Niemand doet het – vers 13
Efeziërs 5:13 :
11 En neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmasker ze veeleer.
12 Want wat heimelijk door hen gedaan wordt, is te schandelijk om zelfs maar te vertellen.
13 Maar al deze dingen komen openbaar als ze door het licht ontmaskerd worden; want al wat openbaar maakt, is licht.
14 Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.
De tweede helft van dit vers kan twee dingen betekenen die elkaars tegendeel zijn, en de grondtekst laat niet uitmaken welke.
De werkwoordsvorm die er staat, kan lijdend of wederkerend gelezen worden, en in deze uitgang vallen die twee samen. Lijdend gelezen staat er: al wat openbaar gemaakt wórdt, is licht. Wederkerend gelezen staat er: al wat openbaar máákt, is licht. De Herziene Statenvertaling kiest het tweede. De meeste moderne vertalingen kiezen het eerste.
Het verschil is niet klein. In de ene lezing gaat het over de bron: alleen licht kan iets aan het licht brengen, en daarmee is de zin vooral een aanduiding van het gereedschap. In de andere gaat het over wat er met het onthulde gebeurt: het ondergaat een verandering van substantie op het moment dat het gezien wordt. Wat tevoorschijn komt, komt niet alleen tevoorschijn — het wordt van licht.
Kopiisten en vertalers hebben zestien eeuwen tussen die twee heen en weer bewogen, en er is geen tekstkritisch argument dat het beslecht. Dat is het eerste wat hier ligt: de zin die over openbaar worden gaat, blijft zelf gesloten.
Een zin die niet redeneert
Er staat want. Vers 13 geeft dus een reden. De reden waarom alles wat ontmaskerd wordt zichtbaar wordt, is dat alles wat zichtbaar wordt licht is.
Als redenering is dat waardeloos. Het herhaalt de bewering in andere volgorde.
Maar in het Grieks gebeurt er iets anders dan redeneren. Het werkwoord voor openbaar worden is rechtstreeks gevormd van het werkwoord voor schijnen, en het zelfstandig naamwoord licht komt uit diezelfde stam. Zichtbaar-worden en licht zijn in deze taal geen twee zaken waarvan de een de ander verklaart; het zijn twee vormen van hetzelfde woord. De zin bewijst niets. Hij legt een klank open die er al lag, en zegt: hoor je dat het hetzelfde is.
Het is de reden dat elke poging om dit vers logisch sluitend te maken hem kapot maakt. Hij werkt zoals een woordafleiding werkt. Wat aan het licht komt is licht, omdat aan-het-licht-komen en licht in de taal nooit uit elkaar zijn gegaan.
Wie het doet
Twee verzen eerder staat een gebiedende wijs in de tweede persoon meervoud: ontmaskert ze. Een opdracht aan mensen.
In vers 13 is die persoon verdwenen. Er staat een lijdende vorm en een handelend voorwerp: door het licht. Wie ontmaskert er? Het licht.
Daar zit de hele passage in. Tussen 11 en 13 wisselt het onderwerp van hand, en vers 12 legt uit waarom dat moest: het is schandelijk om zelfs maar te noemen wat er in het verborgene gebeurt. Er wordt dus opgedragen te ontmaskeren, en vervolgens verboden het te benoemen. Wie dat als één instructie leest, komt vast te zitten. Wie het leest als twee bewegingen die op verschillende actoren slaan, ziet dat er niets is opgedragen aan de mond.
Vers 8 heeft al gezegd wat de gemeente ís: licht in de Heer. Geen positie, een substantie. En als het licht het ontmaskeren doet, dan doet degene die licht geworden is het door aanwezig te zijn. Niet door te spreken, niet door te confronteren, niet door het patroon te benoemen. Dat is oncomfortabeler dan de morele lezing, want in de morele lezing kun je iets doen en heb je invloed. Hier staat dat het gebeurt zodra iemand ergens is die niet meedoet aan het donker.
Iedereen die weleens in een kamer heeft gezeten met een mens die volledig eerlijk was, weet dat dit fysiek werkt. Er hoeft niets gezegd te worden. Er wordt van alles zichtbaar bij de anderen, en de eerlijke heeft niemand aangekeken.
Terechtwijzen
Ontmaskeren is in het Grieks een woord uit de rechtszaal en de filosofie: weerleggen, aantonen, iemand vastzetten op wat hij beweerde. Socrates deed niets anders. Maar de Griekse vertaling van het Oude Testament gebruikt datzelfde woord voor een Hebreeuws werkwoord met een heel andere lading, en dat is de lading die hier meekomt.
Dat werkwoord staat op een plek die ertoe doet. Leviticus 19: je zult je naaste beslist terechtwijzen, en geen zonde om hem dragen. Het vers daarna is: en je zult je naaste liefhebben als jezelf.
Het gebod dat in de hele westerse geschiedenis is losgemaakt van zijn context, heeft dus een vers vóór zich staan, en dat vers gaat over dit. Liefhebben als jezelf komt na het terechtwijzen, en het terechtwijzen wordt gemotiveerd met een reden die zelden wordt geciteerd: en geen zonde om hem dragen. Wie niet spreekt, gaat de last van de ander meedragen. Zwijgen is geen neutraliteit; het is overname.
Dezelfde wortel doet nog iets. In Job 9 zoekt Job iemand tussen hem en God — een scheidsrechter, iemand die zijn hand op beiden kan leggen — en dat woord is van deze stam gemaakt. Terechtwijzen is dan geen aanval maar bemiddeling: het brengen van twee partijen op één plek waar het waar kan worden. En in Jesaja 1 staat de wederkerige vorm ervan: laten wij het samen uitmaken. Waarna er volgt dat scharlaken wit zal worden als sneeuw.
