schandelijk om zelfs maar te vertellen.
13 Maar al deze dingen komen openbaar als ze door het licht ontmaskerd worden; want al wat openbaar maakt, is licht.
14 Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.
