Niet rouwen — de redenen en de golven
Drieluik over rouw, deel 1
Wie iemand liefheeft, draagt die ander in zijn lichaam, in zijn brein als vaste grootheid. Dat is wat hechting op het niveau van de zenuwcellen betekent: de ander wordt gecodeerd als altijd-aanwezig, als een plek op de kaart die er is, ook als je er niet naar kijkt. Je hoeft niet te controleren of je kind bestaat. Je weet het, op de manier waarop je weet dat de vloer er is als je uit bed stapt.
Verlies is de botsing tussen die kaart en de werkelijkheid. Het brein verwacht de ander en treft de ander niet aan, en die botsing is niet een gedachte maar een lichamelijke gebeurtenis: dezelfde hersengebieden die fysieke pijn registreren, komen in actie. Rouw doet pijn op de manier waarop een brandwond pijn doet, en het organisme reageert op pijn zoals het altijd reageert, met een reflex die ouder is dan het denken. Het trekt zich terug.
Dat is de eerste reden waarom mensen niet rouwen. Het is geen zwakte en geen keuze. Het is een lichaam dat doet waarvoor het is gebouwd. Alle andere redenen komen daar bovenop, en ze zijn interessanter, omdat ze aangeleerd zijn en dus iets vertellen over de mens die ze draagt.
Wat je vroeg leerde over huilen
Een kind dat verdriet heeft, kijkt op. Nog voor het weet wat het voelt, zoekt het het gezicht van degene die voor hem zorgt, en aan dat gezicht leest het af of wat er in hem gebeurt gedragen kan worden. Dat is de oervorm van rouwen: niet het verdriet zelf, maar het verdriet dat gezien wordt. Verdriet dat ontvangen wordt, kan door het lichaam heen bewegen en gaat voorbij. Verdriet dat op een gesloten gezicht stuit, of op een moeder die het zelf niet aankan, of op een vader die zegt dat het niet zo erg is, leert het kind iets fundamenteels: mijn verdriet brengt de band in gevaar.
En dan kiest het kind. Niet bewust, en niet voor het verdriet, want dat is te duur. Het kiest voor de band. Het slikt in. Wat een kind op dat moment nodig had, was een gezicht dat kon blijven kijken; wat het kreeg, was een gezicht dat wegkeek, of te snel troostte, of zelf begon te huilen zodat het kind de rollen moest omdraaien. Elk van die drie leert hetzelfde: rouwen doe je niet, of niet hier, of niet lang.
Volwassenen die niet rouwen, hebben bijna altijd zo’n vroege les in zich. Ze noemen het zelf sterk zijn, of nuchter, of praktisch. Van binnen is het een kind dat nog steeds opkijkt naar een gezicht dat er niet was.
Het verlies dat geen verlies mag heten
Er is een tweede laag van redenen, en die ligt niet in de mens maar in de ruimte om hem heen. Sommig verdriet krijgt geen plek omdat het verlies niet als verlies wordt erkend. Een zwangerschap die eindigt voor iemand het wist. Een ex-partner die sterft. Een ouder die nog leeft maar door dementie al niet meer degene is die hij was. Een kind dat nog leeft maar het contact heeft verbroken. Een bedrijf dat in andere handen overgaat. Een droom waar niemand van wist.
Voor dat soort verlies bestaat geen kaart, geen vrije dag, geen begrafenis waar je naartoe kunt. Wie zulk verdriet heeft, ontdekt dat hij het aan niemand kwijt kan zonder eerst uit te leggen dat het bestaat, en die uitleg is op zichzelf al vernederend: je moet bewijzen dat je iets verloren hebt voordat je het mag missen.
Daar komt de timing bij. Verdriet houdt zich niet aan de agenda. Het dient zich aan op het verjaardagsfeest van een ander, in de week dat de zus zwanger is, tijdens het diner waar de collega zijn promotie viert. En dan is er een stem die zegt: niet nu, dit gaat over hun vreugde, ik ga ze niet lastigvallen. Die stem is vaak oprecht, en vaak liefdevol. Ze komt uit hetzelfde kind dat leerde dat verdriet de band bedreigt. Alleen bedreigt het nu niet de band met de ouder, maar de band met de gemeenschap, en de prijs is dezelfde: het verdriet wordt uitgesteld, en uitgesteld verdriet bestaat niet. Het is ingeslikt verdriet met een goede reden.
