De vergelijking als gevangenis
(rechtvaardigheid en nijd)
Wat Mattheüs laat zien
Er is een man in de gelijkenis die alles goed heeft gedaan.
Hij is vroeg opgestaan. Hij heeft onderhandeld — niet passief gewacht maar een overeenkomst gesloten. Een denarius voor een dag werk. De heer van de wijngaard en hij zijn het eens geworden. Hij heeft gewerkt. Het hele etmaal. In de hitte van de dag — Mattheüs voegt dat detail toe omdat het de zwaarte benoemt, de inspanning, het lichamelijke bewijs van zijn inzet. Hij is niet iemand die klaagt zonder reden.
En als de avond valt en de heer de lonen uitbetaalt — hij begint bij de laatste, niet bij de eerste — krijgt de man die één uur heeft gewerkt een denarius. De man die het hele etmaal heeft gewerkt, ziet het. En hij denkt: dan krijg ik meer.
Dan krijgt hij ook een denarius.
En zij morden tegen den heer van den huize. Het Griekse woord is goggyzō — mopperen, brommen, het geluid van de ontevredenheid die niet hardop durft te worden maar ook niet kan worden ingeslikt. Het woord dat de Septuaginta gebruikt voor het morrende volk Israël in de woestijn. Niet de woede die confronteert maar het ressentiment dat circuleert.
Hij zegt: dezen, die maar één uur gewerkt hebben, hebt gij hun gelijk gesteld met ons, die den last des daags en de hitte gedragen hebben.
Gelijk gesteld. Dat is de zin die het mechanisme onthult. Niet: gij hebt mij tekortgedaan. Maar: gij hebt hen te veel gedaan. Zijn aanklacht is niet over zichzelf. Ze is over de ander. Mattheüs 20:12.
Wat er onder zit
De man heeft gekregen wat hij had gevraagd. De overeenkomst is nagekomen. De heer van de wijngaard zegt het met zoveel woorden: heb ik u geen onrecht gedaan. Hebt gij niet een penning met mij besproken?
En de man weet het. Hij weet dat er geen onrecht is gepleegd. Wat hij voelt, klopt niet met wat hij weet. En juist daarin — in de kloof tussen wat hij weet en wat hij voelt — zit de laag die dit mechanisme van alle andere onderscheidt.
De lege structuur voelt leeg omdat de inhoud ontbreekt. De persona voelt gespleten omdat het masker en het gezicht niet overeenkomen. De strategische deugd voelt hol omdat de linkerhand bijhoudt. Maar dit mechanisme voelt als onrecht terwijl er geen onrecht is.
En dat is precies het probleem.
Want als er geen onrecht is — als de overeenkomst is nagekomen, als hij heeft gekregen wat hem toekwam — dan heeft hij geen argument. Dan heeft zijn gevoel geen grond. Dan is de bron van zijn ontevredenheid niet wat hem is aangedaan maar wat hem is ontnomen als de ander krijgt wat hij niet had verwacht.
De verwachting. Dat is de wortel.
Hij heeft niet één overeenkomst gesloten — hij heeft twee overeenkomsten gesloten. De eerste was expliciet: een denarius voor een dag werk. De tweede was stilzwijgend, onuitgesproken, maar voor hem even bindend: meer werk betekent meer loon. De hiërarchie van verdienste. De wet dat inspanning wordt beloond in verhouding tot de grootte ervan. Die tweede overeenkomst heeft de heer van de wijngaard niet gesloten. Maar de man heeft haar gesloten — met zichzelf, op het moment dat hij de eersten zag ontvangen.
En die tweede overeenkomst is zijn werkelijke geloof. Niet de uitgesproken theologie — de geleefde overtuiging waarop zijn identiteit rust.