Dat is precies wat vers 13 beweert. Het uitmaken van de zaak is de plaats waar de kleur omslaat. Niet de straf die erop volgt, niet het besluit dat erna genomen wordt. Het aan het licht komen zelf.
De angst voor het licht
Johannes 3 zegt het omgekeerd, en die omkering hoort erbij. Wie kwaad doet haat het licht en komt niet naar het licht, opdat zijn werken niet ontmaskerd worden. Wie de waarheid doet komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden.
Twee werkwoorden, dezelfde twee die in vers 13 op elkaar volgen, hier tegenover elkaar gezet. Wat gevreesd wordt heet ontmaskering. Wat gezocht wordt heet openbaring. Het gaat over hetzelfde gebeuren, en het verschil zit uitsluitend in de richting waarin de mens beweegt.
En dat verschil is niet moreel. Het is een kwestie van of je bang bent.
Wie het licht ervaart als datgene wat hem gaat betrappen, heeft ergens geleerd dat gezien worden gevolgd wordt door verlies — van liefde, van plaats, van bestaansrecht. Dat leer je vroeg en je leert het lichamelijk. Daarna is elk licht een schijnwerper. Drewermann heeft zijn leven lang volgehouden dat de kerk die angst niet heeft opgelost maar geëxploiteerd: dat zij het ontmaskeren in eigen hand nam, er een oordeel aan vastknoopte en zo van de openbaring een dreiging maakte. Wie ontmaskert om te veroordelen, houdt het donker donker en legt er schaamte overheen.
De brief zet het onderwerp daarom bij het licht. Niet bij de gemeente, niet bij de leiding, niet bij degene die het gezien heeft. Zodra een mens de ontmaskering ter hand neemt, is het geen licht meer maar een lamp die iemand op iemand richt, en dan geldt de wet uit dit vers niet: dan wordt wat zichtbaar wordt geen licht maar bewijsmateriaal.
Onthullen en verbannen
Het Hebreeuws heeft één woord voor onthullen en voor in ballingschap gaan. Openbaring en ballingschap zijn met dezelfde drie letters geschreven en komen van dezelfde stam.
Dat komt niet door slordigheid van de taal. Wat verborgen is, is ergens thuis. Het heeft een plek waar het bewaard wordt, en die plek is meestal een lichaam, een gezin, een generatie waar het is achtergelaten. Het ligt daar. Het houdt zich in stand door daar te liggen. En op het moment dat het tevoorschijn komt, verliest het zijn woonplaats. Het is dakloos.
Vers 13 vertelt niet wat dat kost. De zin is helder en snel: ontmaskerd, zichtbaar, licht. Maar tussen ontmaskerd en licht ligt een tussenruimte waar iets ronddoolt dat zijn schuilplaats kwijt is en zijn nieuwe gedaante nog niet heeft. Iedereen die ooit iets heeft uitgesproken wat twintig jaar niet was uitgesproken, kent dat uur daarna. Er is niets opgelost. Er is een huis afgebroken.
Dat de tekst dat overslaat, hoeft niet als tekort gelezen te worden. De belofte gaat over de uitkomst, niet over de doortocht. Maar wie de belofte gebruikt om de doortocht over te slaan, staat mensen iets te beloven wat hij niet kan waarmaken.
Belijden en danken
Er is nog een woord, en dat woord doet iets wat ik in geen westerse taal ken.
Het Hebreeuws heeft één werkwoord dat in de ene vorm betekent: belijden, toegeven, erkennen wat er is — en in de andere vorm: danken, loven. Hetzelfde werkwoord. Wie belijdt en wie dankt doen in deze taal dezelfde handeling.
Lea noemt haar vierde zoon naar dat woord en zegt erbij: deze keer zal ik de Eeuwige loven. Het is de zoon die overblijft, Juda, waar het volk zijn naam aan ontleent. In de joodse mystiek heet de plaats van dit woord glans of luister, en tegelijk overgave: het punt waar de tegenstand het opgeeft en juist daar begint te stralen.
Dit is wat het systemisch denken bedoelt met erkennen wat er is, en waarom dat erkennen zo vaak wordt misverstaan als een eerste stap richting oplossen. Het is geen stap. Het verandert niets aan het feit — de dode blijft dood, het verzwegen kind blijft verzwegen, de uitgestoten broer blijft uitgestoten. Wat verandert is de plaats die het inneemt. Iets wat wordt toegegeven, hoeft niet meer gedragen te worden, en op het moment dat het niet meer gedragen hoeft te worden, staat het er als iets waar dank aan vast kan zitten.
Wat openbaar wordt is licht. Niet omdat het mooi wordt. Omdat het ophoudt gewicht te zijn en gezicht wordt.
Wat de zin niet zegt
Alle werkwoorden in dit vers staan in de duurvorm. Terwijl het ontmaskerd wordt. Terwijl het zichtbaar wordt. Terwijl het tevoorschijn komt. Nergens een voltooide vorm. Nergens staat: en toen was het klaar.
Er staat een wet, geen gebeurtenis. Zoals de wet dat wat je loslaat valt — hij geldt altijd en zegt niets over wanneer je iets loslaat, en of je het zult doen.
En wanneer het licht komt, of over wie, laat het vers open. Het zegt alleen wat er met een ding gebeurt op het moment dat er licht op valt, en dat is minder dan een troost en meer dan een belofte.
Lees verder:
Efeziërs 5:11-14 : SERIE
11 En neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmasker ze veeleer.
12 Want wat heimelijk door hen gedaan wordt, is te schandelijk om zelfs maar te vertellen.
13 Maar al deze dingen komen openbaar als ze door het licht ontmaskerd worden; want al wat openbaar maakt, is licht.
14 Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.