De cultuur die het niet kan gebruiken
Onder die persoonlijke en sociale lagen ligt nog een derde, en die is filosofisch. De westerse mens van de laatste twee eeuwen heeft zichzelf leren zien als autonoom individu: een eenheid die op zichzelf staat, die kiest, die functioneert, die zijn eigen leven ontwerpt. In dat zelfbeeld is geen plaats voor wat rouw blootlegt, namelijk dat we niet op onszelf staan. Dat een deel van wie ik ben, in de ander was ondergebracht, en dat ik met de ander ook een stuk van mezelf verlies waar ik geen toegang meer toe heb.
Rouwen is daarom, voor het moderne ik, een bekentenis. Het betekent toegeven dat ik niet zelfvoorzienend was. Wie dat niet kan toegeven, kan niet rouwen, en die onmacht ziet er van buiten uit als kracht: hij gaat gewoon door, ze pakt haar leven weer op, hij is er de volgende dag weer. De cultuur beloont het. Rouw heeft geen economische waarde en past niet in de agenda van een organisatie, en de dood is de afgelopen eeuw stelselmatig uit het dagelijks leven verwijderd, naar ziekenhuizen en uitvaartcentra, tot er nauwelijks nog iemand is die een lichaam heeft gezien of een dode heeft gewassen.
En de diepste reden ligt nog daaronder. Wie begint te rouwen, is bang dat hij niet meer stopt. Dat het verdriet bodemloos is. Dat als de eerste traan valt, er geen laatste komt. Die angst is bijna universeel, en het is precies die angst die de gevolgen in gang zet, want verdriet dat niet mag komen, gaat niet weg. Het komt terug. In golven, en elke golf slaat ergens anders aan land.

De eerste golf: het lichaam
Onderdrukking is geen passieve toestand. Het is werk, en het lichaam betaalt ervoor. Wie een emotie tegenhoudt, houdt het zenuwstelsel op een hogere spanning dan het aankan, dag in dag uit, en die spanning is meetbaar: een hartslag die niet meer echt zakt, een slaap die niet meer echt herstelt, een immuunsysteem dat het onderspit delft. Het geheugen lijdt eronder, omdat een deel van de aandacht permanent bezig is met wat er niet gevoeld mag worden; mensen die een verlies wegduwden, kunnen zich de maanden erna vaak nauwelijks herinneren.
Het lichaam bewaart de onafgemaakte beweging. De golf die niet mocht breken, staat nog steeds op halve hoogte, en na verloop van tijd vergeet de mens dat hij er staat, omdat hij er altijd staat. Wat overblijft is een grondtoon van spanning die geen naam heeft. Tot het lichaam zelf een uitweg zoekt: een rug die het begeeft, een maag die niets meer verdraagt, een vermoeidheid waarvoor geen arts iets vindt. Het verdriet spreekt dan de enige taal die het nog heeft, en die taal wordt zelden verstaan als verdriet.
De tweede golf: de reacties
Wat niet gevoeld wordt, verdwijnt niet. Het zoekt een uitgang, en die uitgang loopt via de reacties van de mens op alles wat niets met het verlies te maken lijkt te hebben. Die reacties gaan één van twee kanten op: te groot, of te klein.
Te groot ziet er zo uit. Een prikkelbaarheid die niemand begrijpt, ook de mens zelf niet. Een ongeduld met alles wat traag is, omdat traagheid ruimte maakt en ruimte gevaarlijk is; in de ruimte zou de golf kunnen komen. Een hardheid tegenover de zwakte van anderen, die eigenlijk een hardheid is tegenover de eigen zwakte, naar buiten geprojecteerd. Wie zo reageert, noemt het realistisch, of streng maar rechtvaardig. Van binnen is het een golf die geen andere uitweg heeft dan een kier in een woedeuitbarsting over iets kleins.