Carl Jung beschreef het schaduwwerk als het terugbrengen van het buitengeslotene naar het centrum van de persoonlijkheid. Maar er is een beweging die hij minder expliciet heeft benoemd: de projectie die niet het kwade in de ander plaatst maar het onverdiende. De mens die zijn schaduw niet buitensluit als iets slechts maar als iets wat hij niet verdient te bezitten — en die het dan des te harder bestrijdt als de ander het wél ontvangt.
De arbeider heeft niet geprojekteerd dat de ander lui is. Hij heeft geprojekteerd dat de ander onwaardig is. En het verschil tussen die twee is de diepte van dit mechanisme.
De nijd die zichzelf gerechtigheid noemt
Er is een Hebreeuws woord dat hier opkomt: kin’ah. Het wordt vertaald als jaloezie of ijver — maar het is preciezer dan beide. Kin’ah is de intensiteit van de reactie op wat een ander heeft wat jij niet hebt. Het kan productief zijn: kin’ah van de wijzen voor de wijsheid van de ander — de jaloezie die tot studie drijft. Maar het kan ook zijn: kin’ah die verstijft tot ressentiment. De blik die niet meer kijkt naar wat je hebt maar naar wat de ander heeft. Die niet meer vraagt: ben ik gelukkig met mijn denarius? maar alleen nog: verdient hij zijn denarius?
De Talmoed beschrijft kin’ah als een van de drie dingen die de mens uit de wereld verdrijven — samen met begeerte en eer. Niet omdat kin’ah op zichzelf slecht is, maar omdat ze het blikveld verandert. De mens die kin’ah draagt, kan niet meer zien wat hij heeft. Hij ziet alleen wat de ander heeft. En het leven — zijn eigen leven, zijn eigen werk, zijn eigen denarius — verschrompelt tot de achtergrond van een verhaal dat over de ander gaat.
De grote filosoof Spinoza noemde dit de tristitia die vergezeld gaat van de idee van een externe oorzaak — het verdriet dat zichzelf niet herkent als verdriet maar als aanklacht. De pijn die niet zegt: ik lijd, maar zegt: hij heeft mij dit aangedaan. De interne ervaring die onmiddellijk wordt omgezet in een externe claim.
En precies in die omzetting — precies in het moment waarop de innerlijke pijn een externe aanklacht wordt — verliest de mens zichzelf.
Want nu is zijn werkelijkheid niet meer zijn eigen beleving. Ze is het gedrag van de ander. Nu is zijn tevredenheid niet meer afhankelijk van wat hij heeft. Ze is afhankelijk van wat de ander niet heeft. En dat is een afhankelijkheid die nooit wordt vervuld — want de ander kan altijd meer krijgen, de ander kan altijd worden beloond op een manier die de hiërarchie van verdienste opnieuw verstoort.
De arbeider is niet bevrijd als de laat-gekomen arbeider zijn denarius teruggeeft. Hij is bevrijd als hij ontdekt waarom de denarius niet genoeg was op het moment dat de ander hem ook ontving.
De identiteit die verdwijnt als het verschil verdwijnt
Kazimierz Dąbrowski beschreef het laagste niveau van psychologische ontwikkeling als de toestand waarin de mens zijn waarden volledig ontleent aan zijn omgeving — niet door bewuste keuze maar door aanpassing. De mens op dit niveau weet wie hij is omdat het systeem hem vertelt wie hij is. Hij heeft een plek in de rangorde. Hij heeft zijn positie verdiend.
Maar er is een niveau net daarboven — het niveau van de beginnende desintegratie — dat Dąbrowski beschreef als het meest pijnlijke. De mens die begint te beseffen dat zijn identiteit afhankelijk is van het systeem, maar nog niet weet wie hij is buiten het systeem. Die fase kenmerkt zich door precies dit: de angst voor gelijkstelling. De woede als het verschil wegvalt. De paniek als de rangorde wordt verstoord.
De arbeider van het eerste uur staat op dit niveau. Hij voelt de desintegratie — zijn identiteit wankelt als de heer de laatste gelijkstelt aan de eerste. Maar in plaats van door die wankeling heen te gaan, verzet hij zich. Hij klaagt. Hij maakt van zijn ontevredenheid een aanklacht.
Dat is de hypocrisie van dit mechanisme. Niet het masker voor anderen — maar het masker voor zichzelf. Het gevoel van onrecht dat zichzelf niet herkent als angst. De aanklacht die zichzelf niet herkent als de verdediging van een identiteit die alleen kan bestaan bij gratie van het verschil.
Wat de heer van de wijngaard ziet
De heer zegt één zin die het mechanisme volledig blootlegt.
Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?
— het slechte oog. Hetzelfde woord dat Mattheüs gebruikt in hoofdstuk 6 voor het gespleten oog dat tegelijk kijkt naar wat er is en naar wat het oplevert. Het oog dat niet eenvoudig ziet maar berekent.
Het boze oog kijkt niet naar de eigen denarius. Het kijkt naar de denarius van de ander — en in dat kijken wordt de eigen denarius minder. Niet objectief. Niet omdat er minder in zit. Maar omdat de blik die de ander meet, de eigen werkelijkheid vervormt.
Is uw oog boos omdat ik goed ben? De heer stelt de vraag zonder haar te beantwoorden. Hij laat haar hangen.
En in die hangende vraag ligt de hele anatomie van het mechanisme. De man is kwaad op de goedheid van de heer. Hij is kwaad op de genade die hij niet heeft ontvangen en die hij niet had verwacht — en die de ander wél heeft ontvangen. Zijn woede is niet over onrecht. Ze is over genade die hij niet heeft voorzien en die zijn systeem verstoort.
De genade die niet in de hiërarchie past, is de catharsis die dit mechanisme het hardst verdedigt. Want als genade niet wordt verdiend — als de last van de dag en de hitte geen hogere aanspraak geven dan het ene uur van de laatste — dan vervalt het hele systeem waarop de identiteit van de eersten rust.
En dat systeem is niet alleen een overlevingsstrategie. Het is het antwoord op de vraag die niemand hardop stelt: ben ik de moeite waard als ik niet meer heb gepresteerd dan de ander?
Wat er mogelijk wordt
De zaligspreking die boven dit mechanisme hangt staat in vers 9 van Mattheüs 5.
Zalig de vredestichters — want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.
— vredestichters. Niet vredeshandhavers. Het woord is actief — het beschrijft wie vrede maakt, wie de verzoening tot stand brengt. Niet wie de vrede verdedigt die er al is maar wie de verbinding herstelt die de vergelijking heeft verbroken.
De arbeider van het laatste uur en de arbeider van het eerste uur staan op twee plaatsen in de wijngaard. Ze zijn gelijkgesteld door de heer — maar niet door elkaar. De vergelijking als gevangenis sluit precies dat uit: de beweging van de ene naar de andere, de erkenning dat de andere niet minder heeft gekregen doordat ik meer heb gewerkt.
De vredestichter is de mens die zijn denarius kan ontvangen zonder te meten wat de ander ontvangt. Niet omdat hij blind is voor de ander — maar omdat zijn identiteit niet afhankelijk is van het verschil. Hij weet wie hij is zonder de vergelijking. En in dat weten — in die vrijheid van de hiërarchie — kan hij de ander zien. Niet als concurrent. Als medeontvanger van wat de heer geeft aan wie hij wil geven.
Zij zullen kinderen Gods genoemd worden. In de joodse traditie is het een kind van iemand zijn het imiteren van zijn wezenlijke eigenschappen. De Vader in de gelijkenis geeft niet naar verdienste maar naar goedheid — agathos, zegt de tekst, hij is goed. Zijn goedheid is niet proportioneel. Ze is absoluut.
Wie niet meer meet wat de ander ontvangt, begint te geven zoals de heer geeft. Niet omdat hij heilig is. Maar omdat zijn oog eindelijk eenvoudig is geworden — haplous, ongedeeld, heel. Het oog dat ziet zonder te berekenen. Het oog dat de ander kan zien zonder de eigen positie erin te meten.