Te klein ziet er anders uit en is moeilijker te herkennen, omdat het op rust lijkt. Wie zich sluit voor de pijn, sluit zich niet alleen voor de pijn. Het hart kent geen selectieve deur. De verharding die het verdriet buitenhoudt, houdt ook de tederheid buiten, en de vreugde, en de mogelijkheid om opnieuw geraakt te worden. Er is dan iemand die alles doet wat gedaan moet worden en die niet meer aanwezig is. De partner merkt het eerst, en kan het meestal niet benoemen: er is niets mis, en er is niemand thuis.
Welke van de twee het wordt, hangt af van wie iemand is. Dat is de plek waar karakter meespeelt, en het is de enige plek. Het verdriet zelf, en het feit dat het ergens heen moet, staat daar los van. Het karakter kiest niet of er gerouwd wordt; het kiest alleen langs welke kant het niet-gerouwde naar buiten komt. Wie van nature naar buiten beweegt, wordt te groot. Wie van nature naar binnen beweegt, wordt te klein. En in beide gevallen ziet de omgeving een eigenschap, waar in werkelijkheid een golf onder de lijn staat.
De derde golf: het volgende verlies
Golven stapelen zich op. Het verdriet dat bij het ene verlies werd ingeslikt, wacht op het volgende, en dan komt het mee. Iemand stort in bij de dood van een huisdier, bij het einde van een klein contract, bij een verhuizing, en begrijpt zelf niet waarom dit zoveel groter voelt dan het is. Het is ook groter dan het is. Het draagt alles wat eerder niet gedragen werd. Elk nieuw verlies wordt zo een sluis waardoor de oude golven alsnog naar binnen komen, ongesorteerd, en het gebeurt vaak op een moment waarop de mens er het minst op voorbereid is: de tranenvloed bij een reclamespot, de instorting op een verjaardag die met niets in verband lijkt te staan.
Wie zo’n instorting meemaakt, denkt dat hij overdrijft. In werkelijkheid rouwt hij voor het eerst, om iets van twintig jaar geleden, in de gestalte van iets van vandaag.
De vierde golf: het systeem
En als de mens de golf zelf niet neemt, gaat hij verder. Wat in een familie niet betreurd wordt, verdwijnt niet uit de familie. Het zoekt een plek, en die plek is bijna altijd een kind, of een kleinkind, dat een zwaarte draagt waarvan het de bron niet kent. Het niet-gerouwde verlies wordt een geheim dat wordt overgedragen zonder dat iemand het uitspreekt: een crypte in de psyche van de een, die opengaat in het leven van de ander. Het verdriet dat de moeder inslikte, huilt de dochter twee generaties later, om iets waarvan ze denkt dat het over haarzelf gaat.
Het verdriet wil geuit worden. Dat klinkt als een zegswijze, en het is een wet. Wat is uitgesloten uit het systeem, keert erin terug. Wat niet is erkend, houdt op erkenning aan te dringen, en hoe langer het wacht, hoe minder het op verdriet lijkt en hoe meer op lot: een kind dat zonder reden niet wil leven, een kleinzoon die de naam van een doodgezwegen oom draagt zonder het te weten, een dochter die zich verantwoordelijk voelt voor een zwaarte die niet de hare is.
Wat de golven gemeen hebben
Het lichaam, de reacties, het volgende verlies, de volgende generatie: het zijn geen vier afzonderlijke gevolgen maar één en dezelfde golf, die telkens ergens anders aan land slaat omdat hij op de eerste plek niet mocht breken. Hij wordt niet zwakker onderweg. Hij verjaart niet. Hij staat nog waar hij stond, en wacht op een lichaam dat hem alsnog laat breken.
Of dat lichaam er ooit klaar voor is, en wat het kost om dertig jaar later de eerste traan te laten vallen die toen niet mocht, daarover gaat dit stuk niet. Wel is één ding zeker: de golf wacht niet omdat hij wreed is. Hij wacht omdat hij nog niet klaar is.
LEES VERDER:
* deel 1 – Niet rouwen de redenen en de golven
* deel 2 – Verzwelgen als het verdriet je meetrekt
* deel 3 – Rauwe rouw — het verdriet ontmoeten op het moment dat het zich aandient
* deel 4 – De vervangers van rouw