Wat mijn praktijk laat zien
Ze zit soms tegenover me. De vrouw die twintig jaar voor het gezin heeft gewerkt terwijl haar zus haar eigen leven heeft geleefd — reizen, carrière, vrijheid. En nu, op haar vijftigste, ziet ze dat haar zus ook gelukkig is. Ook geliefd. Ook heel.
Ik heb alles gedaan wat moest, zegt ze. En zij heeft gedaan wat ze wilde. En het maakt niet uit.
Ze bedoelt: het verschil maakt niet uit. Het verschil waar ze twintig jaar op heeft gebouwd. Het offer dat haar identiteit heeft gedragen. De last van de dag en de hitte — ze heeft het gedragen, en het heeft haar niet meer opgeleverd dan wie het niet heeft gedragen.
Ik vraag: wat had je verwacht dat het zou opleveren?
Ze zwijgt lang. Dan zegt ze iets wat ze zelf niet had verwacht te zeggen: dat ik wist wie ik was.
Dat is het. Niet de beloning die uitblijft. De identiteit die wegvalt als het verschil wegvalt. Ze heeft twintig jaar geweten wie ze was — de vrouw die deed wat moest, die het gezin voor liet gaan, die verantwoordelijkheid nam. En nu dat onderscheid haar niets extra’s heeft opgeleverd in de ogen van het leven zelf, weet ze niet meer wie ze is.
De heer van de wijngaard heeft haar ook een denarius gegeven. En haar zus ook.
Is uw oog boos omdat ik goed ben?
Ze huilt. Niet omdat de vraag wreed is. Maar omdat ze voor het eerst voelt wat de eigenlijke vraag was — niet: word ik beloond voor mijn offers, maar: ben ik de moeite waard als ik niet meer heb gedaan dan de ander?
Dat is de vraag die het mechanisme heeft bewaakt. Veertig jaar. Twintig jaar. Soms een heel leven.
En de enige beweging die verder gaat dan de vergelijking, begint niet met een antwoord. Ze begint met de bereidheid om de vraag te horen — zonder hem onmiddellijk om te zetten in een aanklacht.
Centrale figuren in dit artikel: De arbeider van het eerste uur — de heer van de wijngaard
Bijbelgedeelten: Mt. 20:1-16 (de arbeiders in de wijngaard); Mt. 6:22-23 (het boze oog); Mt. 5:9 (zalig de vredestichters); Mt. 20:15 (is uw oog boos omdat ik goed ben)
MATTHEÜS-SERIE: ‘de hypocrisie‘:
00. Mattheüs spiegelt hypocrisie (inleiding)
01. De lege structuur(wet en vorm)
02. De persona die zichzelf is geworden (masker)
03. De strategische deugd (berekening)
04. Het systeem dat jou al heeft ingevuld (verwachting en bekendheid)
05. De vergelijking als gevangenis (rechtvaardigheid en nijd)
06. De identiteit vastgemaakt aan iets buiten jezelf (bezit en onzichtbaarheid)
07. Altijd eerst nog dit (uitstel en vermijding)
08. Het hoofd dat het lichaam niet meekrijgt (begrip zonder beweging)
09. De capitulatie onder sociale druk (instemming)
10. De historische distantie als geweten (oordeel en herhaling)
11. De projectie (het geconstrueerde beeld)
12. De schuld die nergens heen kan (spijt zonder ontvanger)
13. Wat je ontvangt maar niet aanneemt (de gestopte stroom)
14. De grond die niet ontvangt (de drie zaaiergevangenissen)
15. Het masker dat valt als niemand kijkt (over wie je bent als de heer weg is)
16. Mattheüs de tollenaar (de schrijver als getuige)
17. De zaligsprekingen (röntgenfoto van de dertien)
18. Het sluitstuk (wat overblijft als de kelipah valt)

